LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 31 VIER VADERS.
VIER VADERS.
EERSTE HOOFDSTUK.
DE BEIDE VREEMDELINGEN.
De portier van het grand hotel aan het Alexanderplein opende met groote voorkomendheid het portier van een juist voorgereden omnibus, nam zijn met goud omzoomde pet af en maakte een eerbiedige buiging voor twee elegante heeren, die uit het rijtuig stapten en die hij met geoefenden blik dadelijk herkende als Engelschen of Amerikanen.
En dit vermoeden werd bevestigd door de etiketten, welke op de koffers waren geplakt en waarop de naam Londen te lezen stond.
„Kan ik twee kamers krijgen?” vroeg de oudste, een rijzige, slankgebouwde man van ongeveer veertigjarigen leeftijd.
„Yes, Sir”, antwoordde de portier, terwijl hij de heeren naar twee, op de eerste verdieping gelegen, deftig gemeubileerde vertrekken bracht.
De vreemdeling informeerde niet naar den prijs der kamers, maar nam er zijn intrek met het optreden van iemand, voor wien geld geen rol speelt in de wereld.
Voordat de kellner de gasten verliet, vroeg hij:
„Hoe lang denken de heeren te blijven?”
„Onbepaald,” antwoordde de oudste der twee, „minstens echter drie dagen.”
Zoodra portier, kellner en huisknecht, die den pas aangekomenen logeergast in elk hotel als een zwerm vliegen omgeven, hun hielen hadden gelicht, ging de jongste der beide Engelschen naar het raam en keek naar buiten, naar het gewoel op het Alexanderplein.
De ander had den reiskoffer geopend en begon de kleeren en het linnengoed in de kasten te bergen.
„Wat is dat voor een groot gebouw aan de overzijde van het plein?” vroeg de zoon van Albion, die bij het venster stond.
Zijn reismakker kwam dichtbij hem staan, keek ook naar buiten en een spottend glimlachje vloog over zijn gelaat.
„Dat, my boy, dat is het Berlijnsche hoofdbureau van politie. Het is van veel meer beteekenis dan Scotland Yard in Londen. De beambten, die hier werken, zijn de wakkerste, de beste detectives, die ik ken. Zij hebben maar één gebrek..”
„En dat is?”
„Zij worden te slecht gesalarieerd.”
Nu lachte ook de jongste.
Na eenige oogenblikken vervolgde de oudste der twee vrienden:
„In verband met het bestaan van deze heeren ben ik niet graag lang in Berlijn, hoewel het, behalve Londen, de eenige stad is, waar ik mij op mijn gemak gevoel.
„Men leeft hier bijzonder aangenaam, maar voor langeren tijd kan men zich hier niet, zooals in Londen, onopgemerkt ophouden.
„Jij bent nu voor den eersten keer in je leven in de schoone keizerstad aan den oever van de Spree en je kent de wijze voorzorgen en maatregelen der politie nog niet, waarmee elke burger en elke vreemdeling wordt lastig gevallen.
„Langer dan drie dagen mag je niet in Berlijn vertoeven zonder je pas of andere legitimatiepapieren te vertoonen.
„Bij ons in Londen interesseert het niemand, of wij Mr. Smith of John of Soundso heeten.
„Hier echter moet iedereen bekend staan onder den naam, dien hij, niet of tegen zijn eigen wil, bij zijn geboorte heeft gekregen.”
„Ik begrijp uit je woorden,” antwoordde de jongste, „dat in Duitschland de politie iedereen onder voogdij stelt. Dat is hier dus evenals in Rusland.
„Ik begrijp alleen niet, waarom je dezen keer niet naar Parijs, maar naar Berlijn bent gegaan.”
Zijn reismakker lachte opnieuw en, terwijl hij een sigarette aanstak, sprak hij:
„Ik moet steeds denken aan de lauweren, die de hoofdman van Köpenick heeft behaald. En ik durf beweren, dat een dergelijke grap als die, welke de geniale schoenmaker tot vermaak der geheele wereld hier heeft uitgehaald, nog gemakkelijker uit te voeren is in de uniform van een luitenant van politie.
„Ik wed, dat een officier van politie nog veel meer gedaan kan krijgen dan een eenvoudige hoofdman.”
„Je hebt groote plannen! Mag ik weten welke?”
„Neen”, antwoordde de ander, „het is vroeg genoeg, als je die verneemt, wanneer ik ze ten uitvoer breng en ik denk dat reeds morgen te doen.
„Ga nu met mij, want ik ga alles, wat ik voor de zaak noodig heb, aanschaffen.”
Samen verlieten zij het hotel en schijnbaar toevallig gingen zij de Alexanderstraat in.
De oudste der beide heeren keek met onderzoekende blikken langs de huizenrijen en bleef hier en daar naar een verhuurbordje staan kijken.
Na een poosje ging hij een huis binnen, waaraan een bordje was uitgehangen, dat vermeldde, dat daar kamers werden verhuurd voor dagen, weken of maanden.
Zonder te loven of te bieden huurde de onbekende in het pension een kamer, betaalde een week vooruit en liet zich de sleutels overhandigen van huis- en portaaldeur.
„In deze pensions”, sprak hij, toen zij zich weer op straat bevonden, „zijn wij zeer ongegeneerd. Niemand let op de huurders, als zij uitgaan of thuiskomen. Als men heeft betaald, kan men, zonder door iemand te worden opgemerkt, zijn kamer binnengaan, bewonen en verlaten.”
Zij gingen eenige straten verder en kwamen eindelijk in de Rozenstraat.
Hier wonen huis aan huis kooplieden, die handel drijven in oude uniformen en gedragen kleeren.
Een dergelijken winkel gingen zij binnen.
„Wij hebben een paar uniformen noodig, die van een luitenant van politie en van een wachtmeester. Wij willen namelijk het gecostumeerde feest van de roeivereeniging mee bijwonen. Kunt gij ons aan iets dergelijks helpen?” vroeg de onbekende aan den winkelier.
„Gij kunt bij mij zooveel uniformen krijgen als gij verkiest”, luidde het antwoord.
Het duurde dan ook niet lang, of hij had voor de beide vrienden de volledige uniformen, benevens sabels en verder toebehooren, klaargelegd.
Na eenig loven en bieden betaalden zij, lieten zich het gekochte inpakken en namen het pak mee.
Op hun gemak de straten doorslenterend, liepen zij in de richting van de Linden.
Bij den hoek van de Friedrichstrasse bleven zij staan en de oudste sprak:
„Hier zie je alle rangen van de Berlijnsche politie. Die daar in het midden, die met de beambten staat te praten, is luitenant van politie en die vóór hem staat, is wachtmeester.
„De anderen zijn gewone agenten.
„Kijk nu nauwkeurig, zooals ik het ook doe, naar de manieren en wijze van doen van deze lieden, opdat wij precies kunnen optreden, zooals zij dat gewend zijn te doen.”
Bijna een half uur lang stond het tweetal onder de Linden om naar het interessante stadsgewoel te kijken.
Inderdaad echter bestudeerden zij elke beweging der politiebeambten en begaven zich eindelijk haar het café, dat zich het dichtst bij bevond, op welks balkon zij plaats namen.
Van hun zitplaatsen keken zij nog eenige uren lang naar het doen en later der beambten van politie. Daarop reden zij naar de gehuurde kamer in het pension en legden daar het pak neer.
Zij begaven zich nu naar het hotel terug om uit te rusten en brachten den avond in een schouwburg door.
Reeds vroeg in den morgen verlieten zij den volgenden dag hun hotel, om de door hen gehuurde kamer op te zoeken.
TWEEDE HOOFDSTUK.
DE BEDROGEN PANDJESBAZEN.
Samuel Löwenstein, de eigenaar van een groot pandjeshuis in de Frankfurterstraat, had weer, evenals elken dag, handenvol werk, toen een heer zijn winkel binnenkwam, die wenschte om hem zelf te spreken.
De koopman zag met een enkelen oogopslag, dat de vreemdeling zaken met hem had te verhandelen, die niet voor ooren van andere menschen waren bestemd.
Hij bracht hem derhalve in zijn klein kantoor en vroeg wat de bezoeker wenschte.
Als antwoord haalde de vreemdeling een leeren zakje te voorschijn, waaruit hij eenige kostbare diamanten nam, die hij op de schrijftafel van Samuel Löwenstein neerlegde.
De oogen van den pandjeshuishouder schitterden begeerig, toen hij de fonkelende steenen zag.
„Wat wilt gij ervoor hebben?” vroeg hij, nadenkend en vol aandacht de kostbaarheden onderzoekende.
De vreemdeling haalde de schouders op en antwoordde:
„Ik heb geld noodig!”
Samuel Löwenstein taxeerde de steenen op 10,000 Mark.
„Ik zal geven 2800 Mark”, sprak hij tot den onbekende.
„Ik heb 4000 noodig!”
„Kan ik er niet voor geven. De steenen hebben eenige gebreken en zijn niet meer waard.”
De vreemdeling mompelde: „Schurk!”, wat Samuel Löwenstein niet hoorde en sprak luid:
„All right! Geef mij 3000.”
„Hebt gij legitimatiepapieren?”
De buitenlander wist blijkbaar niet, wat de pandhuishouder bedoelde.
Samuel Löwenstein maakte het hem duidelijk.
Nu haalde de vreemdeling een bijna onleesbaar, maar van een stempel voorzien document uit zijn zak te voorschijn. Het was blijkbaar door de Hongaarsche politie afgegeven.
Hij overhandigde het aan Samuel Löwenstein, die er een vluchtigen blik op wierp, met het hoofd knikte en, zoo goed en kwaad als het ging, den naam van den vreemdeling spelde.
Hij las er Katzenstein uit, Siegfried Katzenstein, en vroeg, of deze naam juist was.
De vreemde heer knikte bevestigend.
Samuel Löwenstein vulde het gebruikelijke lommerdbriefje in en betaalde de 3000 Mark.
De vreemdeling ging heen.
Nauwelijks had deze het huis verlaten, of de pandhuisbezitter begon een vreugdedans uit te voeren.
Hij riep zijn compagnon bij zich en schreeuwde opgewonden:
„Ik heb daar juist een schitterend zaakje gedaan. Heb je dien fijnen heer gezien, die daar wegging? Hij moet een groote gannef (gauwdief) zijn, want hij bracht mij uitgebroken steenen en ik heb een vierde betaald. Ze zijn onder broers 15,000 Mark waard.”
Vol innig genot bekeken de twee de juweelen, sloten ze in de brandkast weg en gingen weer terug naar hun winkel.
Een half uur later speelde zich in een pandjeshuis in de Friedrichstraat een dergelijk tooneel af. Dezelfde vreemdeling verpandde tegen een bespottelijk lagen prijs losgebroken diamanten aan den eigenaar der zaak.
De man scheen een heelen zak vol ervan te bezitten.
Want dien geheelen dag besteedde hij aan dat werk en toen het avond was geworden, had hij 15 pandjeshuizen bezocht. Eerst toen was hij voor dien dag gereed met zijn werk.
Terwijl hij met een pandhuishouder onderhandelde, liep een vriend van hem voor het huis, als om de wacht te houden, heen en weer.
„Ik begrijp er niets van”, sprak deze, toen de vreemdeling zich weer op straat bij hem voegde, „hoe is het mogelijk, dat je voor zulk een belachelijk klein bedrag die prachtige steenen van de hand doet?”
Daarop gingen zij verder.
Het waren de twee Engelsche heeren, die eenige dagen geleden hun intrek hadden genomen in het Grand Hotel.
De oudste, die de steenen beleende, lachte en klopte eens op zijn portefeuille, die gevuld was met talrijke biljetten van duizend Mark.
„Ik doe reusachtige zaken, mijn beste jongen.”
„De duivel moge jou begrijpen”, antwoordde de jongste, „een zaak, waarbij men duizenden verliest, kan men toch met den besten wil van de wereld niet schitterend noemen.”
Toen bleef zijn metgezel staan, klopte hem op den schouder en antwoordde:
„Jij bent en blijft een groote domkop, mijn lieve Charly! Meen je werkelijk dat ik, de Groote Onbekende, John C. Raffles, voor wien de geheele Londensche politiemacht beeft en siddert, dat ik dien kerels ook maar een enkelen penning zal schenken?
„Neen, mijn jongen, ik zal hen een aderlaten, zoodat hooren en zien hun vergaat.”
Op hetzelfde uur ongeveer als twee dagen geleden, trad een luitenant van politie den winkel van Samuel Löwenstein binnen, vergezeld door een wachtmeester, welke laatste een portefeuille met acten en een handkoffer droeg.
Met de meest onderdanige buiging begroette Samuel Löwenstein de beambten, die met een kort „goeden morgen” binnentraden.
De pandjeshuishouder voelde zich in het geheel niet op zijn gemak bij het zien binnenkomen van twee dienaren der gerechtigheid en met een zuurzoet glimlachje vroeg hij wat mijnheer de luitenant wenschte.
Deze viel hem echter in de rede met de op barschen toon uitgesproken woorden:
„Vraag mij niet, wat ik wensch, maar wacht, totdat ik u iets vraag!
„Vertoon mij onmiddellijk uwe boeken. Ik heb geen tijd om mij lang bij u op te houden.
„Gij staat onder verdenking van een oplichter, die gisteren in hechtenis is genomen, gestolen juweelen te hebben beleend, zonder voldoende legitimatiebewijzen van dien persoon te hebben gevorderd.”
Samuel Löwenstein verbleekte.
Hij sloeg de handen boven zijn hoofd te zamen en riep uit:
„God zal mij bewaren, mijnheer de luitenant, dat ik zulk een schande zou laden op mijn hoofd, dat in eer en deugd is vergrijsd.
„God zal mij straffen, als dat waar is.
„Ik kan mij in ’t geheel niet herinneren, dat ik zonder voldoende legitimatiebewijzen juweelen in pand zou hebben genomen.
„Overtuig u zelf, heer luitenant.”
„Geef mij de akten aan!” beval de officier den wachtmeester.
„Tot uw dienst, luitenant”, antwoordde de wachtmeester, zijn hielen tegen elkaar slaand en het gewenschte te voorschijn halend.
De officier van politie nam ze aan en sprak:
„Katzenstein is de naam van den oplichter.
„Heeft een zekere Katzenstein hier juweelen in onderpand gegeven?”
Samuel Löwenstein zette een nadenkend gezicht.
Hij legde zijn vinger, waaraan een nagel met breeden zwarten rand prijkte, in een der neusgaten en toen in den mond en alsof deze versnapering hem aan een goed antwoord had geholpen, sprak hij met gefronst voorhoofd:
„Katzenstein? Katzenstein? Die naam komt mij inderdaad bekend voor. Zou hij hier zijn geweest? Of zou hij niet hier zijn geweest? Hoe kan ik bij de ontelbare klanten, die ik heb, nog weten, of een zekere Katzenstein hier is geweest?”
„Sla uw boek op!” beval de politie-officier op korten toon.
„Ken jij Katzenstein?” riep de pandjesbaas tot zijn compagnon.
„Weet ik veel!” antwoordde deze, „jij bemoeit je met de diamanten en ik bemoei mij met de ouwe kleeren.”
Intusschen had de officier het boek naar zich toegetrokken en bladerde erin. Eenige oogenblikken later maakte hij een zacht fluitend geluid, vergeleek een lommerdbriefje, dat hij uit de portefeuille haalde, met hetgeen hij in het boek zag staan en sprak:
„Juist, dat klopt! Voor 3000 Mark, zooals het briefje ook vermeldt. Dat bedrag staat ook in uw boek genoteerd.
„Ik leg beslag op de briljanten. Voor den dag met de steenen!”
Samuel Löwenstein wist, dat hem niets beters te doen stond dan te gehoorzamen.
Met bevende handen sloot hij de brandkast open, haalde de steenen te voorschijn en legde ze voor den luitenant van politie neer.
Deze telde ze na, maakte er een pakje van, liet zich een kaars en lak geven, verzegelde het pakketje en zette met een gummi-stempel, dat het opschrift droeg: „In beslag genomen door de Koninklijke politie”, een kantteekening in het hoofdboek van Samuel Löwenstein.
„Gij zult wel nader bericht ontvangen”, sprak hij tot den pandjesbaas, waarna hij met zijn wachtmeester het huis verliet.
De beide compagnons staken onmiddellijk de hoofden bij elkaar en fluisterden nog geruimen tijd met geheimzinnige handgebaren en gefronste voorhoofden.
Een dergelijk bezoek werd door de beide beambten van politie in vijftien andere pandjeshuizen afgelegd.
Toen zij eindelijk in hun kamer waren teruggekeerd, sprak John Raffles tot zijn vriend en secretaris Charly Brand:
„Die visites waren de moeite wel waard. Ik heb vandaag ongeveer 60,000 Mark verdiend.
„Nu zal ik morgen de andere inrichtingen van dien aard, welke zich hier in de hoofdstad van het schoone Duitsche Rijk bevinden, met een dergelijk bezoek vereeren.”
Twee dagen later had de Groote Onbekende weer een twaalftal pandjeshuizen bezocht en sprak hij tot Charly Brand:
„Die kerels verdienden allen, zonder een enkele uitzondering, achter slot en grendel te worden gezet.
„In de allereerste plaats, omdat zij te dom zijn om op eigen beenen te staan en dan vooral om hun geslepenheid.
„En nu ga jij naar Londen terug.
„Ik zal nog eenigen tijd hier blijven. Ik hoop nog een paar kleine, maar interessante avonturen te wagen en jij zoudt mij daarbij maar tot last zijn.”
Hij gaf Charly Brand een deel van zijn geld, bracht hem naar het station en begaf zich daarna naar Café Bauer.
De dag liep ten einde en de avondbladen waren juist uitgekomen.
De Groote Onbekende nam het Berliner Tageblatt op om de laatste nieuwtjes te lezen.
Reeds de eerste regelen, waarop zijn oog viel, schenen hem te amuseeren.
Hij las het volgende:
„Opzienbarende, ongekende bedriegerij gepleegd door een onbekend oplichter ten nadeele van de Berlijnsche pandhuizen.
Eenige dagen geleden verscheen een onbekende, blijkbaar een Hongaar, die een legitimatiebewijs bezat, ten name van een zekeren Katzenstein, in meer dan twintig pandhuizen en beleende daar diamanten.
Een dag later bracht hij aldaar een tweede bezoek, vermomd als politie-officier en in gezelschap van een als wachtmeester uitgedosten medeplichtige.
Hij wendde voor, dat hij op hoog bevel beslag kwam leggen op de diamanten, welke door een zekeren Katzenstein waren beleend.
Overal gelukte de truc en de pandhuishouders werden den door hem afgezet voor bedragen van 2000 tot 6000 Mark.
De tot dusverre onbekend gebleven bedrieger wist zich op deze wijze in het bezit te stellen van een bedrag van 80,000 Mark en dit in den tijd van een paar dagen.
Ondanks de nauwkeurige navorschingen, welke de Berlijnsche politie onmiddellijk in het werk stelde, is het tot heden nog niet mogen gelukken, den dader in handen te krijgen.
De geheele zaak doet sterk denken aan den Londenschen meester-dief John Raffles.
De bedrogen pandhuishouders hebben gezamenlijk besloten, om een bedrag van 1000 Mark uit te betalen aan dengeen, die zoodanige aanduidingen in deze zaak kan verschaffen, dat de dader in handen der politie valt.”
Raffles blies behaaglijk de blauwe rookwolkjes van zijn sigarette voor zich uit en een glimlach speelde om zijn fijnbesneden lippen.
Hij liet zich door den oberkellner van het café schrijfgereedschap brengen en schreef den volgenden brief:
„Aan de Redactie van het
„Berliner Tageblatt.”
Met het grootste genoegen las ik zooeven in uw zeer geëerd blad het artikel over mijn rooftocht ten nadeele van de Berlijnsche pandjesbazen.
Gij kunt niet gelooven, hoe tevreden ik over mijzelf ben, nu deze truc mij zoo volkomen is gelukt.
Ik heb een gedeelte van het geld, dat ik dien woekeraars afhandig heb gemaakt, gebruikt om het, zooals dat mijn gewoonte is, aan de armen van Berlijn ten goede te doen komen.
En gij hebt niet ten onrechte beweerd, dat deze geschiedenis doet denken aan den beruchten John C. Raffles.
Ik ben bij dezen zoo vrij om u mede te deelen, dat ik inderdaad niemand anders ben dan John C. Raffles en dat ik mij tijdelijk in Berlijn ophoud.
Opdat gij het voor de Berlijners gemakkelijker kunt maken, de uitgeloofde 1000 Mark te verdienen, die vastgesteld zijn als belooning voor dengene, die den dader in handen der politie levert, zend ik u hierbij mijn portret, dat gij kunt publiceeren, en ik hoop, dat het mij dan gemakkelijk zal vallen, mij nog ongegeneerder in Berlijn te bewegen dan tot dusverre.
Terwijl ik u nog mededeel, dat ik reeds jarenlang abonné ben van uw blad, blijf ik met de meeste hoogachting,
JOHN C. RAFFLES.”
Met een spottend lachje op het gelaat verliet de Groote Onbekende het Café Bauer, om zijn kamer in het pension weer op te zoeken.
Dien morgen had hij zijn vertrekken in het Grand Hotel verlaten en de bagage door hotelbedienden naar het station laten brengen, vanwaar die door Charly Brand meegenomen werd naar Londen.
Zoodoende kon zijn spoor van uit het hotel niet meer gevolgd worden.
DERDE HOOFDSTUK.
TER WILLE VAN EEN LAUWERKRANS
Op een der volgende dagen slenterde John Raffles door de straten van Berlijn en keek vol belangstelling naar het stadsleven, dat daar zijn gewonen gang ging.
Onwillekeurig bleef hij staan bij een advertentiezuil, die door een troep menschen was omgeven. Hij deed moeite om over de schouders en hoofden der voor hem staanden te lezen, wat hier op zoo opvallende wijze de publieke aandacht trok.
Door zijn rijzige gestalte gelukte het hem al spoedig, te lezen wat deze opeenhooping van publiek had veroorzaakt en een guitig lachje gleed langs zijn aristocratische trekken.
In zijn schrandere oogen tintelde een met moeite bedwongen vreugde, toen hij de volgende aankondiging las:
Schouwburgzaal
Köpenickerstr. 68.
Zaterdag den 22 Mei 1909 en volgende dagen:
op werkdagen 8½ uur. Zondags 8 uur.
De groote Engelsche
sensatie—detective—comedie:
„Lord Lister”
genaamd Raffles de groote onbekende.
door Curt. Matul.
Plaatsbespreking van af heden.
„Alle drommels”, sprak hij glimlachend tot zichzelf, terwijl hij zijn horloge vergeleek met de klok van de naaste kiosk, „ik heb toevallig vanavond geen dringende bezigheden en ik ben inderdaad nieuwsgierig om mijn dubbelganger op de planken te zien.”
Hij wenkte een rijtuig en liet zich naar de Köpenickerstraat brengen, nam een logeplaats en amuseerde zich kostelijk om het uiterlijk en spel van zijn dubbelganger.
Maar nog meer genoegen deed het hem te zien, hoe het publiek bij zijn streken en trucs in luide bijvalskreten losbarstte.
Na afloop der voorstelling bleef Lord Lister nog in het restaurant van den schouwburg vertoeven.
Hij had een zoodanig plaatsje uitgezocht, dat hij dicht bij het tafeltje zat, waaraan de schrijver van het stuk met den schouwburgdirecteur hadden plaats genomen.
Na een poosje hoorde hij, dat de secretaris van het theater, die naast den directeur was komen staan, tot dezen sprak:
„Mijnheer, zooeven kwam een politie-officier met agenten het gebouw binnen. Hij zegt, bericht te hebben gekregen, dat Raffles in eigen persoon zich in den schouwburg bevindt.”
„Och kom”, antwoordde de directeur lachend, „ik hoop niet, dat onze acteur in verzekerde bewaring wordt gesteld.”
Lord Lister had aandachtig en scherp geluisterd en overlegde, op welke wijze hij zich uit zijn gevaarlijken toestand zou kunnen redden.
Hij had zich niet verkleed of vermomd, daarom kon een ontmoeting met de politie hachelijk voor hem worden.
Hij zag door de glazen deur, dat de uitgang van het gebouw door politieagenten was bezet.
Nu kwam de luitenant van politie met eenige agenten het lokaal binnen, van het eene tafeltje naar het andere loopend en de aanwezige gasten met scherpe blikken monsterend.
Raffles zat zoo, dat hij den schouder van den directeur met de hand kon aanraken.
Haastig nam hij een visitekaartje, waarop hij met potlood schreef:
„Ik zou u gaarne eenige oogenblikken in uwe bureau willen spreken.”
Hij overhandigde het kaartje aan den directeur en amuseerde zich om het verbaasde gezicht van dien heer bij het lezen der door Raffles geschreven woorden.
Van het antwoord hing voor Raffles veel af.
Directeur Bitterfeld fluisterde den schrijver van het stuk eenige woorden in het oor, waarop deze als geëlectriseerd van zijn stoel wilde opspringen, zich echter wist te beheerschen en op kalmen toon sprak:
„Wees zoo goed, ons te volgen.”
Niemand lette op de heeren, toen zij door een zijdeur zich naar de eerste étage begaven.
Daar aangekomen, wierp de directeur nogmaals een blik op het hem door Raffles overhandigde visitekaartje, dat niet den naam van den beruchten Engelschman droeg, maar waarop John Hallborn te lezen stond.
Daaronder had de groote onbekende geschreven:
„Een vriend van John Raffles.”
„Wat wenscht gij van mij?” vroeg de schouwburgdirecteur vol belangstelling.
Raffles lachte hartelijk.
„U, evenals den geachten heer, die in uw gezelschap is, mijn dank betuigen voor de geniale wijze, waarop mijn persoon vanavond hier is weergegeven.”
Hij reikte beiden heeren de hand.
„Ik veronderstel, dat de uitgang der zijtrap niet bewaakt wordt door de politie?”
„Stellig niet!” antwoordde directeur Bitterfeld, „maar voor alle zekerheid zal ik u tot aan den uitgang vergezellen.”
Daar aangekomen, drukten zij elkaar nogmaals de hand en daarop verdween Raffles.
De beide heeren keerden terug naar de restauratiezaal, waar de politie nog steeds aanwezig was om naar den grooten onbekende te zoeken.
Ongeveer tien minuten later kwam een dienstman het lokaal binnen, naderde den politie-officier en overhandigde, dezen een briefje.
Deze opende het en las:
„Staak uw vruchtelooze pogingen om mij te vinden en wees zoo verstandig om op uw gemak een potje bier te gaan drinken. Ik heb het gebouw reeds verlaten.
Met hoogachting en beleefde groeten,
John C. Raffles.”
De luitenant, een flinke, joviale kerel, overhandigde het kaartje aan den schouwburgdirecteur, die dichtbij hem stond.
Beide heeren barstten uit in een hartelijken schaterlach en toen de inhoud van het briefje na een korte poos ook bij de verdere aanwezigen bekend was, heerschte algemeene vroolijkheid in het lokaal.
Menig glas werd geledigd op het welzijn van den genialen meester-dief.
Den volgenden dag werd den directeur, gedurende de avondvoorstelling een prachtige lauwerkrans overhandigd, nadat hij eerst voor het voetlicht was geroepen. Op het rood satijnen lint was in groote gouden letters gedrukt:
„Als blijk van vriendschap aan u opgedragen door John C. Raffles, den Grooten Onbekende”.
Om dezen krans te bestellen, had Raffles zich in den middag naar een bloemenwinkel in de Friedrichstrasse begeven en toen hij weer naar buiten trad, merkte hij tot zijn groote verbazing, dat hij door een persoon gevolgd werd.
Toen hij den man met een scherpen blik monsterde, ontdekte de groote onbekende, dat het een van de pandjesbazen was, die door hem bij den neus was genomen.
In de ochtendbladen had een reproductie gestaan van het portret en den brief van John Raffles en daarom had hij zijn gelaat nu voorzien van een vollen bruinen baard.
Ondanks deze voorzorg moest de pandjesbaas hem herkend hebben.
John Raffles, die het zeer onaangenaam vond om achtervolgd te worden, nam een huurrijtuig en reed daarin verder.
Toen hij zijn hoofd buiten het portierraampje stak, bemerkte hij, dat zijn vervolger met een anderen man in druk gesprek was en dezen, met heftige gebaren in de richting van het zich verwijderende rijtuig, iets vertelde.
Nu kwam het er op aan, om zijn vervolgers vóór te blijven.
Lord Lister haalde eenige goudstukken uit zijn zak te voorschijn en sprak tot den koetsier:
„Hier hebt gij geld, koetsier, en rijd nu zoo hard als het paard kan loopen, men vervolgt mij.”
De koetsier, een echt Berlijnsch type, begreep dadelijk, waarom het te doen was. Hij ranselde het paard en het rijtuig vloog als een pijl uit den boog de straat langs.
Maar ook de vervolgers deden hetzelfde en toen zij zagen, dat het rijtuig, waarin Raffles zat, niet in te halen was, omdat hun paard niet zulk een flink draver was als dat van den vluchteling, verlieten zij hun rijtuig bij de eerstvolgende gereedstaande auto, betaalden hun koetsier en namen plaats in den motorwagen.
De chauffeur riep wel op verontwaardigden toon: „Deze auto is bezet!”, maar de persoon, die den pandjesbaas vergezelde, hield den man een penning voor zijn verbaasde oogen, waaruit bleek dat hij beambte van politie was en sprak:
„Dienstzaak! Ik ben aansprakelijk voor de schade!”
„Nu, vooruit dan maar”, antwoordde de chauffeur, „waarheen?”
De politiebeambte wees den chauffeur het rijtuig, dat reeds in de verte verdween.
„Wij moeten het huurrijtuig, dat daar ginds rijdt, inhalen. Rijd snel, gij kunt een tienmarkstuk extra verdienen.”
„Dien sneltrein zullen wij in een oogenblik hebben achterhaald”, sprak de chauffeur en voort ging het met groote snelheid.
Als de bliksem zoo snel stoof de auto door de stille straat, waarin zich bijna geen enkele voetganger vertoonde en binnen eenige minuten was het rijtuig, waarin Raffles zat, ingehaald.
De politiebeambte, die Bender heette en een van de meest bekende vervolgers van Berlijnsche misdadigers was, schreeuwde, toen de auto, die niet snel genoeg tot stilstaan kon worden gebracht, tot den koetsier van het huurrijtuig, dat zij voorbijstoven:
„Blijf staan! In naam der wet!”
De koetsier, die wel inzag dat het een nuttelooze moeite zou zijn om niet te gehoorzamen, hield onmiddellijk de teugels van zijn paard in.
Op hetzelfde oogenblik sprong Raffles uit het rijtuig en verdween een seconde later in het eerste het beste huis.
Zoodoende had hij ongeveer twee minuten voor op zijn vervolgers, die eerst uit de auto moesten stappen, voordat zij hem konden nasnellen.
Raffles was langs de trap van het huis, dat vier verdiepingen telde, naar boven gevlogen en had met een kleinen looper de zolderdeur geopend.
Haastig sloot hij haar weer achter zich dicht en door een dakvenster klom hij naar buiten.
Hij snelde nu over de daken met evenveel gemak, alsof hij zich op den beganen grond voortbewoog.
De beambte van politie had zonder een oogenblik te aarzelen denzelfden weg genomen als de vluchteling.
Toen hij door het dakvenster naar buiten klom, zag hij, dat de Engelschman blijkbaar niet verder kon.
Met meesterlijke behendigheid snelde Bender langs den ongewonen weg, die over de daken leidde, voort, terwijl hij uitriep:
„Geef u over!”
Maar hij had moeten bedenken, dat Raffles tot dusverre nog door geen enkelen detective ter wereld gevangen genomen was.
De Groote Onbekende kwam naar den politiebeambte toe en Bender meende hieruit te mogen begrijpen, dat hij zich gewonnen gaf.
Maar voordat hij Raffles pols kon beetpakken, kreeg hij een vuistslag, die hem op het dak deed neertuimelen.
Bewusteloos bleef hij liggen.
Op dit oogenblik verscheen de pandhuishouder met eenige politie-agenten, die hij ter hulp had geroepen, eveneens op het dak.
Tevergeefs keek Lord Lister om zich heen, op welke manier hij zijn vlucht zou kunnen voortzetten.
Vóór hem ging de muur loodrecht naar beneden en had geen enkel steunpunt. Deze muur sloot aan een der zijden een binnenplaats af, die ongeveer tien meter breed kon zijn.
Op eenigen afstand hoorde hij reeds de stemmen van zijn nieuwe vervolgers.
Toen nam hij een overmoedig besluit.
Hij ging op zijn rug liggen en liet zich zoo langs het tamelijk steile dak aan den straatkant neerglijden tot in de dakgoot.
Voorzichtig kroop hij langs den rand, totdat hij aan de plek kwam, waar de waterpijp langs het huis naar beneden ging.
Eenige minuten bleef hij in geknielde houding in de goot liggen, daarop eerst liet hij zich langzaam afglijden langs den rand van het dak. Eindelijk hing hij geheel vrij, zich alleen met de handen aan de goot vasthoudend, boven de enorme diepte.
Om dit waagstuk uit te voeren, waren stalen zenuwen noodig.
Nu liet hij met de eene hand de dakgoot los en omklemde hiermede de naar beneden leidende looden waterbuis.
Op straat stonden eenige vrouwen naar de doldrieste klimpartij te kijken. Zij stieten luide kreten van ontzetting uit.
Intusschen was John Raffles ter hoogte van een balkon gekomen.
Maar tot zijn schrik bemerkte hij, dat het een onmogelijkheid voor hem zou zijn, om dit te bereiken.
Het gemetselde balkon was op meer dan een meter afstands van hem verwijderd.
Hij durfde het ook niet te wagen met een zijner handen de goot los te laten, want hij had geen steunpunt voor zijn voeten en moest dus beide handen gebruiken om zich stevig vast te houden.
De Groote Onbekende doorleefde vreeselijke oogenblikken.
Zijn vingers weigerden bijna hun dienst tengevolge van het krampachtige vastgrijpen en reeds dacht hij niet anders te kunnen doen dan langs de pijp verder naar beneden te glijden, toen de deur van het balkon geopend werd.
Een man trad naar buiten, maar ging verschrikt achteruit, toen hij iemand boven zich zag hangen. (Zie het titelblad.)
Met een enkelen oogopslag begrijpend, in welken gevaarlijken toestand deze vermetele waaghals zich bevond, riep hij:
„Wacht een paar seconden, ik zal u helpen!”
Haastig snelde hij in de kamer terug, om dadelijk daarna met een waschlijn terug te komen.
Hij bevestigde het eene uiteinde aan het raamkozijn en bond zich toen het andere gedeelte om zijn lichaam.
Nu klom hij over den rand van het balkon, hield zich met de rechterhand vast en greep met de linker Raffles onder den arm beet.
„Laat u nu los!” riep hij.
De Groote Onbekende sprong, terwijl hij gebruik maakte van het hem aangeboden steunpunt, met een handigen zwaai op het balkon en eenige seconden later stonden de beide mannen tegenover elkaar in de kamer.
Lord Lister dronk haastig een glas water, om zijn zenuwen te sterken en sprak daarna, terwijl hij zijn redder de hand reikte:
„Gij hebt mij het leven gered, beste vriend, en ik ben ten allen tijde bereid, het mijne voor u te wagen.”
„Dat was een gevaarlijke toestand, waarin gij u zooeven bevondt! Wilt gij mij niet vertellen, hoe gij aan die waterpijp terecht zijt gekomen?
„Uw waaghalzerij lijkt verduiveld veel op die van den dief en moordenaar Hennig.
„Ik hoop niet, dat gij een dergelijk sujet zijt. Gij ziet er ten minste niet naar uit.”
„Zoudt gij mij geholpen hebben, als ik een dief-moordenaar ware geweest?” vroeg John Raffles.
„Wel ja, waarom niet. Het zou jammer zijn, als de rechters niets te doen hadden.”
„Nu, een moordenaar ben ik niet”, antwoordde Lord Lister, „ik ben Raffles!”
Met open mond en verbaasde oogen staarde de bewoner der balkonkamer den Grooten Onbekende aan. Daarop riep hij uit:
„Raffles? Zijt gij Raffles, de man, wien het gelukt is, de pandjesbazen te bedriegen?”
De ander knikte bevestigend.
Met uitgestoken hand vervolgde de hulpvaardige man:
„Laat mij u de hand drukken. Ik ben dubbel blij, dat gij het zijt geweest, dien ik ervoor heb kunnen bewaren om den nek te breken. Het zou meer dan jammer zijn, als gij op dit oogenblik daar beneden moest liggen met verbrijzelde hersenpan.
„Maar ik begrijp nog steeds niet, hoe gij op die dakgoot zijt gekomen.”
„Heel eenvoudig, men achtervolgt mij,” antwoordde Raffles, „en er bleef mij geen andere keus over dan langs de goot en de waterpijp naar beneden te komen.
„En ook hier zal ik niet veilig zijn.”
Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, toen op de gangdeur werd geklopt.
Beiden luisterden een oogenblik aandachtig.
„Daar zijn zij al!” fluisterde de groote onbekende.
De man, in wiens woning hij zich bevond, keek radeloos om zich heen.
„Gij zijt verloren. Ik weet geen enkel plekje, waar ik u voor de oogen der politie zou kunnen verbergen.
„Wat zullen wij doen?
„De beambten zullen de geheele woning doorzoeken.”
John Raffles keek aandachtig in de kamer rond en bemerkte, dat de keuken, waarvan de ramen op de binnenplaats uitkwamen, onmiddellijk aan het vertrek grensde.
De huisbewoner ging intusschen naar de deur en vroeg:
„Wie is daar?”
„In naam der wet, doe open!” klonk het op energischen toon.
„Een oogenblik, ik moet mij eerst even kleeden!” riep de bewoner van het huis, om tijd te winnen.
Opnieuw werd op de deur geklopt.
John Raffles had intusschen de waschlijn genomen en bevestigde deze aan het kozijn van het keukenvenster.
Nadat hij er zich van had overtuigd, dat niemand zich in de schemering op de binnenplaats bevond, sprak hij tot zijn redder:
„Zoodra ik daar beneden ben aangekomen, moet gij het touw afsnijden. Kijk eens, mag ik u dit als schadevergoeding geven voor de onkosten van het touw?”
Hij wierp den man een banknoot van honderd mark toe en was in het volgende oogenblik verdwenen.
Het duurde slechts eenige seconden of reeds had de groote onbekende de binnenplaats bereikt en met een zucht van verlichting sneed zijn redder het touw los.
Lord Lister ving het op, rolde het haastig tot een kluwen en wierp dit in de vuilnisbak.
Daarop ging hij kalm en bedaard door de gang van het huis naar de straat, waar wel twintig menschen naar de ramen van het gebouw stonden te gapen.
Zij hadden hem daarboven zien hangen en wilden nu, met begrijpelijke nieuwsgierigheid, het verdere verloop van deze interessante zaak meemaken.
Zij waren het ook geweest, die tot den politiebeambte Bender, toen deze uit zijn bewusteloozen toestand was ontwaakt, van de straat hadden toegeroepen, langs welken weg de onbekende waaghals was gegaan.
Nu stonden zij nog steeds naar boven te kijken, hun halzen uitrekkend en in de vurige hoop, elk oogenblik te zullen vernemen, dat de vluchteling gegrepen was.
Zij letten in hun groote opgewondenheid niet op den man, die zich nu bij hen voegde en met even groote belangstelling als zijzelf het huis aankeek.
„Wat is daar boven gebeurd?” vroeg hij aan een vrouw, die vlak naast hem stond.
„Zij vervolgen een dief en moordenaar,” antwoordde het oudje, „het is een van de handlangers van Hennig. Langs de waterpijp heeft hij zich naar beneden laten glijden. Toen is hij een vreemde woning binnengedrongen. Nu, zij zullen hem wel gauw hebben.”
„Als hij maar niet schiet!” sprak een andere vrouw, die met de handen in de zij druk had staan redeneeren met een paar opgeschoten fabrieksmeiden, doch nu vond dat zij hier ook een duit in het zakje moest doen.
„Als hij maar niet schiet, want ik kan dat ellendige knallen niet verdragen!”
„Kom, kom, hij zal ons hier beneden niet raken,” stelde de oude vrouw haar buurtje gerust. „Denkt u ook niet,” wendde zij zich tot Raffles, „dat wij hier wel veilig staan?”
Deze antwoordde met eenige vriendelijke woorden en het oudje richtte den blik uit haar kleine, bruine oogjes weer naar boven.
Intusschen stonden de beambten van politie nog steeds voor de deur te wachten.
Maar de bewoner van het huis scheen het er op aan te laten komen, dat zij op gewelddadige wijze zich toegang verschaften.
En reeds stonden de dienaren der heilige Hermandad op het punt om de deur open te trekken, toen de man deze voor hen ontsloot.
„Waarom hebt gij niet eerder geopend?” vroeg Bender.
„Daarvan ben ik u in het geheel geen rekening en verantwoording schuldig! Dat gaat u niets aan, mijn waarde!” antwoordde de huisbewoner, die fabrieksarbeider was. „Vertoon mij, voordat gij hier verder zoo brutaal optreedt, eerst uw hondenpenning, opdat ik kan zien dat gij inderdaad het recht hebt op deze wijze mijn woning binnen te dringen.”
De beambte vertoonde zijn politiepenning, waarop de man hem liet binnenkomen.
„Bij u verbergt zich een misdadiger, dien ik vervolg.”
De fabrieksarbeider hield de hand aan zijn oor, alsof hij niet goed verstond wat de ander zei.
„Wat bedoelt gij? Misschien één van de wassen beelden, die uit het panopticum is weggeloopen?
„Nu, ga uw gang dan maar, maar dat zeg ik u, dat gij elk meubelstuk weer precies zoo neerzet als gij het vindt!”
De agenten van politie doorzochten de geheele woning, terwijl de fabrieksarbeider met een spottend lachje naar hen keek.
„Zijt gij ook politie-agent?” vroeg hij den pandjesbaas, die in zenuwachtige onrust naast Bender stond.
De gevraagde keek den ander woedend aan.
„Probeer niet mij voor den gek te houden. Mijn naam is Löwenstein. Ik ben houder van een bank van leening.”
„Nee maar, die is goed! Die mijnheer voelt zich beleedigd, omdat ik hem aanzie voor een stillen agent van politie!
„Neem hem maar dadelijk in hechtenis, heer wachtmeester, wegens beleediging van een beambte!”
Bender was zenuwachtig geworden.
Hij had de geheele woning doorgezocht, doch niets gevonden.
„Zijt gij nu haast klaar?” vroeg de fabrieksarbeider. „Misschien wilt gij de kraan van de waterleiding nog even opendraaien, daar kon hij wel eens uit te voorschijn komen, of misschien uit de kachel.”
„Ik heb met eigen oogen gezien en niet ik alleen, dat de misdadiger zich eerst op uw balkon en daarna in uw woning heeft begeven.”
De fabrieksarbeider lachte.
„Welnu, dan moet hij ook nog hier zijn. Gij zult hem echter niet bij mij vinden.”
De beambte zag wel in, dat verder zoeken hier vruchteloos zou zijn en dat de vluchteling zich op de een of andere raadselachtige wijze uit de voeten had gemaakt.
„Ik wil u met genoegen een kleine aanwijzing geven,” vervolgde de fabrieksarbeider eindelijk, bij zichzelf overleggende, dat zijn beschermeling zich nu wel in veiligheid zou bevinden.
„Hebt gij in het Circus Busch wel eens den man gezien, die van een hoogte van veertig meter met het hoofd naar beneden naar omlaag springt?
„Als gij dat nog niet hebt gezien, dan hadt gij dat genoegen een kwartier geleden bij mij kunnen hebben.
„Het kereltje, dat gij zoekt, sprong als een aap, of liever als een vloo uit mijn keukenvenster, met een prachtigen zwaai precies in dien vuilnisbak daar beneden en weg was hij!”
Met een vloek verlieten de beambten de woning, terwijl zij op de trap nog het luide lachen van den fabrieksarbeider hoorden— —
Raffles had intusschen de schaar nieuwsgierigen verlaten en aan de eerste zijstraat een rijtuig genomen, waarmee hij zich naar de Linden liet brengen.
Bij den hoek der Wilhelmstraat betaalde hij den koetsier en te voet begaf hij zich naar een café, waar hij avondeten bestelde.
Toen hij op zijn gemak had gegeten, slenterde hij als een rondwandelend rentenier de Friedrichstraat langs naar zijn pension.
Hij lachte in stilte, als hij bedacht, welke gevaren hij had moeten trotseeren voor den lauwerkrans van den schouwburgdirecteur.
VIERDE HOOFDSTUK.
IN DE MISDADIGERSKROEG.
Het was reeds bijna elf uur in den avond en het gewone nachtleven van de Friedrichstraat had een aanvang genomen.
Op den hoek van de Schuttersstraat stond Lord Lister naar een kleinen volksoploop te kijken.
Toen hij er dichterbij kwam, zag hij, hoe een agent van politie een jong meisje bij den arm vasthield en haar wilde wegbrengen.
Eenige mannen met echte misdadigerstronies volgden den politiebeambte.
Toen deze zich op eenigen afstand van het samengeschoolde volk bevond, sprong plotseling een der mannen naar hem toe en sloeg hem met een looden stok den helm van het hoofd.
De agent liet het meisje los en wilde zijn wapen te voorschijn halen.
Voordat hij echter zoover kwam, had een ander der kerels, een groote, zwartharige man, die volgens zijn uiterlijk over reuzenkrachten moest beschikken, hem met een gummistok, dien hij uit zijn mouw te voorschijn haalde, een geweldigen slag op de hersens gegeven, zoodat de agent bewusteloos neerviel.
In het volgende oogenblik hadden de kerels het meisje beetgepakt en liepen met haar de Charlottenstraat door tot aan de Jonkerstraat.
John Raffles, die het interessant vond om eens het intieme leven der Berlijnsche misdadigers gade te slaan en te keren kennen, was hen gevolgd en zag, dat de mannen met het meisje in een kelderlokaal in de Jonkerstraat verdwenen.
Lord Lister begreep dadelijk, dat dit lokaal een misdadigerskroeg was.
Vol belangstelling daalde hij de donkere, smalle keldertrap af en keek eens rond in de vuile, verwaarloosde ruimte.
Aan ongedekte houten tafeltjes zaten jonge mannen met vrouwspersonen van verschillenden leeftijd; zij speelden kaart en dronken bier.
Van het jonge meisje en de drie mannen, die hij op straat had gezien, ontdekte Raffles echter niets.
Zij moesten zich in het andere vertrek bevinden, dat door een katoenen gordijn van het eerste was gescheiden.
De waard, die achter een toonbank, die zich dicht bij het katoenen gordijn bevond, glazen spoelde en bier tapte, nam Raffles met onderzoekende blikken op en wilde hem beletten, het achtervertrek binnen te gaan.
Maar een goed gekleed heer, die een cylinder op het goedverzorgde hoofd droeg, en die Raffles ook met een scherpen blik had opgenomen, wendde zich tot den waard en sprak, terwijl hij naar Raffles wees:
„Alles in orde!”
Dus begaf de Groote Onbekende zich naar het achterste vertrek.
De bezoekers, die zich daar bevonden, waren allen stamgasten van den boevenkelder, die hier geregeld bij elkaar kwamen.
Raffles zag, dat het meisje met de drie kerels in een hoek zat.
Schijnbaar toevallig ging hij ook naar die zijde van het vertrek, nam plaats op een der stoelen vlak bij het groepje en bestelde een flesch wijn bij den herbergier, die door zijn gasten nooit anders dan „Ratel-Max” werd genoemd, omdat hij altijd te veel sprak.
Alsof hij niet het minste belang stelde in hetgeen om hem heen voorviel, zoo begon Raffles zijn wijn te drinken.
Intusschen merkte hij op, dat de man met het zwarte haar, die het meisje uit de handen van den politieagent had gered, op driftigen toon tot haar sprak en blijkbaar iets van haar verlangde, waarmede zij het niet eens was.
De zwartharige, wiens kleeding betere dagen had gekend, maar toch van eenigen opschik getuigde, keek met zijn schuwe, fonkelende oogen woedend naar het meisje.
Plotseling sprong de jonge vrouw op en riep uit:
„Ik wil het niet langer doen. Ik heb je reeds twintig keer gezegd, dat ik morgen een betrekking als dienstmeisje ga zoeken. Ik heb genoeg van het leven, elke hond heeft een beter bestaan dan ik.”
„Ik sla je alle ribben stuk! Is dat je dank, dat ik je uit de klauwen van dien politieploert heb gered?” klonk het brutale antwoord.
„Als jij me niet de straat op had gejaagd als een beest, om mij daar mijn schandelijk bedrijf te laten uitvoeren, zou ik niet in hechtenis zijn genomen.
„Ik zeg je nu voor de laatste maal, laat mij met rust! Morgen verhuur ik mij als dienstmeisje.”
Bij het hooren van die woorden was de zwartharige kerel van zijn stoel opgesprongen.
„Je wilt dus niet meer werken voor je brood? Geen profijt trekken van je mooie snuitje? Ik zal je eens flink op je hersens trommelen, zoodat hooren en zien je vergaat.”
Het jonge meisje, dat een merkwaardig fijn en interessant kopje had, en in wier oogen een bijna kinderlijke naïeve uitdrukking lag, keek als om hulp zoekend om zich heen.
Maar aan alle kanten zag zij grijnzende hoonende tronies.
„Wil je doen, wat ik je beveel, of wil je dat niet?” brulde de zwartharige met gebalde vuist.
Met angstig afwerend gebaar hief het meisje, als om mededoogen smeekend, haar handen op en riep met een vastberadenheid, die Raffles niet bij haar had vermoed:
„Neen!”
Zij kroop weg voor de neerdalende vuist van den woesteling als een angstig vogeltje.
Maar voordat de vuistslag haar kon treffen, was een redder voor haar komen opdagen.
John Raffles was met een ruk van zijn stoel opgesprongen, had de vuist van den zwartharigen jongen man beetgepakt, zijn pols met een handige beweging omgedraaid en had den kerel tegen den muur gesmeten, waar hij met een harden plof neerviel.
Een woest geschreeuw weerklonk uit de monden der andere gasten van den boevenkelder.
Raffles had, onbevreesd voor alle dreigementen, die hem naar het hoofd werden geslingerd, het meisje bij den arm gegrepen en het naar zijn tafeltje gebracht.
„Vervloekte hond!” riep een van de makkers van den zwartharige, „dat zal je nog niet zoo glad zitten.”
De Groote Onbekende zag, dat de schreeuwer een scherp mes in de handen hield.
„Maak appelmoes van hem!” brulde een der anderen.
De zwartharige was weer opgesprongen.
Het witte schuim stond hem van woede op de lippen.
Maar hij had den moed niet, Raffles aan te vallen.
Hij had ontzag gekregen voor de kracht van dezen onbekende, die hem zooeven maar al te duidelijk was getoond.
Maar deze houding viel niet in den smaak der kroeggasten; zij begonnen hem voor den gek te houden.
„Wat!” schreeuwden zij, „de mooie Adolf durft den fijnen meneer niet aan! Wat een held!”
„Ik steek hem dood!” riep de zwartharige woedend en wilde zich met opgeheven mes op zijn vijand werpen.
John Raffles liet hem kalm naderbij komen. Hij hief niet eens zijn hand op om zich te verdedigen.
Alleen zijn ijskoude, scherpe blik scheen den ruwen kerel te willen doorboren.
Met een luiden gil wilde het jonge meisje haar beschermer behoeden voor een messteek van den misdadiger, maar Lord Lister weerde haar vriendelijk terug.
Brullend en schuimbekkend van woede hief de zwartharige den arm op om Raffles het mes in de borst te stooten, maar in het volgende oogenblik, nog voordat hij in staat was om zijn plan ten uitvoer te brengen, had Raffles hem een trap in de maagstreek gegeven, die hem als een bal door het lokaal deed rollen.
Deze nieuwe nederlaag van den makker maakte diens vriend bijna zinneloos van woede.
Als een krankzinnige stortte ook hij zich met opgeheven mes op Raffles, die nu een stoel opnam en met dezen zoo bliksemsnel om zijn hoofd rondzwaaide, dat het niemand mogelijk zou zijn geweest om hem te naderen.
Op dit oogenblik kwam de waard met den heer met den cylinder het lokaal binnen.
Eén der kerels, die toch nog de brutaliteit had, om op Raffles los te stormen, kreeg zulk een geweldigen slag met een stoelpoot, dat deze in splinters uit elkaar vloog en den aanvaller op den grond slingerde.
Dit was het teeken voor alle aanwezige gasten, om Raffles aan te vallen. Een waar oproer ontstond onder de aanwezigen.
Met stoelen en flesschen, bierglazen, messen en bordjes wilden de schavuiten den vreemdeling te lijf trekken.
Op dit oogenblik kwam de waard tusschenbeide, hij plaatste zijn reusachtige, gespierde gestalte voor Raffles, haalde een revolver te voorschijn en schreeuwde:
„Als iemand van jelui lust heeft om een blauwe boon te krijgen, laat-ie dan maar opkomen!
„Hier moet en zal rust heerschen!”
„Help dien spion naar de andere wereld! Sla den hond de hersens in!” klonk het als antwoord uit de menigte.
Als een bende wilde dieren, met de hoofden in de schouders, en oogen, die van wraaklust en bloeddorst fonkelden, stonden de kerels rondom Raffles en den waard.
„Gij vergist u,” riep de kastelein, „die man is geen speurhond of spion, hij is meer waard dan honderd van jelui met elkaar!”
„Hoe, ken je hem dan?” vroeg een roodharig jongmensch, „heb je soms met hem te zamen in de nor gezeten?”
„Dat juist niet,” antwoordde de waard, „maar als jelui vandaag het ochtendblad hadt gelezen, dat daarginds op tafel ligt, dan zou je zijn portret hebben gezien.
„Die man is Raffles!”
Deze naam had een uitwerking, alsof olie op de woeste golven werd gegoten; de oogen, die zooeven nog schitterden van wraak en bloeddorstigheid, kregen een schuwe en nieuwsgierige uitdrukking.
De handen, die reeds voor den aanval waren opgeheven, zonken naar beneden en de wapens werden weggeborgen.
Nu vroeg Raffles op kalmen toon aan de aanwezigen:
„Wie van jelui nu lust heeft om mij te verraden, moet vlug naar den dichtstbijzijnden politiepost gaan, wie dat echter niet wil, dien noodig ik uit om een flesch wijn met mij te ledigen.”
De bende, die zooeven nog den grooten onbekende in stukken had willen scheuren, brak uit in een luid hoera.
Allen staken Raffles de hand toe en ieder van hen was er op gesteld een handdruk te krijgen van den beroemden en door hen allen zoozeer vereerden meesterdief.
Eenigen tijd daarna verliet Raffles het lokaal, nadat hij den waard honderd mark had gegeven als tegemoetkoming in de onkosten der gemaakte vertering.
Met zijn beschermelinge ging hij de Charlottenstrasse door. Daar het meisje netjes gekleed was, kon hij, zonder opzien te verwekken, een groot koffiehuis binnengaan.
Toen zij daar aan een tafeltje in een der hoeken hadden plaats genomen en het jonge meisje tijd had gehad om weer geheel op haar verhaal te komen, vroeg hij naar haar naam.
„Ik heet Elvira Manthé,” luidde het antwoord.
„Leven uw ouders nog?”
Een smartelijke trek vertoonde zich op het mooie gezichtje.
„Ik heb alleen een moeder gehad, maar zij is een jaar geleden gestorven. Wij voorzagen samen in ons onderhoud door het naaien van linnengoed.
„Na den dood van moeder verloor ik mijn werk in het groote magazijn, omdat de chef meer van mij verlangde, dan ik hem als fatsoenlijk meisje kon toestaan.
„Toen werd ik ziek en had geen werk meer.
„Eenigen tijd later leerde ik een jongen man kennen, die mij door mooie woorden en bedreigingen maakte tot dat, wat ik nu ben.
„Maar zooals gij zelf hebt gehoord, ik wil dit leven niet langer leiden. Ik wil trachten als dienstmeisje mijn brood te verdienen.”
Het was de gewone geschiedenis, zooals bijna al deze ongelukkige schepsels doormaken.
„En leeft uw vader nog?” vroeg Raffles.
„Zeer zeker,” antwoordde het jonge meisje, „en ik ben uit papieren, die mijn moeder heeft nagelaten, te weten gekomen, dat hij een der aanzienlijkste inwoners van Berlijn is en in een villa in het Grunewald woont.”
Raffles spitste de ooren.
Nu begon de zaak belangwekkend te worden.
„Hebt gij uw vader wel eens opgezocht?”
„Ja, kort na moeders dood!”
„En wat antwoordde hij u?”
„Hij wees mij de deur en zei, dat mijn moeder waarschijnlijk wel meer minnaars zou hebben gehad dan hem en dat het in ’t geheel niet vaststond, dat hij mijn vader was.
„Ik zelf echter merkte, zoodra ik hem zag, dat wij zeer veel op elkaar gelijken.”
„Heeft deze beschuldiging eenigen grond?” vroeg Raffles. „Antwoord mij onomwonden. Gij kunt mij gerust uw volle vertrouwen schenken.”
Het jonge meisje bloosde.
Eerst zweeg zij eenige oogenblikken, maar toen haar blik viel op het nobele, eerlijke gelaat van den man, die zijn leven voor haar had gewaagd, antwoordde zij:
„Mijn moeder had destijds, zooals zij mij heeft verteld, uit wanhoop getracht, iemand voorgoed aan zich te binden, opdat zij niet ongetrouwd zou blijven en haar kind een vader zou hebben.
„Daarom had zij toen verschillende minnaars.”
De oogen van den Grooten Onbekende schitterden, wat altijd het geval was, als hij bliksemsnel een plan maakte voor een van zijn groote werken.
„Kent gij de adressen van die heeren?”
„Ja”, fluisterde het meisje, „ik ben in het bezit van brieven van hen allen, welke ik vond in de nalatenschap mijner moeder. Het zijn allen voorname lieden.
„Er is een professor uit Charlottenburg bij, een advocaat, die in de Friedrichstrasse woont, een dokter, een bankier en een predikant en dan in Grunewald....”
Raffles kon niet nalaten, in een hartelijk lachen uit te barsten.
„Maar kind,” riep hij uit, „dan hebt gij een zeer ingewikkeld vaderschap. U kan het nooit slecht gaan in de wereld. Een dokter, een bankier, een advocaat, een dominee, en een hooggeleerd professor. En wat is de heer die in het Grunewald woont?”
„Minister!”
„Dus ook nog een minister! Wel, wel, de voorzienigheid heeft het goed met u voor gehad, uw weg zal langs rozen gaan”.
Het jonge meisje begreep niet, waarom haar beschermer lachte. Zij meende, dat hij zich ten koste van haar amuseerde en eene bedroefde uitdrukking verscheen op haar bleek gelaat, toen zij sprak:
„Het is heel treurig voor mij, dat, waarom gij lacht.”
De groote onbekende streelde geruststellend haar hand en antwoordde:
„Neen mijn kind, het is in het geheel niet treurig voor u, maar integendeel voor u zoo voordeelig mogelijk. Er was alleen een mensch noodig zooals ik ben, om u de voor u gesloten geldbeurzen te openen, en dat zal ik doen zoo waar ik Raffles heet. Ik zal die zaak voor u in orde brengen.
„Ik zie nu, dat ge vermoeid zijt, en daarom wil ik u een voorstel doen. Waar woont ge?”
De tengere gestalte van het jonge meisje beefde bij deze vraag.
„In de Invalidenstraat,” sprak zij. „Maar ik kan daarheen niet terugkeeren. Hij zou mij daar vinden en de kostjuffrouw, een oude hartelooze koppelaarster, is zijne vriendin. Ik zou dan onmiddellijk weer in zijn macht zijn.”
„Dat veronderstelde ik reeds,” antwoordde Raffles, „en daarom zal ik u onder dak brengen in een fatsoenlijk hotel.”
„Maar ik heb geen geld,” antwoordde het meisje.
„Ik echter wel,” antwoordde Lord Lister lachend, „gij zult mij zeker wel toestaan, mejuffrouw, dat ik voorloopig alles betaal totdat gij het mij terug kunt geven.
„Kijk eens, neem alvast deze honderd Mark.”
Hij opende zijn beurs en drukte haar, zonder dat de andere aanwezigen het merkten, een biljet van honderd Mark in de hand.
Zij bloosde opnieuw.
„Ik kan dat geld niet aannemen, want ik weet niet, wanneer ik het u terug kan geven.”
Raffles lachte.
„Pijnig daarmee uwe hersens niet. Uwe vaders zullen u het geld verschaffen.
„Maar laat ons nu gaan! Gij begrijpt zeker wel dat ik het goed met u meen. Ik verwacht dus van u, dat gij mij wel zult willen gehoorzamen.”
Hij betaalde, hielp haar haar mantel aantrekken, nam op straat een rijtuig en bracht haar naar een rustig, hotel aan het Potsdammer Plein.
Hij zelf huurde daar een eenvoudige kamer, nam afscheid van haar en beloofde, dat hij haar den volgenden dag tegen den middag zou komen opzoeken.
Raffles echter had zich naar zijn kamer in het pension begeven en dacht er lang over na, in welke vreemde omstandigheden het toeval hem had gebracht.
Voordat hij insliep had hij een plan vastgesteld, en toen hij daarover nadacht, moest hij weer hartelijk lachen, omdat de zaak hem bijzonder grappig voorkwam.
VIJFDE HOOFDSTUK.
DE MINISTER.
Minister von Jensen, een vijftigjarig heer met verboemeld uiterlijk, zat in de studeerkamer van zijn weelderig ingerichte villa in het Grunewald, en was bezig brieven te schrijven.
Hij hoorde bijna niet het kloppen van zijn kamerdienaar, die binnentrad en hem een visitekaartje overhandigde.
Vluchtig las hij het kaartje, dat een wapen droeg en waarop gedrukt stond:
Graaf di Salvatore,
Pauselijk geheim kamerheer.
Dadelijk stond de minister op en sprak tot den bediende:
„Breng den graaf in het salon, ik kom onmiddellijk.”
Daar hij een zeer ijdel mensch was, bracht hij voor een spiegel zijn toilet en haar in orde, draaide zijn snor op en trad daarna het salon binnen.
Een buitengewoon voornaam gekleed heer, die misschien veertig jaar kon tellen, stond bij zijn binnenkomen op, maakte een korte buiging en mompelde zijn naam.
„Waarmee kan ik u van dienst zijn, heer graaf?” vroeg de minister, terwijl beide heeren op de met zware damastzijde overtrokken stoelen plaats namen.
De graaf bestudeerde met een gelegenheidsgezicht zijn onberispelijke parelgrijze handschoenen en antwoordde:
„Ik ben tijdelijk eerevoorzitter van de Internationale vereeniging ter verspreiding der zedelijkheid.
„Wij hebben het plan om uwe Excellentie, in verband met uwe uitstekende reputatie, tot eerelid te benoemen, en wij hopen, dat gij het zegenrijke werk van onze vereeniging door uwe toetreding tot het eerelidmaatschap zult willen ondersteunen.
„De eereleden van onze vereeniging worden telken jare aan verschillende Europeesche vorsten ter decoratie voorgedragen.”
De oogen van den minister schitterden toen hij deze openbaring hoorde.
Hij was, evenals veel menschen, welke hooge betrekkingen bekleeden, zeer eergierig, en inplaats van de aanvankelijke koele houding, die hij tegenover den graaf had aangenomen, riep hij nu een allerbeminnelijkst glimlachje op zijn gelaat te voorschijn en sprak:
„Ik ben u zeer dankbaar voor de eer, lid van uwe vereeniging te mogen worden, ik verzoek u beleefd de formaliteiten, die daaraan verbonden zijn te willen uitvoeren.”
De graaf maakte een buiging en haalde uit zijn borstzak een document te voorschijn, dat hij openvouwde en den minister voorlas.
Het was van den volgenden inhoud:
„Hiermede verklaar ik aan den graaf di Salvatore, eerevoorzitter van de Vereeniging ter Bevordering der Zedelijkheid, dat ik het lidmaatschap erken.”
De minister dacht eenige oogenblikken na en vroeg:
„Brengt dit lidmaatschap bepaalde verplichtingen met zich mee?”
De graaf glimlachte.