Opening the book…

LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 328 HET RAADSEL VAN NIASSA.

HET RAADSEL VAN NIASSA.

HOOFDSTUK I.

HET LATIJNSCHE MANUSCRIPT.

In Lombard Street te Londen bevinden zich sedert onheugelijke jaren een groot aantal winkels van boekhandelaren, die allen met elkander gemeen hebben, dat zij geen nieuwe boekwerken verkoopen, maar uitsluitend oude, stoffige folianten, handschriften, merkwaardige prenten, houtsneden, staalgravuren, en dat alles hoe ouder hoe liever.

Er hangt in deze smalle straat als het ware een wolk van stof, en de lucht van oud perkament en van vergeelde bladen zal er naar het schijnt nimmer verdwijnen.

Sommige winkels bestaan daar reeds vele eeuwen, en zijn zoo oud als de huizen zelve waarin zij gevestigd zijn.

Die huizen zijn smal, donker, vervallen en zwart berookt, zij schijnen steun bij elkander te zoeken, uit vrees dat zij anders zullen omstorten.

De ramen hebben kleine ruitjes, met een groen violetten weerschijn, waardoor het daglicht slechts spaarzaam naar binnen kan dringen.

De gangen, bevloerd met groote tegelsteenen, klinken hol, de winkels zelve zijn bedompt, en hun zolderingen zijn met door den tijd zwart geworden eikenhouten balken beschoten.

Het eikenhout is trouwens niet gespaard in deze huizen, en een handelaar in oudheden zou er zijn hart kunnen ophalen. Daar zijn prachtige eikenhouten wenteltrappen en gansche kamers en gangen die tot een manshoogte met prachtig besneden, duimdik eikenhout bekleed zijn; daar zijn de groote saterkoppen, prijkende boven aan de topgevels, en daar zijn ook de eeuwenoude eikenhouten kabinetten, die van geslacht op geslacht zijn overgegaan.

Vele winkeliers in deze straat hebben volstrekt geen offer willen brengen aan den geest des tijds, en wilden van electriciteit niets weten, zelfs niet van het zooveel oudere gas maar vergenoegden zich er mede, hun winkels en woonkamers met petroleumlampen te verlichten.

De bedienden in deze winkels zijn meestal tenger en bleek, en zij zien er uit als witte muizen, schuw voor het licht, en langen tijd met de oogen knippend als zij uit hun stoffige gevangenissen op straat komen, en door het zonlicht getroffen worden.

Hoog opgestapeld liggen er de boeken op de dikke planken, maar de kostbaarste exemplaren worden achter slot en grendel bewaard.

Het is zeer stil in deze straat, waar hoogst zelden een voertuig passeert, en weinig in aantal zijn de voorbijgangers.

Het is alsof men het niet waagt, het stof in beroering te brengen dat hier sedert eeuwen zich verzameld heeft.

Tot een der trouwe bezoekers van deze straat behoorde Lord William Aberdeen, de bekende Londensche philantroop, die hier minstens eenmaal in de week verscheen, ten minste wanneer hij niet op een zijner buitenlandsche reizen was, om hier zijn collectie oude boekwerken en platen aan te vullen.

Hij kende maar één werkelijke passie en dat was het verzamelen van oude boeken, waarvan hij dan ook een hartstochtelijk liefhebber was.

In zijn fraai huis aan de Regent Street was een geheel vertrek ingericht als een soort museum, waar hij zijn collectie had ondergebracht in een aantal kasten met glazen deuren, en waar zij zorgvuldig werd gecatalogiseerd door den jongen secretaris van Zijn Lordschap, Charly Brand geheeten.

Lord Aberdeen hield ook zeer veel van antieke wapens waarvan hij eveneens een kostbare verzameling had, maar de oude boeken namen toch het grootste gedeelte van zijn belangstelling in beslag.

Meestal kwam hij in een groote, blauwgelakte auto, bestuurd door zijn reusachtigen chauffeur Henderson, welk voertuig dan echter op den hoek van de nauwe straat bleef wachten, en te voet zette hij zijn weg voort.

Het kwam wel voor, dat hij eenige uren achtereen in Lombard Street bleef vertoeven, en achtereenvolgens alle boekwinkels bezocht.

Maar een daarvan scheen echter zijn voorkeur te hebben, een winkel boven welks deur op een zware, eikenhouten plank het jaartal 1509 stond gebeiteld, dat nauwelijks meer zichtbaar was.

Deze winkel en het huis, waarin hij gevestigd was behoorden toe aan den boekhandelaar Herbert Lee.

Hij had het huis geërfd van zijn vader, die het weder van zijn vader had gekregen, en zoo ging het door, vele geslachten lang, tot men tenslotte ongeveer in het midden van de zestiende eeuw stuitte op James Lee, een bewoner van Manchester, die naar Londen was gekomen met een klein kapitaaltje en daarmede de boekenzaak in de Lombard Street had gevestigd.

Sinds dat jaar was er niets veranderd, noch aan het huis, noch aan den winkel.

Alle leden van het geslacht Lee schenen met een bijna heiligen eerbied bezield te zijn voor oude dingen, of het nu boeken, wapens of steenen waren.

En zoo was er sedert het begin van de zestiende eeuw geen spijker bijgeslagen, en de grootste concessie, welke een der Lee’s had willen doen, was, dat hij eenige zware eikenhouten planken langs de wanden van den winkel had laten aanbrengen, omdat de voorraad boeken zoo groot was geworden, dat hij er geen raad meer mee wist.

In dit huis met zijn eigenaardigen trapgevel, zijn vierkante vensters, met de kleine, in lood gevatte ruitjes, zijn smalle gangen en wonderlijke, schijnbaar nuttelooze trapjes, zijn schilderachtigen uitbouw boven de straat, en zijn prachtigen luifel van eikenhout, door een meesterhand besneden, vertoefde Lord Aberdeen het liefst, als hij een bezoek aan die Lombard Street bracht.

Onder den luifel, die ook de smalle voordeur beschermde, waarop zich nog steeds de prachtige koperen klopper bevond, die er bij den bouw van het huis op was aangebracht, was een kleine uitstalling waar men tweedehands studieboeken voor gewone en hoogere scholen kon krijgen, maar Herbert Lee stelde zijn eigenlijke schatten niet bloot aan den invloed van zon en koude, maar bewaarde ze als een gierigaard in zijn kasten, welke zich achter in den winkel bevonden, en waar het zoo duister was, dat men er slechts op zeer zonnige dagen zonder kunstlicht kon lezen.

Zulk een heldere dag was het, toen Lord Aberdeen bij deze kast stond te lezen, dicht onder een klein vierkant raam dat op een nauwe binnenplaats uitkwam.

Hij stond daar zeker reeds een half uur bijna onbewegelijk, met zijn wandelstok met ivoren knop onder den linkerarm gekneld, de groote grijze oogen strak op de bladzijde gevestigd, en blijkbaar alles om zich heen vergetend.

Lee had zijne Lordschap trouwens ook vergeten of liever, hij bemoeide zich in het geheel niet met hem en ging voort met het catalogiseeren van eenige pas ontvangen boeken, of het helpen van een klant.

Lord Aberdeen was een trouw afnemer van hem, en hij keek volstrekt niet op den prijs, als het er om ging, een werkelijk kostbaar boek machtig te worden.

Maar wat Zijn Lordschap daar nu las scheen toch wel bijzonder belangwekkend te zijn, want als Lee nu en dan een schuinen blik op den lezer wierp, vond hij hem altijd nog in dezelfde houding staan, zich alleen bewegend om nu en dan een bladzijde om te slaan van het boek, dat hij in de hand hield.

Op dit oogenblik was de winkel geheel verlaten, want er was juist een klant vertrokken, en de winkelbediende, een spichtige jongen met een onnoozel gezicht, was uitgezonden met een boodschap.

Lord Aberdeen kwam langzaam met zijn boek in de hand, naar de breede toonbank, waar achter de boekhandelaar bezig was met schrijven, en zeide toen:

„Gij hebt hier een hoogst belangrijk, zeer zeldzaam exemplaar, mijn waarde Lee!”

De boekhandelaar schoof zijn grooten hoornen bril op zijn voorhoofd, en tuurde naar het boekwerk, hetwelk Zijn Lordschap in de hand hield.

„Hebt gij het misschien afgenomen van de kleine stapel rechts op de tweede plank van de boekenkast?”

„Geraden!” antwoordde Lord Aberdeen. „Gij zult dit werk toch zelf zeker ook wel kennen?”

„Ik heb nog geen gelegenheid gehad om er een blik in te werpen, Mylord!” antwoordde Lee.

„Doe het dan aanstonds, maar zeg mij eerst eens, hoe het komt dat gij dit merkwaardige exemplaar nog niet nader beschouwd hebt?”

„Zeer eenvoudig Mylord, ik ontving het nog geen volle twee uren geleden, het behoort bij een kleinen voorraad boeken, die een deel vormen van de nalatenschap van een halfwijzen, ouden professor, die alles aan zijn huishoudster had vermaakt, welke dame zich gehaast heeft, alles wat los en vast was, te gelde te maken. De vrouw kwam bij mij met het stapeltje boeken, ik wierp er een vluchtigen blik in, ik zag dat er wel wat aardigs bij was, en ik heb haar twee pond betaald.”

Zijn Lordschap wierp den boekhandelaar een eigenaardigen blik toe, en hernam:

„Inderdaad, gij moet de boeken wel zeer vluchtig bezien hebben! Maar hebt gij dan in het geheel niet bemerkt, dat er een handschrift bij is?”

„Ja, ik meen mij zoo iets te herinneren!” stotterde de boekhandelaar. „Ik heb mij echter niet den tijd gegund, alles nauwkeurig door te zien.”

„Dat moet wel zoo zijn,” hernam Lord Aberdeen lakoniek, „want indien ik een handelaar was in oude boeken, dan zou ik voor het exemplaar dat ik hier in de hand heb op zijn minst honderd pond hebben betaald. Misschien doe ik mij zelf schade, door u dit te bekennen, omdat ik voornemens ben, dit manuscript van u te koopen, maar het is zoo als ik zeg.”

En met deze woorden wierp Lord Aberdeen het boek op de toonbank, en nam op een der oude stoelen plaats, van waar hij Lee strak aankeek.

Deze had zijn bril met een ruk voor de oogen getrokken, en greep nu het manuscript, dat in zoo hooge mate de belangstelling van een zijner beste klanten had gaandegemaakt.

En hij behoefde er niet lang in te bladeren, om tot de overtuiging te komen, dat hij hier inderdaad een zeer merkwaardig werk voor zich had.

Hij kuchte eens en zeide toen:

„Luister eens Mylord, gij hebt mij als een eerlijk man leeren kennen niet waar?”

„Zoo eerlijk als een antiquair maar met mogelijkheid kan zijn, mijn waarde Lee.”

„Welnu ik erken, dat ik die huishoudster van dien onwijzen professor wel wat weinig betaald heb! Ik zal haar schrijven, want gij weet dat ik altijd de namen noteer van degenen die mij boeken verkoopen, en ik zal haar vijftig pond sturen!”

„Daar doet gij wel aan vriend Lee, want dat is dit ding op zijn minst waard.”

„Gij hebt gelijk Mylord. Het is een handschrift en naar de lettersoort en de taal te oordeelen, eveneens afgaande op de wijze van inbinden en het dikke perkament van den band, moet dit boek met zijn ongeveer twee en dertig pagina’s geschreven zijn in het begin van de veertiende eeuw.”

„Dat meende ik ook,” kwam Lord Aberdeen, „en ik vermoed, dat het door monniken gedaan is, zooals destijds menigmaal geschiedde. Let maar eens op de bewerkelijke beginletters van ieder hoofdstuk. Ware juweeltjes van schoonschrijfkunst. Vele bewoners van kloosters brachten aldus hun tijd door, en er zijn talrijke voorbeelden, dat monniken de schoonste gedeelten van den Bijbel overschreven, alleen maar om zich bezig te houden.”

Lord Aberdeen had het manuscript weder in handen genomen en sloeg de perkamente bladzijden om, beschreven met zwarte en roode inkt, die slechts op zeer weinig plaatsen zoodanig verbleekt was, dat men het schrift niet meer kon lezen.

Toen hernam hij:

„Ik behoef U natuurlijk niet te vragen, of gij Latijn kent, mijn waarde Lee?

„In die taal is het manuscript geschreven, en dat pleit nog meer voor de opvatting, dat dit werk door monniken is verricht en zeer waarschijnlijk door Duitsche! Lees eens een klein gedeelte, hier bijvoorbeeld, en zeg mij Uw oordeel!”

Hij schoof den boekhandelaar het manuscript weder toe, en wachtte met over elkander geslagen armen weder af, tot Lee gereed zou zijn.

Dat ging niet zoo spoedig, want het was geen modern Latijn, en Lee moest nu en dan zijn woordenboek raadplegen, terwijl bovendien enkele woorden moeilijk leesbaar waren.

Maar toen hij eindelijk het hoofd ophief, lag er een uitdrukking van verbazing, ongeloof en spot op zijn met rimpels doorploegd gelaat.

„Welnu, wat zegt gij er van?” vroeg Lord Aberdeen.

„Het manuscript is echt, Mylord, daaraan valt niet te twijfelen, maar de inhoud is zuivere onzin?”

„Zoudt gij denken?” vroeg Zijn Lordschap, den knop van zijn wandelstok tegen zijn kin duwend.

„Maar dat spreekt toch immers vanzelf Mylord!” riep Lee uit. „De man die dit boek geschreven heeft, raaskalt van ongehoorde schatten in het duisterste gedeelte van Afrika, waarvan geen sterfelijk wezen zich eenige voorstelling kan vormen, tienduizenden reusachtige olifantstanden, honderden kisten vol juweelen van allerlei aard, turkooizen en safieren, robijnen en diamanten, smaragden en topazen! Hij praat maar van gansche karavanen, bestaande uit honderden kameelen, alle beladen met zware kisten vol gouden staven en stofgoud! Maar dat is nog niet het ergste van den gek, die zijn tijd verbeuzelde met dit handschrift, hij spreekt van voorwereldlijke monsters, van Brontosauriërs en Ichthyosauriërs, die daar nog vrij talrijk zouden zijn voorgekomen, ten tijde toen onze vriend dit manuscript schreef. Heb ik dan niet gelijk met te zeggen, dat wij hier aan een sprookje, aan kinderachtigen beuzelpraat moeten denken?”

„O, wat dat betreft, mijn waarde Lee, ik houd het met den jongen Hamlet, die verklaarde, dat er tusschen hemel en aarde nog veel dingen bestaan, welke onze schoolsche wijsheid niet kan omvatten.”

Lee keek zijn klant verbaasd aan, en riep uit:

„Maar dan zouden wij daar toch iets van moeten weten Mylord!”

„Dat is volstrekt niet noodzakelijk, mijn waarde Lee! Gij zoudt toch zeker niet durven volhouden, dat Afrika reeds van Oost tot West, van Noord tot Zuid doorvorscht is? Het zal U toch niet onbekend zijn, dat er zelfs op de laatst uitgekomen kaarten van Afrika nog zeer vele witte plekken voorkomen, ten bewijze, dat nog geen Europeaan daar is doorgedrongen! En zelfs in de gedeeltes welke wij zoogenaamd kennen zijn nog ontzaglijke stukken, waar wij nog nooit zijn doorgedrongen. Vele zijrivieren van de Kongo-rivier bijvoorbeeld, dat wil zeggen van een der voornaamste stroomen in Centraal-Afrika, zijn nog nimmer bevaren en hunne oevers zijn nog nimmer door den voet van een blanke betreden, dat wil zeggen: wij weten volstrekt niet wat daar omgaat.”

„Dat wil ik U toegeven Mylord, maar tusschen niet weten en maar wat opschrijven en fantaseeren bestaat nog een groot verschil!”

„Als gij van fantasie spreekt, waarde Lee, dan moogt gij er althans den monnik die dit handschrift vervaardigde niet van beschuldigen, want in een soort voorrede verklaart hij, dat hij dit manuscript heeft nageschreven van een Romeinschen Papyrus die zelf nog dertien eeuwen ouder was! Dat wil dus zeggen, dat het origineel van dit handschrift voor de geboorte van Christus moet zijn vervaardigd. Waarschijnlijk waren daar in de ervaringen verhaald van een Romein die meer van Afrika gezien had dan zijn landgenooten die er uitsluitend kwamen om onder bevel van Julius Caesar te strijden.”

Lee keek Lord Aberdeen een oogenblik aan, alsof hij aan zijn verstand twijfelde, maar lang durfde hij toch niet kijken, want Zijn Lordschap was een goede klant, en daarom maakte hij aanstonds van de gelegenheid gebruik, en vroeg:

„Wil Mylord dit merkwaardige handschrift koopen?”

„Wat vraagt gij er voor?”

„Vindt gij honderd pond te veel?”

„Ik zal ze U aanstonds betalen, mits ge mij op uw woord belooft, dat gij op staanden voet vijftig pond aan de huishoudster van den overleden professor zendt.”

„Ik geef er U mijn woord op, Mylord!” antwoordde Lee haastig. „Ik zal het manuscript even voor U inpakken, want gij zult het wel aanstonds willen meenemen.”

„Dat wilde ik U juist verzocht hebben,” hernam Lord Aberdeen, „ik zou het gaarne dadelijk geheel eens doorlezen.”

Lee zocht pakpapier en touw op, en pakte het manuscript zorgvuldig in.

Lord Aberdeen stak het in zijn binnenzak, knikte den boekhandelaar vriendelijk toe, en zeide nog eens op den drempel van de deur:

„Denk er om, vijftig pond aan de huishoudster van den professor!”

HOOFDSTUK II.

EEN FANTASTISCH PLAN.

Lord Aberdeen liep snel de Lombard Street af, sloeg een hoek om, liep op een groote, diepblauw gelakte auto toe, en zeide tot den reusachtigen chauffeur die achter het stuurwiel zat:

„Snel naar huis, Henderson. Mijnheer Brand zal niet weten waar wij blijven.”

De auto zette zich in beweging en Lord Aberdeen liet zich in de kussens vallen.

Een vreemde glimlach deed zijn lippen een oogenblik krullen.

„Hoe sloofde die goede Lee zich uit, om mij van dienst te zijn!” mompelde hij voor zich heen. „Zou hij wel hetzelfde gedaan hebben als hij maar een oogenblik had kunnen vermoeden dat achter Lord Aberdeen zich de langgezochte John Raffles verborg?”

De groote onbekende liet een kort lachje hooren. „Natuurlijk zou hij dadelijk naar de politie zijn geloopen, als hij ook maar een seconde had kunnen vermoeden, wie ik werkelijk ben.”

Maar spoedig gingen de gedachten van John Raffles weder naar heel andere zaken, naar het eigenaardige handschrift, dat zich op dit oogenblik in zijn binnenzak bevond.

Hij was een doorkneed kenner van dergelijke oude manuscripten en hij had spoedig ontdekt dat er aan de echtheid van het Latijnsche handschrift in het geheel niet te twijfelen viel.

Trouwens, een chemisch onderzoek van de inkt zou spoedig iedere mogelijke vervalsching aan het licht brengen, indien deze inderdaad gepleegd was.

Maar dat verwachtte Raffles geen oogenblik.

Het handschrift was opgesteld in het Latijn, zooals het in het Romeinsche rijk en daar buiten voor de geboorte van Christus, en nog geruimen tijd daarna als schrijftaal gebezigd werd, en dat tamelijk sterk afweek van het moderne Latijn, zooals het onderwezen wordt op de Universiteiten.

Het perkament, hetwelk de monnik had gebruikt, was ongetwijfeld verscheidene eeuwen oud en van een schier onverwoestbare hoedanigheid.

Neen, aan de echtheid van het handschrift mocht geen oogenblik getwijfeld worden!

De Duitsche monnik had het overgeschreven van een Romeinschen Papyrus, maar het zou waarschijnlijk vruchtelooze moeite zijn, nasporingen naar dat origineel te doen, want dat zou wel tot stof zijn vergaan, ook al was het een feit dat er in het Britsche Museum nog altijd eenige Papyrus-rollen te zien waren, die dateerden uit het regeeringstijdperk van Tiberius!

Lee had verzekerd, dat dit alles bedrog, fantasie, onzin moest zijn, en het gezond verstand zeide Raffles, dat de man gelijk moest hebben, dat die ontzaglijke opeenhooping van schatten in het binnenland van Afrika op zich zelf reeds onwaarschijnlijk was, en dat het toch in ieder geval moeilijk verklaarbaar was, dat men naderhand nooit meer van deze ongehoorde rijkdommen zou hebben gehoord, rijkdommen, die, wanneer zij naar de huidige geldswaarde berekend moesten worden, zeker duizenden Milliarden pond Sterling zouden vertegenwoordigen, ruimschoots voldoende om alle oorlogsschulden van alle landen ter wereld te samen eenige honderden malen te delgen!

Was zoo iets mogelijk?

Was iets dergelijks bestaanbaar?

De logica verzet er zich tegen, maar John Raffles was een man die aan de gangbare logica een hekel had, en voor wie fantasie een levensbehoefte was.

Maar dan die voorwereldlijke monsters, dieren uit het Steentijdperk, welke men reeds honderdduizenden jaren uitgestorven waande, de monsterachtige hagedissen met hun geweldige vinnen en meterlange halzen, de vliegende draken, zoo ontzaglijk groot, dat zij Mammouths durfden aanvallen, die op zich zelve al twee maal zoo groot waren als onze hedendaagsche olifanten, kon het zijn, dat dergelijke dieren twintig eeuwen geleden nog bestonden? Zouden er wellicht overblijfselen van te vinden zijn?

Over dit alles dacht Raffles nog na, toen de auto stil hield voor een fraai huis in de Regent Street.

Raffles stapte uit, en ging den kleinen voortuin door.

Hij stak den huissleutel in het deurslot, en trad de vestibule binnen, waar hem zijn overgoed werd afgenomen, door Gaston, zijn grijzen kamerbediende.

„Is mijnheer Brand thuis Gaston?” vroeg Raffles.

„Mijnheer de secretaris is zooeven van een wandelrit teruggekeerd, Mylord,” antwoordde Gaston. „Hij bevindt zich thans in de blauwe kamer, als ik mij niet vergis.”

Met dezen naam werd een klein vertrek aangeduid, dat zich naast de bibliotheekzaal bevond, en waar Raffles een fraaie collectie blauw Chineesch porselein en Delftsche pullen had ondergebracht.

Hij richtte zijne schreden naar deze kamer en trof er inderdaad Charly Brand aan, zijn trouwen vriend, die bezig was, uit een houten kist eenige kostbare vazen te pakken.

Hij wendde zich naar de deur, en stak Raffles opgewekt de hand toe.

„Iets bijzonders ontdekt?” vroeg hij. „Je ziet er zoo opgewekt, hoe zal ik het zeggen, zoo eigenaardig uit!”

„Ik geloof, dat ik een goede vondst heb gedaan, Charly!” antwoordde Raffles, terwijl hij het manuscript van zijn omhulsel ontdeed.

„Je kent immers Latijn?” vroeg hij.

„Ja, ik heb mij het onderwijs in die oude taal moeten laten aanleunen!” antwoordde Charly lachend. „Denk echter niet, dat ik er spijt van heb; iemand met kennis van Latijn kan genieten van veel dingen, waarvan degenen die de taal van Virgilius niet machtig zijn, zich moeten spenen!”

„Lees dan eens met aandacht het oude handschrift, hetwelk ik zooeven voor honderd pond heb verworven!”

„Honderd pond!” riep Charly verschrikt uit. „Heb je dat voor een boek uitgegeven?”

„Vind je het te veel, mijn jongen?” vroeg Raffles glimlachend. „Is de bodem van onze geldkist te zien? Geef ik te veel geld uit?”

„Dat weet je wel beter! Wij hebben pas kort geleden een grooten slag geslagen, die je ruim een Millioen dollar heeft opgeleverd, waarvan je trouwens al tienduizend pond sterling hebt weggeschonken!”

„Wegschenken is eigenlijk niet de juiste term,” hernam Raffles ernstig, „ik noem het geen schenken als men een schreeuwend onrecht, door de geheele maatschappij gepleegd, door middel van geld weder goedmaakt. Maar lees nu dat ding eens, ik geef je een uur den tijd, het zijn maar twee en dertig bladzijden, en het schrift is tamelijk groot! En kom mij dan eens zeggen, wat je er van denkt!”

„Waar kan ik je vinden?”

„In de geheime werkplaats!”

Raffles knikte Charly toe, verliet de kamer, daalde de breede trap af, en stak de vestibule over, waarna hij een gang volgde, aan welks einde zich de tuindeur bevond.

Hij ging door den lommerrijken tuin naar een hoog soort paviljoen, dat aan alle kanten door een hoog geboomte omringd was. In het grootste vertrek van dit tuinhuis bevond zich, achter den schoorsteen, de geheime ingang naar de ondergrondsche werkplaats, waar Raffles menigmaal vertoefde, als hij bezig was aan een of ander nieuwe uitvinding op het gebied der chemie of der werktuigkunde.

Door op een krul in de lijst van een spiegel te drukken, die boven den schoorsteen hing, kon Raffles deze eenige decimeters ter zijde laten schuiven.

Zoodra hij door de opening was gegaan, en zich in de zeer smalle gang bevond, die zich achter den kamermuur uitstrekte, schoof de schoorsteen weder op zijn plaats.

Raffles liep de gang ten einde, die eigenlijk niets anders was dan de ruimte tusschen den muur van het paviljoen en een loozen binnenmuur, en daalde een ijzeren trap af, die naar de geheime werkplaats voerde. Eenige jaren geleden had Raffles door een toeval, toen er in de onmiddellijke buurt van zijn huis opgravingen werden gedaan met het oog op den aanleg van een nieuwen tak van den ondergrondschen spoorweg, de ontdekking gedaan dat er zich daar ter plaatse een groot onderaardsch hol bevond, hetwelk zich voor een deel onder den tuin van zijn huis uitstrekte, en dat waarschijnlijk vroeger de geweldige kelderruimte was geweest van het klooster, waarvan men nog een klein overblijfsel in een der oude zijstraten van de Regent Street kon vinden.

Hij had deze kelderruimte met de hulp van Henderson en Charly nog eenigszins vergroot, een betonnen wand opgetrokken om zijn werkplaats af te scheiden van de rest van het hol, en de werkplaats vervolgens voorzien van alle moderne machinerieën, welke hij noodig kon hebben, een draaibank voor metaal- en houtbewerking, die door een kleine electromotor in beweging werd gebracht, een fraisbank, een boor- en een schaafmachine, een lintzaagmachine en nog eenige andere werktuigen.

Geheel van deze werkplaats afgescheiden was het chemische laboratorium, waar Raffles proeven nam, welke de verbazing van Charly, en weinig minder dan de ontzetting van Henderson verwekten.

Hier, in dit onderaardsche laboratorium, had Raffles ontdekkingen gedaan die hem van ontzaglijk groot nut waren geweest bij zijn gevaarvolle ondernemingen. Hier ook had hij den wonderbaarlijken electrischen motor uitgevonden en samengesteld, die zijn vliegmachine in beweging bracht, en daaraan de bijna ongehoorde snelheid van ruim vijfhonderd kilometer per uur verleende.

Zoodra hij de stalen deur geopend had, welke de ijzeren trap van de werkplaats scheidde, ontdeed hij zich van zijn jas, en schoot een linnen werkkiel aan.

Hij begaf zich vervolgens naar zijn werkbank, waar het model van een eigenaardige machine stond.

Hij bekeek het een oogenblik, met de vuisten in de zijde gesteund, en mompelde:

„Het model heeft gisteren voortreffelijk gewerkt, nu is het slechts de vraag, of het toestel op ware grootte dit ook zal doen!”

Hij trok een vel papier naar zich toe, met teekeningen bedekt, en begon deze ijverig te bestudeeren.

Nu en dan veranderde hij nog iets aan de teekeningen, en wierp van tijd tot tijd een blik op het sierlijke model, waarvan het koper glansde in het licht van de sterke electrische lampen, welke deze ondergrondsche werkplaats moesten verlichten.

Er was nog geen half uur verloopen, toen de stalen deur weder openging, en Charly binnentrad.

Hij had het Latijnsche manuscript in de hand, en op zijn jong gelaat lag een uitdrukking van verwondering.

„Wel,” zoo begroette Raffles hem, terwijl hij op een der gemakkelijke stoelen plaats nam, die hier en daar waren neder gezet, „wat zeg je wel van mijn ontdekking?”

„Als manuscript is dit ding hoogst merkwaardig,” antwoordde Charly. „Een andere waarde is er natuurlijk niet aan te hechten!”

„Hoe zoo?” vroeg Raffles langs zijn neus weg.

„Hoezoo!” herhaalde Charly verbaasd. „Wel, wat hier beschreven staat is toch immers reine onmogelijkheid!”

„Zoo iets zeide mijn vriend Lee ook!” kwam Raffles bedaard.

„Nu, dan ben ik het volkomen met Lee eens!” riep Charly uit. „Ik geloof geen syllabe van dien schat, en nog veel minder van die vóórwereldlijke monsters, welke die Romeinsche krijger daar in Afrika zou hebben gezien! Als dat werkelijk zoo was, zou hij er denkelijk niet veel van hebben na verteld!”

„Je acht dus al de vóórwereldlijke dieren wel zeer gevaarlijk? Laat ik je dan zeggen, dat er vele bij waren, die volkomen onschadelijk waren, daar zij tot het geslacht der herbivoren of planteneters behoorden hoe groot zij ook waren!”

„Maar er waren ook carnivoren of vleesch etende dieren onder, Edward! En die bereikten soms een lengte van tachtig voet!”

„Daarvan spreekt Otavius Numilus niet, die het eerst het handschrift samenstelde, waarmede ik niet zou willen zeggen, dat hij ze niet kon hebben gezien!”

Charly liet zich op zijn beurt in een stoel vallen en keek Raffles strak aan.

„Dat kun je toch niet meenen?” vroeg hij eindelijk. „Dergelijke dieren zijn er toch reeds sedert eeuwen niet meer!”

„In Europa zeker niet, evenmin als in Amerika, en alle andere, tot in de uiterste hoeken, doorvorschte werelddeelen!” antwoordde Raffles bedaard. „Maar Afrika is nog lang niet geheel doorvorscht! Wij mogen gerust zeggen, dat wij van dat geheimzinnige land niet meer dan een derde deel goed kennen, en dan vergis ik mij zeker in het voordeel der ontdekkingsreizigers!”

„Dat geef ik toe, maar van daar tot de meening, dat er in die nog niet door den voet van Europeanen betreden gedeelten, dergelijke monsters nog geen tweeduizend jaar geleden te vinden waren, is nog een heele stap!”

„Tweeduizend jaar geleden, en thans, Charly!” kwam Raffles steeds even bedaard.

„Wat wil je zeggen?” riep Charly verward. „Je zoudt toch niet durven volhouden, dat er ook nu nog dergelijke monsters in het duisterste gedeelte van Afrika te vinden zijn?”

„Ik zou het althans niet gaarne ontkennen!”

„Maar Edward!” riep Charly ten hoogste verbaasd uit, „neem mij niet kwalijk, maar dat is immers waanzin!”

„Waarom? Hebben wij ons daarvan dan kunnen overtuigen?”

„Dat zeker niet, maar mij dunkt toch, dat het onmogelijk is, dat wij van het bestaan van die dieren niets zouden hebben gehoord!”

„Wij vernamen evenmin iets van de menschelijke bewoners uit de streken!” hernam Raffles kalm.

„Dus er zouden duizenden jaren zijn voorbij gegaan zonder dat wij iets uit dat gedeelte van Afrika zouden hebben vernomen, terwijl die Romein, Otavius Numilus, die dieren niettemin zou hebben gezien?”

„Dat komt mij volstrekt niet onmogelijk voor, Charly! De Romeinen zijn niet altijd in Afrika gebleven, en toen zij er verdreven werden, zal tevens de herinnering aan wat die Romein daar zag, verzwakt zijn. Het is trouwens zeer wel mogelijk, dat de tijdgenooten van Numilus er evenmin aan geloofden als jij op dit oogenblik.”

„Dat kun je mij niet kwalijk nemen Edward, ik zal er ook nooit aan gelooven, tenzij ik mij met eigen oogen zou kunnen overtuigen, dat die Romein niet gelogen of gefantaseerd heeft!”

„Aan dat verlangen kan voldaan worden, Charly, want wij vertrekken over vijf dagen naar die plek!”

Charly gaf een luiden schreeuw van verbazing, en staarde Raffles geruimen tijd zwijgend aan.

Toen barstte hij uit:

„Je praat toch zeker niet in ernst?”

„In vollen ernst! Ik wil mij persoonlijk gaan overtuigen of die soldaat van Julius Ceasar zich niet heeft vergist!”

„Maar hij heeft zich natuurlijk vergist!” riep Charly bijna wanhopig uit. „De legers van Julius Ceasar, die in het jaar 48 voor Christus de troepen van zijn voormaligen bondgenoot Pompejus bij Pharsalus versloegen en twee jaren later nogmaals bij Thapsus, zijn nimmer ver genoeg in het binnenland van Afrika doorgedrongen om de bronnen van het Niassameer te hebben kunnen bereiken.”

„Natuurlijk niet de geheele legermacht, maar misschien wel kleine groepjes, die zich hadden afgescheiden, en die alle gevaren hebben getrotseerd, gedreven door hun zucht naar avonturen.”

„En die lieden zouden weder ongedeerd zijn teruggekeerd?” riep Charly ongeloovig uit.

„Misschien zijn er twee of drie honderd gegaan, en is Numilus de eenige geweest, die er het levend afbracht,” ging Raffles onverstoorbaar voort.

„Maar die literaire soldaat moet een Charlatan geweest zijn, Edward, een voorlooper van Baron van Münchhausen, een gek!”

„Dat is mogelijk, maar het is niet volkomen zeker, en daarom zullen wij er een onderzoek naar instellen!”

„Je bent dus vastbesloten?”

„Ja Charly!”

Weder heerschte er stilzwijgen in de werkplaats, slechts verbroken door het gonzen van den kleinen electromotor.

Toen hernam Charly op ernstigen toon:

„Ik ken je nu lang genoeg, om te weten, dat je een eenmaal opgevat plan nooit meer prijs geeft, je wilt een avontuur ondernemen, dat je het leven kan kosten, want nog nimmer is een ontdekkingsreiziger teruggekeerd uit de binnenlanden van Afrika, tenminste niet uit de streken welke wij willen bezoeken! Livingstone heeft Angola en Mozambique bezocht, Spake en Grand hebben van Zanzibar uit Egypte bereikt, over het Victoriameer, Stanley heeft de Kongo doorvorscht, en talrijke Duitsche, Engelsche, en Fransche ontdekkingsreizigers hebben nog pas een jaar of tien geleden verschillende gebieden van Afrika onderzocht, maar niemand drong nog door tot de geheimzinnige streken, welke je wilt bezoeken!”

„Je vergist je, Charly, Otavius Numilus is er geweest,” hernam Raffles, terwijl hij Charly met een strakken blik aankeek.

De jonge man maakte een moedeloos gebaar en sprak:

„Ik zie wel dat niets je kan weerhouden! Natuurlijk gaan Henderson en ik met je mede, daarover wordt in het geheel niet gesproken.”

„Daar had ik ook al half en half op gerekend, Charly!” hernam Raffles bedaard. „Drie vastberaden, moedige mannen kunnen heel wat doorstaan, en wij hebben een vervoermiddel tot onze beschikking, waardoor het ons mogelijk zal zijn, door te dringen tot plaatsen waar nog geen enkele blanke den voet heeft gezet. Van Zanzibar uit, kunnen wij bijvoorbeeld het noordelijkste punt van het Niassameer binnen iets meer dan een uur tijds bereiken. Je zult zelf wel begrijpen wat dat zeggen wil. In een uur tijds kunnen wij een afstand afleggen, waarover Stanley maanden heeft gedaan!”

„Dat erken ik, maar van dat punt uit, komen wij in geheel onbekende streken! Het vervoermiddel waarvan je spreekt, je wonderbaarlijke vliegmachine, kan door een of ander ongeval gedwongen zijn om te dalen, en dat beteekent de bijna onvermijdelijke ondergang!”

„Wij zullen met de vliegmachine zoo ver mogelijk reizen, haar dan achterlaten bij een vriendschappelijken stam, en van daar te voet onzen tocht voortzetten! En nu voorloopig genoeg hier over gepraat, Charly! Wij vertrekken over vijf dagen!”

HOOFDSTUK III.

DE TOEBEREIDSELEN.

Laat in den middag van denzelfden dag zat Charly gebogen over een groote kaart van Afrika in de fraaie bibliotheekzaal van het huis aan de Regent Street.

Hij had de kaart op de tafel uitgestrekt, en had het Latijnsche manuscript naast zich liggen.

Hij hield het hoofd in de handen gesteund, en nu en dan stond hij op, en liep peinzend eenige malen het groote vertrek op en neder.

Dan liet hij zich weder op zijn stoel vallen, en zette zijn lectuur voort.

Kan het waar zijn? mompelde hij tenslotte in zich zelf. Kan die soldaat van Julius Ceasars legioenen dat alles inderdaad met eigen oogen gezien hebben? Heeft hij zich die wonderen niet op de mouw laten spelden, en ze grif geloofd? Laat eens zien, Julius Ceasar landde in een noordelijke stad van Afrika, dicht bij de Middellandsche zee gelegen, toen hij den strijd ging aanbinden met Pompejus, die met hem, en met Marcus Crassus het eerste driemanschap had gevormd dat jarenlang de onbeperkte heerschappij uitoefende over het reusachtige Romeinsche rijk. De afstand van de landingsplaats tot het Niassameer bedraagt ongeveer vijfduizend kilometers! Is het denkbaar, dat Numilus en zijn reisgenooten dien ontzaglijken afstand te voet of te paard hebben afgelegd? Daarvan wordt niets vermeld in het manuscript, en het komt mij ook volkomen ongelooflijk voor. Neen, als Numilus daar inderdaad geweest is, en dat moet wel zoo zijn, want hoe moet hij anders den naam van dat toen nog geheel onbekende meer weten, dan moet hij, even als Stanley een paar duizend jaren later deed, bij Zanzibar of bij Dar-es-Salaam voet aan land hebben gezet. Hoe hij daar dan gekomen is, is een raadsel, want de Zuidelijke doorvaart was toen nog niet bekend, maar op een andere wijze is het niet te verklaren hoe die Romein zoover in het zwarte werelddeel zou zijn doorgedrongen!

Charly stond op, liep naar de groote boekenkast, en nam er een voortreffelijk werk over de volkerenkunde der geheele wereld uit.

Hij sloeg het open, las eenige tijd aandachtig, en vervolgde toen aldus zijn alleenspraak:

„Het is zoo als ik dacht, de streek ten Westen van het Niassameer is nog zoo goed als geheel onbekend, tot aan den voet van het Lokings-Gebergte, en wat daar voorbij is, dat weet niemand! Honderden vierkanten mijlen zijn daar nog nimmer door den voet van een blanke betreden! Wat zouden wij er vinden? Zouden daar nog inderdaad rassen bestaan, die den schakel vormen tusschen aap en mensch? Zouden daar nog dwergstammen zijn? En bovenal, zouden daar werkelijk overblijfselen te vinden zijn van die wonderlijke dieren uit het steentijdperk, om van de levende exemplaren maar te zwijgen? Ik kan het bijna niet gelooven, en toch, dit geheele wonderlijke manuscript ademt een geest van waarheidlievendheid. Het is vreemd, zeer vreemd!”

En weer verzonk Charly in de aandachtige bestudeering van kaart en manuscript.

De deur ging open, en Raffles trad binnen.

Op den drempel bleef hij een oogenblik glimlachend staan, en keek naar Charly, die zoodanig verdiept was in zijn lectuur, dat hij Raffles niet had hooren binnenkomen.

Nu trad hij op den jongen man toe en vroeg:

„Begin je wat meer belang te stellen in onze onderneming?”

„Al heb ik er niet aan geloofd, en al doe ik dat nog niet, belang heb ik er altijd ingesteld!”

„Ben je er al in geslaagd, ongeveer de plaats vast te stellen, welke onze man meent?”

„Om je de waarheid te zeggen, is hij tamelijk vaag in zijn aanduidingen,” antwoordde Charly. „Maar dit is zeker, dat hij die dieren gezien heeft dicht bij de bron van een zijrivier van de Loangwo, een van de voornaamste stroomen in die streek, en waarvan tot dusverre nog slechts een klein gedeelte onderzocht is. Naar ik geloof zou je je onderzoek moeten beginnen bij de plaats Maranda, op ongeveer 200 kilometer ten Westen van het Niassameer gelegen. Dat is de laatste plaats, welke op den atlas staat aangegeven, en die als het ware op de grens van het ondoorzocht gebied ligt!”

Raffles had zich op zijn beurt over den atlas gebogen, en bekeek de kaart aandachtig.

Toen wierp hij een blik in het Latijnsche schrift, en zeide:

„De schrijver gewaagt hier van hemelhooge bergen, en van ontzaglijk diepe ravijnen, begroeid met maagdelijke wouden, waarin het bijna onmogelijk was door te dringen. In één van die ravijnen zouden zich die schatten bevonden hebben, waarvan hij spreekt.”

„Ja, en ze zouden daarheen gebracht zijn, op bevel van Ptolemeus van Egypte die aldus de bezittingen van den staat, wat wij de schatkist zouden noemen, in veiligheid had willen brengen toen hij zich bedreigd zag door de Romeinsche indringers.”

„Ik kan mij alleen volstrekt niet voorstellen, Edward, waarom die ontzaglijke rijkdommen daar dan gebleven zijn, en niet aanstonds zijn teruggebracht, toen het gevaar geweken was, en evenmin, waarom men dien schat over zulk een grooten afstand vervoerde!”

„Wat het eerste betreft, mijn jongen, je zult je misschien uit je schooljaren herinneren dat Ptolemeus verslagen werd, en dus geen gelegenheid had, om de schatten van het rijk terug te halen! Wie kan zeggen of hij de plek niet geheim heeft gehouden?”

„Alles goed en wel, maar de kameeldrijvers en de ruiters die den karavaan vormden, moeten haar dan toch geweten hebben!”

„O, wat dat aangaat, in dien tijd schrikten de alleenheerschers en de tyrannen er volstrekt niet voor terug, de medeweters van een kostbaar geheim ter dood te laten brengen, al waren het er een paar duizend! Denk maar eens aan Cleopatra, de Koningin van de Nijl! Zij koos zich haar minnaars menigmaal uit haar negerslaven, maar geen hunner overleefde ooit langer dan een paar minuten het mingenot, dat hij in de armen van zijn meesteres gesmaakt had!”

„Ja, zij was geen prettige vrouw,” zeide Charly lachend.

„Dat niet bepaald, maar zij was een zeer merkwaardige vrouw!” hernam Raffles. „En nu, mijn jongen, zullen wij eens ons reisplan moeten opmaken, want zooals gezegd, ik wil zoo spoedig mogelijk vertrekken.”

„Hoe zullen wij den tocht maken?”

„Het lijkt mij het verstandigst, recht door te vliegen naar Maranda! Aldus verrichten wij eigenlijk niet eens iets bijzonders, want de tocht is reeds gedaan door Fransche en Engelsche vliegers en onder heel wat moeilijker omstandigheden, want zij maakten gebruik van machines, die met de mijne in snelheid niet kunnen wedijveren.”

„Daarentegen volgden zij een andere route, Edward, zij kozen voor hun landingsplaatsen de bekende Centra, waar een groot aantal Europeanen gevestigd waren! Wil je echter in rechte lijn van Londen naar Maranda vliegen, dan zul je voor een groot gedeelte de woestijn moeten oversteken!”

Charly had een wereldkaart op de tafel uitgespreid, en ging nu voort:

„Wij zouden het eerst Tunis moeten aandoen! Dat wil zeggen, wij zouden vliegen van Londen over Parijs, Lyon, Marseille, en vandaar de Middellandsche zee oversteken naar Tunis!”

„De kwestie van een halven dag!” zeide Raffles kalm.

„Van Tunis zou de reis dan gaan over de volgende steden: Misda, Mursuk, Aleshr, Mara, vervolgens over het Muta-Nsige-Meer, langs het Tanganjika-Meer, en tenslotte over het stadje Pambete, aan den Zuidelijken punt van dat meer gelegen, naar Maranda!”

„Is dat een rechte lijn?” vroeg Raffles.

„Kaarsrecht!”

„Hoeveel bedraagt de afstand in vogelvlucht van Tunis naar Maranda?”

Na eenige oogenblikken te hebben gerekend, antwoordde Charly: „In rechte lijn ongeveer 5800 kilometer!”

„Wanneer wij aannemen, dat wij gemiddeld vijfhonderd kilometer per uur kunnen afleggen, zouden wij dus over dien afstand ongeveer elf uren doen, laat ons zeggen twaalf. De afstand van Londen naar Tunis bedraagt ongeveer twee vijfden van den geheelen afstand, dat wil zeggen vijf uur vliegens, tezamen dus zeventien uren, wanneer wij dus hier te middernacht vertrokken zijn, dan kunnen wij om vijf uur in den middag op de plaats van bestemming zijn.”

„Het klinkt als een sprookje!” mompelde Charly halfluid, „in zeventien uren van Londen tot niet eens zoo heel ver van de Kaap!”

„Over weinige jaren zal het iets zeer gewoons zijn, Charly,” hernam Raffles. „De vliegmachines, die met een benzinemotor worden gedreven, halen reeds nu snelheden, die in sommige gevallen tot tweehonderd vijftig kilometer per uur kunnen bedragen, en er is volstrekt geen reden, waarom die snelheid binnen weinige jaren niet zou zijn verdubbeld en niet even groot zal kunnen zijn als die der Duivel der Lucht!”

Raffles dacht een oogenblik na, en vervolgde toen: „Wij zullen echter een groote hoeveelheid levensmiddelen aan boord medenemen, want wij moeten alle gebeurlijkheden voorzien. Ik zou dus zeggen, leeftocht voor een maand ongeveer. Het is beter, veel te veel mede te nemen, dan slechts een ietsje te weinig! En gelukkig is onze vliegmachine er op ingericht, dat zij die vracht gemakkelijk kan dragen! Voorts spreekt het van zelf, dat wij ons duchtig moeten wapenen, om ons te kunnen verdedigen tegen roofdieren, ook die in menschengedaante! Wij zullen eenige duizenden patronen medenemen, voor ieder twee jachtgeweren behalve onze trouwe revolvers, sterke kapmessen, een paar bijlen, en benoodigdheden om een tent te kunnen opslaan. Wij moeten zooveel medenemen als die vliegmachine maar kan dragen, zonder dat haar snelheid er onder lijdt. Zij heeft bij ons laatste avontuur nog al wat te verduren gehad, en wij zullen haar zeer zorgvuldig moeten nazien!”

De beide vrienden spraken nog eenigen tijd voort en beraadslaagden over alles wat zij zouden moeten meevoeren, waarop Charly een lijstje opmaakte.

Toen dit alles gereed was, drukte Raffles op de electrische knop naast de deur, en zeide tot den binnentredenden Groom:

„Vraag eens, of Henderson aanstonds hier komt, Gaston.”

De oude kamerbediende verwijderde zich, en vijf minuten later trad James Henderson, de reusachtige Chauffeur, het vertrek binnen.

„Mylord heeft mij doen roepen?” vroeg hij.

„Ja Henderson! Wij gaan dezer dagen op reis!”

„En Mylord neemt mij mede?”

„Ja Henderson! Wij gaan echter nog al vrij ver!”

„Zooals Mylord verkiest!”

„Wij gaan naar het zuiden van Afrika!”

„Uitstekend, Mylord!”

„Maar naar een plek, Henderson, waar nog geen enkele Europeaan vóór ons den voet heeft gezet!”

„Zoodat wij de eersten zullen zijn, Mylord!”

„Wij gaan ons aan vreeselijke gevaren blootstellen, Henderson. Misschien krijgen wij te strijden met ontzaglijke monsters, waarvan wij ons hier geen voorstelling kunnen vormen. Zij bereiken soms een hoogte van tachtig voet!”

„Kan men er met een geweer op schieten, Mylord?”

„Daarvan ben ik overtuigd, Henderson!”

„Goed, Mylord!”

En dat was alles, wat de brave kerel van de geheele onderneming te zeggen had!

Raffles wendde glimlachend zijn gelaat naar Charly, die een weinig beschaamd voor zich keek.

De trouwe reus had zelfs geen vraag gesteld, en hetgeen Raffles hem mededeelde als de eenvoudigste zaak ter wereld beschouwd, waaraan hij geen enkel woord behoefde te verspillen. Mylord had gezegd dat zij tegen ontzaglijke monsters zouden vechten, dan waren zij er natuurlijk ook, daaraan kon niet getwijfeld worden!

„Nog iets van Uw dienst, Mylord?” ging Henderson voort.

„Niets anders Henderson, dan dat je je reisvaardig houdt, en onze vliegmachine, die op het oogenblik in onze loods van het vliegveld staat, aan een zeer grondig onderzoek onderwerpt.”

„Wij gaan dus met den Duivel der Lucht, Mylord?”

„Ja, Henderson!”

„Mag ik weten Mylord, hoe de plaats heet, waarheen wij ons begeven?”

„Maranda, Henderson,” antwoordde Charly.

„Maranda, ik zal het onthouden! Kan men er geïllustreerde briefkaarten krijgen?”

„Dat zou ik wel denken, Henderson,” antwoordde Charly lachend, „want er wonen wel vijftig Europeanen, naar ik geloof.”

„Dan heb ik niets meer te vragen Mylord! Ik zal voor alles gaan zorgen!”

En Henderson draaide zich op zijn hielen om, en verliet het vertrek.

Voor hem scheen de geheele zaak niets anders te zijn dan een eenvoudig pleizierreisje!

„Een merkwaardige kerel!” bromde Charly halfluid. „Hij ziet zeker het Niassameer voor de serpentine in het Hyde Park aan, en Maranda voor een theehuis aan de Theems!”

„Dat ligt zoo in zijn aard Charly!” zeide Raffles glimlachend.

„Hij scheen ook in het geheel niet verwonderd te zijn over je mededeeling betreffende die voorwereldlijke monsters!” kwam Charly.

„Neen dat leek hij heel gewoon te vinden!” zeide Raffles glimlachend.

„Laten wij een oogenblik veronderstellen, dat daar werkelijk nog overblijfselen van die monsters te vinden zijn.”

„Overblijfselen of levende exemplaren!” viel Raffles hem lakoniek in de rede.

„Levende exemplaren dan!” hernam Charly schouderophalend. „Wat denk je er dan wel te vinden?”

„Wel volgens de beschrijving van Numilus, moet het daar als het ware een staalkaart zijn geweest van bijna alle in het steentijdperk voorkomende soorten! Er moeten in dien tijd vertegenwoordigers geweest zijn van de Ichthyosauriërs, geweldige visschen die ongeveer den vorm hadden van onzen zaagvisch, behalve dat zij tanden hadden met zeer scherpe punten. Het waren dus meer vischhagedissen, en zij bereikten een zeer groote lengte. Overblijfselen van die dieren zijn trouwens ook in Europa ontdekt, met name in het dal van de Donau bij de Zwarte Zee, en ook in ons land, waar in eenige krijtrotsen zeer merkwaardige afdrukken van die vischhagedissen gevonden worden! Waarschijnlijk heeft Numilus ze gezien, varende op het Niassameer.”

„Maar ik meen de landdieren, en de halfslachtigen, Edward!”

„Op dat gebied spreekt onze Romein van den Stegosaurus in het bijzonder, een ontzaglijk dier, dat bij de achterpooten een hoogte kon bereiken van vier en een halven meter, met een zeer dikken en langen staart, aan het eind met een soort dorens bezet, en wiens rug bezet was met een dubbele rij ontzaglijke hoornen platen, naar men vermoedt om hem te beschermen tegen den beet van den vreeselijken Plesiosaurus, zijn ergsten vijand, een waar monster dat half in het water, half op het land leefde, en vier vinnen had, waarmede hij zich met ongelooflijke snelheid in het water kon voortbewegen. Maar nog grooteren vijand had de Stegosaurus in den Diplodocus, eveneens een ontzettend groot monster, dat, als het zich op de achterbeenen oprichtte en steunde op zijn staart als een kangoeroe, gemakkelijk den vreeselijken kop op de grootste dakgoot van een vrij groot huis zou kunnen leggen.”

„En zouden wij dien sinjeur daar ook aantreffen?” vroeg Charly met een schuin oogje naar Raffles.

„Dat is volstrekt niet zoo dwaas!”

„En waren die dieren voor de menschen gevaarlijk?”

„Slechts weinige! Zij waren zeer log en dom, bewogen zich tamelijk moeilijk, leefden hoofdzakelijk van planten, en vielen de menschen alleen aan als zij geprikkeld werden! Maar er waren toch ook monsters onder, verschrikkelijk om aan te zien, en die tot de vleeschetenden behoorden, zooals bijvoorbeeld de Allosaurus, een dier dat de achterpooten had van een ontzaglijk grooten arend, en het lichaam, den kop en den staart van een monsterachtigen kaaiman. Hij moet met de gespierde achterpooten ontzettende sprongen hebben kunnen nemen, en wat er van zijn kleinere vijanden overbleef, kun je begrijpen, als ik je zeg dat hij van het einde van de snuit tot het tipje van den staart menigmaal een lengte van negentig voet bereikte! Als het dier gewoon op de achterpooten zat, in de houding van een kangoeroe, dan was de kop ruim zeven meter boven den grond, dat wil zeggen ter hoogte van de tweede verdieping van een flink huis! De bek was voorzien van zeer scherpe tanden, en eenigszins achterwaarts gericht, als die van de tegenwoordige reptielen, en de voorpooten, die hoofdzakelijk om te grijpen werden gebruikt, bezaten drie klauwen van verbazende sterkte, die zeer gemakkelijk het hoofd van een volwassen mensch konden omvatten.”

Charly had zwijgend toegeluisterd, en hernam nu:

„Je mag zeggen wat je wil, maar het wil er bij mij nog altijd niet in, dat dergelijke dieren tot nog voor betrekkelijk korten tijd zouden hebben kunnen bestaan, zelfs in die onbezochte streken, zonder dat wij er iets van zouden hebben gemerkt en nu spreek ik nog niet eens van de mogelijkheid, dat er op dit oogenblik nog van die monsters zouden leven!”

„Ik erken dat wij daaromtrent niets zekers weten, en daarom juist gaan wij het onderzoeken!” hernam Raffles bedaard.

HOOFDSTUK IV.

DE REIS NEEMT EEN AANVANG.

Er waren vier dagen verloopen sedert dit gesprek in het laboratorium had plaats gehad.

Alles was voor de reis in gereedheid gebracht.

De beide vrienden hadden nogmaals nauwkeurig nagegaan wat zij volstrekt noodig hadden en dat alles was in de groote auto naar het vliegveld dicht bij Londen overgebracht, toebehoorend aan een particuliere luchtvaartclub, waarvan Lord William Aberdeen deel uitmaakte en waar zich een groot aantal loodsen bevonden, die het eigendom der leden waren.

Het vliegen om der wille van de sport had sedert eenige maanden vooral in Engeland een zeer grooten omvang gekregen, en het begon langzamerhand even gewoon te worden, dat de rijke jonge lieden een vliegmachine bestegen, als dat zij op den rug van hun paard klommen.

Raffles had het niet noodig geoordeeld, iemand in kennis te stellen van zijn plannen, en alleen een verzegelden brief voor den hoofdredacteur van de „Times” achtergelaten, die tot zijn vrienden behoorde, en in welk schrijven hij het doel van de reis had uiteengezet.

Gaston, de trouwe kamerbediende, had echter strenge instructies ontvangen dezen brief niet eerder af te geven, dan wanneer er drie maanden na den datum van vertrek zouden zijn verloopen.

Terwijl Raffles volkomen kalm was en ook Henderson de geheele reis als een eenvoudig uitstapje scheen te beschouwen, bevond Charly zich in een onverklaarbaar zenuwachtigen toestand, zooals hij dien nog zelden gekend had!

Hij twijfelde nog altijd, of liever, zijn ongeloof was niet aan het wankelen gebracht, en toch was hij opgewonden en ongedurig op den dag van het vertrek.

De groote auto had de noodige wapens naar de loods overgebracht, een groote hoeveelheid verduurzaamde levensmiddelen, een lederen tasch met de beste kaarten welke er tot op dat oogenblik van Afrika waren uitgegeven, en de noodige reservedeelen, teneinde de machine onderweg te kunnen herstellen, tenminste wanneer de aangerichte schade niet al te groot was.

Wat de kleederen betreft, welke de reizigers zouden dragen, zij waren wel genoodzaakt zware pelzen zoowel als dun linnen bovenkleederen mede te voeren, want de koude in de hoogere luchtlagen is zeer vinnig, terwijl er in de binnenlanden van Afrika op dit oogenblik een vreeselijke hitte zou heerschen.

Tot op het laatste oogenblik had Raffles doorgebracht met het bestudeeren van het Latijnsche manuscript, waarvan Charly een zorgvuldige vertaling had gemaakt, welke zij op hun tocht zouden medevoeren.

Jammer genoeg bevatte het manuscript hier en daar duistere plekken waarmede de beide mannen geen raad wisten, en ook was hier en daar de inkt zoodanig verbleekt, dat het handschrift op die plaatsen onleesbaar was geworden.

Om half tien in den avond namen de drie vrienden ten slotte plaats in een kleinen renwagen, die hen naar het vliegterrein zou brengen.

Zij kwamen daar om half twaalf aan.

Het vliegveld wordt dag en nacht bewaakt door twee portiers, een voor den dag en een voor den nacht.

Zij houden hun verblijf in een klein huisje, dat dicht bij het groote toegangshek is geplaatst.

Zoodra de kleine auto voor het hek stilhield, kwam de portier naar buiten, voorzien van een electrische lantaarn, die een helder licht verspreidde, en waarvan hij het schijnsel op de auto en de inzittenden liet vallen.

Hij herkende den wagen zoowel als den eigenaar blijkbaar onmiddellijk, en haastte zich, het hek te openen, hetgeen niet zonder moeite ging wegens de zwaarte en de hoogte van het hek.

De auto reed het vliegveld op en in het voorbijgaan riep Raffles den portier toe:

„Wij gaan een nachtvlucht maken, Copperman! Het is echter volstrekt niet zeker, dat wij nog dezen nacht terugkomen, want wij denken het Kanaal over te steken. Maak je dus volstrekt niet ongerust als wij niet terug komen, want dan zijn wij in Frankrijk gebleven.”

„In orde Mylord!” zeide de portier, terwijl hij aan zijn pet tikte.

Henderson stuurde de auto naar de groote garage, die zich voor dergelijke doeleinden ongeveer midden op het vliegveld bevond en daar werd het voertuig ondergebracht.

Te voet richtten de drie mannen zich vervolgens naar de groote loods van plaatijzer, waar de „Duivel der Lucht” was ondergebracht.

De zware deuren werden electrisch bewogen, en draaiden zeer gemakkelijk om hun hengsels.

De drie mannen rolden de machine naar buiten, waarbij de buitengewone lichaamskracht van Henderson voortreffelijke diensten bewees, en vervolgens werden er de voorwerpen ingebracht die nog niet waren ingeladen.

Het was juist middernacht, toen de drie reizigers, na zich in hun pelzen te hebben gekleed, plaats namen in het schuitje, of liever in de kajuit van de wonderlijke vliegmachine, welker aluminium lichaam zacht glansde in het licht van de maan.

Het was een verrukkelijke nacht in het begin van den zomer, en de grashalmen van het vliegveld werden nauwelijks door een zuchtje bewogen.

Raffles wierp nog een veelbeteekenenden blik op zijn beide reisgezellen, en daarop greep hij met vaste hand den kleinen hefboom, welke den motor in beweging bracht.

De schroef begon te draaien, de machine rolde op haar wielen eenige meters voort en verhief zich toen als het ware met een sprong in de lucht.

Nauwelijks had de machine den grond verlaten, of Henderson en Charly maakten alles voor hun nachtrust in gereedheid.

Zij klapten de zetels eenvoudig om, die zich ter weerszijden van de ruime kajuit bevonden, waarvan men het geheele dek gemakkelijk naar achteren kon schuiven, haalden hun donzen dekens te voorschijn, die keurig opgevouwen onder deze zetels lagen, en eenige minuten later sliepen zij vast!

Wel maakte de schroef vrij wat geraas, maar de beide mannen hadden reeds zooveel tochten met deze vliegmachine gemaakt, dat zij hieraan reeds volkomen gewend waren, en het in het geheel niet meer hoorden.

Van te voren waren de uren van rust en arbeid nauwkeurig verdeeld, want het was noodzakelijk, dat geen van de drie reizigers zich te zeer zou vermoeien nog voor zij op de plek van bestemming waren aangekomen.

Raffles liet de vliegmachine aanstonds tot een hoogte van meer dan tweeduizend meter stijgen, terwijl hij tegelijkertijd in Zuid-Oostelijke richting over Londen vloog.

De afstand van Londen naar Parijs bedraagt in vogelvlucht rond driehonderdveertig kilometer. De vliegmachines moeten, als zij deze rechte lijn volgen het Kanaal schuin oversteken, ongeveer van Eastbourne naar Dieppe, een afstand van iets meer dan honderd kilometer.

Dat wil zeggen, dat de Duivel der Lucht twaalf minuten boven water vloog en dat hij, na te middernacht ten Noorden van Londen te zijn opgestegen, om kwart voor éénen boven Parijs zweefde!

De lichten van de wereldstad waren zelfs op deze groote hoogte duidelijk te zien, en een vergissing was zelfs niet mogelijk, want de lichtzee strekte zich uit over een breedte van verscheidene tientallen kilometers.

Raffles dacht er echter niet aan, zich in de Fransche hoofdstad op te houden, maar zette zijn weg voort, en hield in rechte lijn aan op Lyon, welke stad op vierhonderd kilometer afstand van Parijs is gelegen.

De vliegmachine legde den afstand tusschen de beide steden juist in achtenveertig minuten af, en zweefde boven Lyon om ongeveer half twee in den morgen.

Raffles vertraagde de vaart van de machine een weinig, en om kwart over tweeën, toen de hemel zich in het oosten reeds met een teeder rose begon te kleuren, kreeg hij Marseille in het gezicht.

Snel maakte de duisternis plaats voor het licht, en alles beloofde een heerlijken zomermorgen.

Zelfs op de hoogte van duizend meter, waarop het zweeftuig zich thans bevond, waren de bedwelmende geuren merkbaar, die opstegen uit de aarde op dit gezegende plekje van den aardbodem, hetwelk La Provence heet, maar lang duurde dit niet, want reeds zeilde de Duivel der Lucht boven de Middellandsche zee. Raffles hield den blik strak op het compas gevestigd en op de uitnemende zeekaart, welke zich thans in het kleine van glas voorziene kastje bevond, dat vlak vóór den bestuurder van de machine was geplaatst.

Als men een rechte lijn trekt van Marseille naar Tunis, dan snijdt deze voor een klein gedeelte Sardinië, beginnend bij Kaap Pecora, en eindigend bij Kaap Spartivento.

De geheele afstand bedraagt achthonderd veertig kilometer.

Nog altijd moest deze reis over de Middellandsche zee een gewaagde onderneming heeten, want de „Duivel der Lucht” was er niet op berekend, op de golven neer te strijken in geval van nood, ofschoon Raffles met plannen rondliep, een paar vlotters onder aan de machine aan te brengen, waardoor de snelheid weliswaar zou afnemen, maar de veiligheid boven het water ongetwijfeld zou vermeerderen.

Juist in een uur legde de vliegmachine den afstand van Marseille naar Kaap Pecora af, en in enkele minuten stoof zij in toomelooze vaart over het Zuidelijkste gedeelte van Sardinië, zoo snel dat Raffles nauwelijks den tijd had de woeste, rotsachtige kusten te onderscheiden, of de bosschen, waarmee de hooge bergen begroeid zijn. De 340 kilometer, welke nog overbleven, werden afgelegd in ongeveer drie kwartier, en het was reeds dag geworden, toen Tunis om drie uur in het zicht kwam, met zijn schilderachtige, wit gepleisterde huisjes, zijn prachtige reede, en zijn heerlijke omgeving van bergen en fraaie landwegen.

En zoo waren Charly en Henderson van Europa naar Afrika overgebracht in den tijd van drie uren, terwijl zij sliepen!

Raffles dacht er evenwel niet aan, hen te wekken, maar zette den tocht onafgebroken voort.

Hij liet de vliegmachine thans nog meer dalen, teneinde zich beter te kunnen oriënteeren.

De stad Kairuan op eenige mijlen rechts latende liggen, vloog de machine ter hoogte van Sfaks over den Golf van Gabes, een peulschilletje, dat ongeveer zeven minuten tijds in beslag nam.

Van Tunis tot Misda bedraagt de afstand iets minder dan zeshonderd kilometer en Raffles bereikte deze Tripolitaansche stad om bij half vijf.