LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 319 HET KOMPLOT TEGEN JUDENITSCH.
HET COMPLOT TEGEN JUDENITSCH.
HOOFDSTUK I.
IN HET KAMP DER WITTEN.
Het was op een vinnig kouden Decemberdag, toen een met twee krachtige paarden bespannen slede snel voortgleed over de met sneeuw bedekte vlakte die zich als een eindeloos tapijt zonder eenige afwisseling, ten noordoosten van het Onega-Meer uitstrekt.
In deze slede zaten drie personen.
De man die de paarden bestuurde was iemand van reusachtigen lichaamsbouw en hij had in het geheel geen Russisch type; men herkende in hem den vreemdeling, zelfs al was er van zijn gelaat niet veel meer te bespeuren dan de neus en de oogen, daar de rest verborgen was onder een grooten bontmuts met kleppen.
De twee andere personen zaten achter in de slede, en ook zij waren dicht in hun pelsen gewikkeld, zoodat er weinig van hun gelaat te bespeuren viel.
Deze beide mannen waren John Raffles, de gentleman-inbreker, en zijn trouwe vriend Charly Brand en de reus, die de paarden bestuurde, was James Henderson, die in zijn dagelijksch leven chauffeur was van den grooten Onbekende, wanneer deze onder den naam van Lord William Aberdeen, in zijn fraai huis te Londen woonde.
Door een zonderlingen samenloop van omstandigheden bevonden de drie mannen zich thans tusschen twee strijdende partijen in dit onherbergzame gebied van Rusland, tusschen de witten en de rooden, die hier pas kort geleden een verbitterd gevecht hadden geleverd, waarbij de Rooden de overhand hadden behouden.
John Raffles was natuurlijk onder een anderen naam en wel als graaf Finsburry, omtrent een week geleden een zijner Russische vrienden gaan bezoeken: Iwan Dobrinsky, die tot de roode partij behoorde, zooals Raffles tot zijne niet geringe verbazing bemerkt had.
Hij kwam met Charly Brand op diens landgoed om er te jagen, maar instede daarvan geschiedde er heel iets anders!
Dicht in de nabijheid werd hevig gestreden, en Dobrinsky nam als kapitein aan dat gevecht deel, terwijl Raffles en zijn reisgezel zich aanboden als geneesheer en Roode-Kruissoldaten, teneinde de gewonden te verplegen, waarbij zij er volstrekt niet op letten of deze ongelukkigen Bolsjewiki dan wel Monarchisten waren.
Maar Raffles had nog een doel, hij wilde onderzoek doen naar de verblijfplaats van een jong meisje, de verloofde van Dobrinsky, die in handen van een majoor van het Witte Leger was gevallen!
En het had hem mogen gelukken, met behulp van den trouwen Henderson, tot in de vijandelijke linie door te dringen en daar het jonge meisje te bevrijden uit het huis, waar deze eerlooze schurk, Michael Popowitch geheeten, haar had opgesloten.
Met een buitgemaakte vliegmachine hadden zij naar het legerkamp der Rooden kunnen terugkeeren en dadelijk was Ilja Sicorsky, zoo was de naam van het ontvoerde meisje, naar haar verloofde toegesneld, die bij de jongste gevechten opnieuw gewond was, hoewel gelukkig niet zwaar.
Dit alles had zich toegedragen in het kleine stadje Koloderskei, eenige wersten ten oosten van de Wodla gelegen, en waarom hevig gestreden was.
In dit stadje werd Dobrinsky verpleegd, en nu zijne genezing slechts een kwestie van tijd was en hij zijn aanstaande vrouw hervonden had, was er voor Raffles geen reden meer, om hier te blijven vertoeven, daar zijn toestand wel eens zeer onaangenaam kon worden.
Hij had daarom hartelijk afscheid genomen van Ilja en van zijn vriend Dobrinsky, en zich met Charly en Henderson op weg begeven om naar Petrograd terug te keeren, waar zij weder den trein hoopten te nemen, die hen door Westelijk Rusland, Polen en Duitschland weder huiswaarts zou voeren.
Maar er hadden zich in die acht dagen gebeurtenissen voorgedaan waarvan Raffles onkundig was gebleven en die zijne plannen zeer ongunstig zouden beïnvloeden.
Want in die enkele week had het leger van Generaal Judenitsch snelle en aanzienlijke vorderingen gemaakt en bedreigde nu Petrograd van twee zijden: uit het zuiden en uit het zuid-oosten.
Tegelijkertijd maakte de rechterflank van zijn leger, dat uit verscheidene Divisies bestond eene zeer groote omtrekkende beweging, klaarblijkelijk met het doel om aansluiting te krijgen bij eene andere afdeeling der Witten, die ten Oosten van het Onega-meer streed.
Indien deze beweging slaagde, zouden de Rooden daar ter plaatse als in een nijptang gevangen zijn, en de insluiting van Petrograd zou slechts een kwestie van tijd zijn.
De Bolsjewiki zouden zich daar spoedig moeten overgeven daar men de stad geheel zou kunnen isoleeren en den levensmiddelen-toevoer zou kunnen afsnijden.
Van dit alles wist Raffles echter nog niets, toen hij met zijn twee reisgezellen Koloderskei verliet, om de lange reis naar Petrograd te beginnen.
Het vroor sedert eenige weken fel, en het Onega-meer was met een dikke ijskorst overdekt, zoodat men den weg aanzienlijk zou kunnen bekorten en tot ongeveer vijfhonderd wersten beperken, dat is ongeveer evenveel kilometers beperken door dit meer dwars over te steken.
Als ze op geregelde tijden bij de posthuizen van paarden verwisselden zou men per dag wel honderd wersten kunnen afleggen, en als het moest zou men nog sneller kunnen rijden.
Treinen waren er in deze streken niet, en men was des winters uitsluitend op de slede als vervoermiddel aangewezen.
Raffles en Charly hadden aldus reeds twee dagen gereisd, voorzien van eene groote hoeveelheid levensmiddelen, gepekeld Berenvleesch, groenten in blik en brood, hetwelk zij aan de posthuizen nu en dan aanvulden, en er had zich nog niets bijzonders voorgedaan, ja, als zij niet pas kort geleden zelven aan den strijd hadden deelgenomen, dan zouden zij meenen, dat hier in Rusland alles rust en vrede was, en dat hier geen afschuwelijke broederstrijd werd gevoerd.
Zij waren de kleine stad Wytegra reeds gepasseerd, welke gelegen is aan den Zuid-Oostelijken punt van het Onega-meer, en reden nu door de vlakte, welke dat meer scheidt van den lagen bergketen in het Oosten, welke op zijn beurt het moeras begrenst, hetwelk zich vele tientallen wersten ver in Oostelijke richting uitstrekt, maar dat ook thans overdekt was met een korst ijs, sterk genoeg, om er de zwaarste artillerie zonder gevaar over te kunnen vervoeren.
Slechts zeer zelden waren zij eene kleine afdeeling Rooden tegengekomen, die op patrouille waren, en die hen allen ongehinderd lieten passeeren, zoodra zij hunne door den opperbevelhebber van het Roode leger geteekende passen lieten zien.
Maar nu waren zij reeds uren en uren door de barre sneeuwwoestenij getrokken zonder eenig levend wezen te ontmoeten, uitgezonderd een paar vluchtende raven, die als zwarte stippen hoog aan den hemel verschenen, die vaag blauw was, als verlepte zijde, en dan snel nederkwamen, om eenige keeren boven hun hoofden te cirkelen, om tenslotte weder te verdwijnen.
Het was omstreeks drie uur in den middag, toen Charly de hand ophief en naar iets zwarts in de verte wees, dat vrij duidelijk afstak tegen de verblindende witte sneeuw.
Dat zwarte scheen naderbij te komen en grooter te worden.
—Wat zou dat zijn? vroeg de jonge man. Toch geen Rooden?
—Dat komt mij onwaarschijnlijk voor. Ik kan niet aannemen, dat de Rooden zich zoover zuidwaarts zouden wagen, al hebben zij eergisteren groote vorderingen in Oostelijke richting gemaakt.
—Zie—de zwarte vlek beweegt zich nu snel, en komt onze richting uit. Raffles had zijn kijker te voorschijn gehaald, veegde de beslagen lenzen schoon en bracht het instrument aan zijn oog.
Hij tuurde even scherp en liet toen den kijker weder zakken.
Zijn gelaat stond ernstig.
—Wat is het? vroeg Charly nieuwsgierig.
—Een kleine troepenafdeeling—en ditmaal niet van de Rooden, maar van de andere partij! gaf Raffles ten antwoord.
—Zouden zij ons gezien hebben? ging de jonge man voort.
—Ongetwijfeld, want zij komen recht op ons aan, binnen tien minuten kunnen zij hier zijn.
—Kan eene ontmoeting met de Witten ons niet gevaarlijk worden?
—Ik wil het niet verzwijgen, dat ik hen veel liever vermeden had! zeide Raffles hoofdschuddend. Wij komen van den kant der tegenpartij, en onze passen zijn geteekend door de Rooden. En de verbittering tegen de Bolsjewiki is fel, dat weet je!
—Zouden wij hen nog kunnen ontwijken?
—Daartoe is het te laat—en bovendien: waar zouden wij dan heen moeten? Wij kunnen niet terugkeeren, want om naar Engeland te reizen, moeten wij over Petrograd gaan. De reis naar Archangel waar onze landgenooten nog zeer geringe marinetroepen hebben staan, zou in dit jaargetijde zeer gevaarlijk zijn, en wij zouden weken lang door de steppen moeten trekken, en daarenboven wordt er in die streken hevig gevochten, en men zou ons zeker daar niet zoo gemakkelijk doorlaten, als in deze buurt waar slechts sporadisch gevochten wordt.
De zwarte vlek was nu reeds veel dichterbij, en men kon al met het bloote oog ontdekken, dat daar een dertigtal ruiters naderden, op kleine, maar sterke paarden gezeten, en allen in uniform gekleed.
Zelfs al zouden zij gewild hebben, dan zouden de drie mannen niet meer hebben kunnen vluchten, want de ruitertroep was niet alleen met geweren bewapend, maar voerde ook een paar mitrailleurs op sleden mede, die door groote honden getrokken werden, en Raffles en zijn reisgezellen waren reeds eenigen tijd onder schot gekomen.
Nog tien minuten en toen konden de reizigers zelfs de distinctieven op de kragen der meerderen zien.
De kleine troep stond onder bevel van een eersten luitenant, die vooruit reed, met de vuist op de heup geleund, in een trotsche houding.
Hij hield zijn paard in en bracht het naast de slede, terwijl hij de hand ophief en bevelend riep:
—Halt! Wie zijt gij, en hoe komt gij hier?
—Wij zijn Engelschen, en wij hebben hier gejaagd!
—Gij komt uit het Noorden—gij zijt dus bij de Rooden geweest?
Daar ontkennen niet zou baten, antwoordde Raffles rustig:
—Ja, luitenant!
—Toon mij uw passen!
De papieren werden te voorschijn gehaald, en de luitenant las ze met aandacht door.
Zijn gelaat verkreeg een koude, dreigende uitdrukking, toen hij weder opkeek van het papier.
—Ik zie de handteekening van Trotsky op deze passen! zeide hij langzaam. Gij zult mij moeten volgen!
—Waarheen en waarom, als ik vragen mag, luitenant? kwam Raffles.
—Daarop behoef ik u niet te antwoorden, mijnheer! antwoordde de luitenant koeltjes. Ik tref u hier op een gevaarlijke plek aan, gevaarlijk vooral voor u, zooals u spoedig zal blijken! En gij komt uit het Noorden, van de zijde der Bolsjewiki! Ik wil u de waarheid niet verbloemen—ik houd u voor spionnen!
—Daartegen protesteer ik, hernam Raffles kalm. Ik erken, dat wij als Roode Kruissoldaten dienst hebben gedaan bij het Roode leger—maar ik verzeker u, dat wij geen seconde geaarzeld zouden hebben, den Witten onze diensten aan te bieden als het toeval gewild had, dat de vriend, dien ik hier ging bezoeken, tot de monarchisten had behoord.
—Dit is een zaak, welke de krijgsraad heeft uit te maken, mijnheer, ging de luitenant voort, terwijl hij de passen in zijn wijden mantelzak liet glijden.
—De krijgsraad! riep Raffles uit. Zoudt gij vrije Engelschen voor een krijgsraad willen en durven dagen? Bezint voor gij begint, luitenant—dat is alles wat ik u te zeggen heb!
Maar de Rus verhief zich trotsch in het zadel en riep toornig:
—Gij hebt wel recht, u op uwe nationaliteit te beroepen, mijnheer! Als uw landgenooten ons ter hulp waren gekomen, toen de tijd daarvoor gunstig was, dan zouden wij de Bolsjewiki reeds onder de knie hebben gehad, en in ons arm land zouden nu geen ellende en broedermoord heerschen! Als gij Uwe troepen niet uit vrees voor de Bolsjewiki terug had geroepen, dan zou de nederlaag van generaal Judenitsch onder de muren van Petrograd niet hebben plaats gehad, en de hoofdstad zou nu reeds in ons bezit zijn!
Terwijl Raffles naar deze bittere woorden luisterde, zwollen de aderen van toorn op zijn voorhoofd, maar hij wist zich te beheerschen en haalde de schouders op.
—Ik weet niet, of uw politiek inzicht ver genoeg strekt, om u een beter inzicht in de houding van de Engelsche regeering te geven! zeide hij. Maar hoe dit ook zij—men zal te Londen niet toelaten, dat Engelschen door Russen, wie zij dan ook zijn, ongestraft voor een krijgsraad worden gesleept!
De Rus barstte in een onbeschaamd lachen uit en riep spottend:
—Gij spreekt bout, mijnheer de Engelschman! Gij vergeet dat wij meester zijn in ons eigen land, en dat wij om ons bestaan strijden! Tijdens den grooten oorlog werden vreemdelingen die van den kant van den vijand kwamen zonder vorm van proces doodgeschoten—dat hebben Uwe landgenooten ook gedaan, en gij weet zeer goed dat dit oorlogsgebruik is.
Raffles zweeg, want in zijn binnenste moest hij den Rus gelijk geven.
Als de Franschen bijvoorbeeld gedurende een offensief burgerlijke personen hadden aangetroffen in “Niemandsland” dan zouden zij hen zeker dadelijk gefusilleerd hebben, en de Engelschen zoowel als de Belgen, de Amerikanen en de Duitschers deden desgelijks.
Een beroep op zijne regeering zou hem dan ook niet baten, dat wist hij zeer goed!
Hij had slechts eens willen zien, of zijne bedreiging wellicht indruk op den luitenant zou hebben gemaakt; deze had intusschen zijn paard weer doen wenden en gaf nu in zijn landstaal eenige korte bevelen aan zijn manschappen.
De ruiters kwamen aangalloppeeren, en één hunner steeg af, gaf de leidsels van zijn paard aan een makker, en nam naast Henderson plaats, om de teugels van de twee paarden te grijpen.
Met een grimmig gelaat wendde de reus zich naar Raffles om, en vroeg:
—Zal ik dien kerel met zijn boeventronie van de slede smijten, Milord of moet ik dulden dat hij naast mij blijft zitten en mij de teugels afneemt?
—Laat hem begaan, Henderson! beval Raffles. Iedere tegenstand is nutteloos en zou onzen toestand slechts verergeren.
Brommend gaf de reus nu de teugels aan den Rus, en hij uitte een paar krachtige echt Londensche verwenschingen, die den soldaat echter volkomen onverschillig lieten.
Deze liet een eigenaardig kleppend geluid met de tong hooren en daarop schoten de paarden vooruit, terwijl de geheele ruiterstroep rechtsomkeer maakte en de slede omringde.
De jonge Luitenant had zijn paard naast het voertuig gebracht en richtte zich nu opnieuw tot Raffles.
—Gij erkent nietwaar, dat gij bij de Rooden geweest zijt?
—Dat heb ik U zooeven medegedeeld! antwoordde Raffles kortaf.
—Dan zult gij wel op de hoogte zijn van hun plannen?
—Slechts in zeer geringe mate!
—Maar dan sympatiseert u dus met de Bolsjewiki riep de Luitenant toornig.
—Daaromtrent wensch ik mij niet uit te laten, hernam Raffles koeltjes. Ik kan u alleen zeggen, dat het met mijn begrip van eer in strijd is, als ik de geheimen verraad van lieden, die mij gastvrij ontvangen hebben, en die mijne hulp hebben aanvaard!
De Luitenant beet zich op de lippen, maar hij drong niet verder aan.
Zwijgend werd de tocht voortgezet.
De kleine stoet trok in Zuid-Westelijke richting verder, en bereikte ten slotte, toen de duisternis reeds gevallen was een klein gehucht aan de monding van de Suda gelegen.
En nu pas begon Raffles den toestand beter te begrijpen, en bemerkte hij dat de Witten een omtrekkende beweging op groote schaal hadden ondernomen teneinde de Rooden ten Oosten van het Onega-Meer in den flank te kunnen aanvallen, en hun zoo mogelijk in den rug te komen, om hun dan een vernietigende nederlaag toe te brengen.
Reeds eenige malen waren zij oprukkende kolonnes gepasseerd, die hun stellingen gingen innemen, en voortdurend in Noordoostelijke richting oprukten.
Het was duidelijk dat van de manschappen het uiterste werd gevergd, want als deze groot opgezette beweging niet snel werd uitgevoerd, dan zouden de Rooden wellicht den tijd vinden, zich uit den knellenden greep van de tegenpartij los te maken.
Het Gehucht zelf was vol artillerie, cavallerie en infanterie, en klaarblijkelijk werd het als een sterk steunpunt beschouwd.
Adjudanten op Motorrijwielen en paarden renden langs de met sneeuw bedekte straten heen en weder, waaruit Raffles terecht afleidde, dat zich in deze vlakte stafofficieren ophielden.
Voor zoover hij het kon beoordeelen moest het zelfs een divisiestaf zijn, wat niet te verwonderen was, want dit gehucht was het scharnierpunt, waaromheen de aanvallende legers hunne omtrekkende beweging zouden maken.
Nog steeds omringd door den kleinen ruitertroep gleed de slede het gehucht binnen; volgde de eenige straat, welke het rijk was, en hield eindelijk stil voor een huis, hetwelk waarschijnlijk een herberg was, want er hing een oud verveloos uithangbord boven de deur, waarop eene groote druiventros geschilderd was.
De drie Engelschen kregen bevel om uit te stappen, en werden de herberg binnengeleid, maar niet dan nadat men hen hunne revolvers en jachtmessen had afgenomen.
Een paar minuten later stonden zij tegenover Majoor Wladimir Geschoff, den chef van den divisiestaf.
HOOFDSTUK II.
TER DOOD VEROORDEELD.
De majoor was niet alleen, maar bevond zich met een aantal andere officieren in een vrij groot vertrek op de eerste verdieping van het huis dat door een petroleumlamp verlicht werd en waar een groot vuur in den haard brandde, dat een aangename warmte verspreidde.
Raffles had den majoor dadelijk vlak in het gelaat gekeken, en bij zichzelf de opmerking gemaakt, dat hij zelden zulk een onaangenaam boosaardig gezicht gezien had.
De kleine, sluwe vossenoogen, dicht naast elkander geplaatst, de breede, korte neus, aan het ondereinde opgewipt, de breede mond met de dikke lippen en de uitstekende jukbeenderen, wezen op een Mongoolschen afkomst, en het lage voorhoofd en de vooruitstekende kaken gaven hem een aapachtig voorkomen.
Van onder zijne borstelige wenkbrauwen keek hij de drie binnengebrachte vreemdelingen achtereenvolgens nieuwsgierig aan, en wendde zich toen tot den Luitenant die mede was binnengetreden met de vraag:
—Wat heeft dat te beteekenen Luitenant? hoe komt gij aan die drie snuiters?
In korte woorden, en met de hand eerbiedig aan zijn pet rapporteerde de luitenant het geval.
Terwijl hij luisterde nam het gelaat van Majoor Geschoff een dreigende uitdrukking aan en hij streek zich eenige keeren met zijn groote hand over den knevel.
Toen de luitenant zijn rapport geëindigd had, zeide Geschoff op ruwen toon:
—Zij zijn bij de Rooden geweest, wel, dan zijn het spionnen!
Hij wendde zich tot zijne officieren en vervolgde:
—Wij zullen de zaak snel even afdoen, mijne heeren, en ons als krijgsraad constitueeren....
De stafofficieren bogen zwijgend, en daarop namen zij allen plaats, zeven in getal, achter de ruw houten tafel die midden in het vertrek stond, en overdekt was met kaarten en rapporten.
Majoor Geschoff had als president in hun midden plaatsgenomen.
Achter de drie Engelschen stond een zestal soldaten met de bajonet op het geweer, de stafofficieren droegen allen de revolver en iedere poging tot verzet was dus bij voorbaat gedoemd om te mislukken.
Majoor Geschoff steunde zijn kin even in zijn hand, keek de gevangenen loerend aan, en begon:
—Gij zijt immers Engelschen?
—Ja Majoor! antwoordde Raffles voor de anderen.
—Uwe namen?
—Ik ben graaf Wilburn, deze heer is mijn secretaris Finsburry en deze man is mijn chauffeur.
Majoor Geschoff haalde de schouders op en zeide droog:
—Nu ja, men kan gemakkelijk een naam opgeven. Het doet er ook niet toe! Wat kwaamt gij hier uitvoeren?
—Ik kwam jagen bij mijn vriend Baron Iwan Dobrinsky.
Een daverende vuistslag van den majoor op het tafelblad deed hem ophouden.
—Gij durft hier dus zonder meer bekennen dat gij een vriend zijt van dien renegaat, dien vervloekten overlooper?
—Ja, en daar ben ik trotsch op, antwoordde Raffles met stemverhooging.
—En gij mijnheer? zoo wendde de majoor zich tot Charly.
—De vrienden van den graaf zijn natuurlijk ook mijn vrienden, antwoordde de jonge man eenvoudig.
—Zoo? welnu, dan zult gij er ook niets op tegen hebben, het lot van uw meester te deelen, zeide Geschoff op kouden toon.
—Daar vraag ik om! hernam Charly.
—Wat waart gij voornemens, toen de luitenant u in de vlakte aantrof?
—Wij waren op weg naar Petrograd!
Majoor Geschoff liet een verachtelijk lachje hooren.
Ik verlies mijn tijd—Uw zaak is helder als glas! Uw pas is door dien bandiet van een Trotsky onderteekend, gij zijt als burgers midden in het operatie-terrein aangetroffen—er kan geen twijfel zijn aangaande uwe bedoelingen!
Tot dusverre had Majoor Geschoff zich van de Engelsche taal bediend, welke hij met een sterk accent maar tamelijk goed sprak.
Hij wendde zich nu tot de andere officieren, en ging op fluisterenden toon voort, maar thans in de Russische taal.
—Ik geloof niet dat wij lang hoeven te beraadslagen mijne heeren, wij moeten met de uiterste gestrengheid optreden en een voorbeeld stellen.
Hij liet nu zijn stem zoover dalen dat Raffles niet meer kon hooren wat hij zeide.
Maar eenige malen had hij naar Henderson gekeken, en nu nam hij opnieuw het woord, en vroeg op luiden toon, terwijl hij zich tot den reus wendde:
—Gij zijt zeker in dienst geweest bij het Engelsche leger?
—Ja Majoor!
—Dan hebben wij u een vraag te stellen! Wij gelooven dat gij er niet op gesteld zijt om te worden doodgeschoten?
—Niet meer dan ieder ander Majoor! antwoordde Henderson.
—Welnu, gij kunt uw leven redden, als gij ons zegt wat de man, die zich voor uw meester uitgeeft bij de Rooden heeft uitgericht en wat zijn doel was.
Een oogenblik leek het of Henderson zich op den Majoor zou werpen en hij wist zich slechts met de uiterste krachtsinspanning te bedwingen.
Toen liet hij een kort lachje hooren en zeide op minachtenden toon:
—Iets dergelijks mag hier het gebruik zijn—bij ons weet men daar niet van. Ik ben een Brit, en een eerlijk man! Ik zeg u dat wij drie volkomen onschuldige reizigers zijn,—maar zelfs al kwam mijn meester hier spioneeren, dan zoudt gij toch uit mijn mond geen bijzonderheden vernemen.
Majoor Geschoff beet zich op de dikke lippen, en wierp Henderson een woesten blik toe.
Toen zeide hij:
—Het is goed! gij hebt het zelf gewild. De krijgsraad heeft vonnis geveld en veroordeelt u tot den kogel. Het vonnis zal aanstonds voltrokken worden—gij hebt nog een kwartier om de noodige schikkingen te treffen. Hebt gij nog iets op te merken?
—Niets anders, dan dat ik voor de zaak der Witten hoop, dat hun leger niet uitsluitend is samengesteld uit mannen zooals gij! Gij maakt misbruik van Uwe macht, en dit zou u wel eens kunnen berouwen!
De majoor liet een schamper lachje hooren, en wees met een bevelend gebaar naar de deur.
Hij en de andere officieren waren onder het uitspreken van het vonnis opgestaan en hij wees nu naar de deur en zeide tot den luitenant:
—Gij hebt het gehoord! Ik wensch dat die drie spionnen binnen een kwartier terecht gesteld zijn!
De luitenant, die zeer bleek was geworden, salueerde, en daarop gaf hij bevel, de drie gevangenen de handen op de rug samen te binden.
Hun zakken werden onderzocht en men nam hen hunne papieren af.
Vervolgens gaf de luitenant een kort bevel, en de zes soldaten namen de gevangenen mede, waarop zij allen de trap afdaalden.
Uit de gelagkamer werden nog twee man gehaald om het vuurpeloton aan te vullen.
De acht soldaten omringden, op straat gekomen, opnieuw de gevangenen, de luitenant riep een kort bevel, en men begaf zich op weg.
De straten waren bijna volkomen duister en slechts hier en daar pinkte een licht achter een venster.
Het was nog zeer druk van komende en gaande Colonnes, en soms had het executie-peloton moeite zich een weg door deze menigte soldaten te banen.
De jonge luitenant, die zijn sabel getrokken had, hield de gevangenen nauwkeurig in het oog, met de linkerhand aan de kolf van zijn revolver.
Toen zij de dorpsstraat ten einde waren sloegen de soldaten een soort zijweg in en hier was het veel stiller.
Op eenigen afstand waren een dertigtal paarden aan een kamplijn gebonden.
Zij behoorden zeker tot troepen, die zooeven waren aangekomen, want zij waren nog niet allen ontzadeld.
Op een tiental meters daar vandaan, verhief zich een muur, die waarschijnlijk bij het kleine kerkhof van het dorp behoorde.
En als bij ingeving begrepen de gevangenen, dat zij aanstonds tegen dezen muur zouden worden gezet om het doodelijk lood te ontvangen.
Nog tien minuten en zij zouden den muur bereikt hebben.
Het kerkhof grensde dadelijk aan het open veld dat met een dikke laag sneeuw overdekt was, met uitzondering van een tamelijk breeden weg, waarlangs pas kort geleden duizenden en duizenden soldaten waren getrokken, en die zich thans als een groezelig lint door de eindelooze vlakten slingerde.
Met gebogen hoofd liepen de drie Engelschen voort. Alles was zoo snel in zijn werk gegaan, dat zij half verbijsterd waren, en hun gedachten schenen beneveld.
Nog vijf minuten.........
Dof kraakte de sneeuw onder de voeten der marcheerende soldaten en de loopen van de geweren glansden zwakjes in het maanlicht, evenals de sabel van den Luitenant.
Nu hadden zij den muur van het kerkhof bereikt.
Weer klonk een op korten toon gegeven bevel en de drie gevangenen werden tegen den muur geplaatst.
De soldaten maakten rechtsomkeer, teneinde zich op eenige meters afstand van den muur te plaatsen.
Maar juist op dat oogenblik rukte Henderson met een geweldige krachtsinspanning de touwen stuk die zijn polsen omkneld hadden.
Met één sprong als van een tijger was hij bij den vleugelman van het executiepeloton, dat juist met den rug naar den muur stond gekeerd en ontrukte hem zijn geweer.
Hij greep het wapen bij den loop en zwaaide het als een knots om zich heen. En dit alles was zoo bliksemsnel in zijn werk gegaan dat er drie soldaten met verbrijzelde ledematen of een zware hoofdwonde waren neergestort, vóór de anderen goed en wel begrepen wat er gaande was.
De Luitenant slaakte een woesten kreet en trok zijn revolver, maar vóór hij van het wapen gebruik had kunnen maken was de kolf van Henderson’s geweer met kracht op zijn schedel neergedaald en hij stortte bewusteloos voorover met het gelaat in de sneeuw.
De andere soldaten wilden vuren, maar zij waren te dicht bij, en Henderson gaf hun geen gelegenheid hun geweer aan den schouder te brengen.
Hij hanteerde het geweer alsof het een rieten wandelstokje was en het gevecht scheen hem zelfs veel vermaak te geven want hij lachte nu en dan luidkeels terwijl hij op de koppen en lijven der vier soldaten beukte.
Raffles en Charly wendden wanhopige pogingen aan om zich op hunne beurt te bevrijden en den dapperen kerel ter hulp te komen maar zij beschikten niet over de ontzettende lichaamskracht van den reus.
Maar toch hielpen zij door toe te snellen en hun voet tusschen de beenen der soldaten te steken zoodat deze struikelden en tijdelijk weerloos waren.
Toen was de strijd binnen enkele oogenblikken beslist!
Henderson zwaaide het geweer nog enkele malen, liet het als molenwieken om zijn hoofd wentelen en sloeg den laatsten soldaat met een welgerichten slag neer.
Toen trok hij de bajonet uit de schede van een der soldaten en sneed vliegensvlug de touwen door welke de polsen van zijn beide metgezellen gebonden hielden.
Dadelijk maakte Raffles zich meester van de revolver van den Luitenant en diens patroontasch, terwijl Charly en Henderson zich ieder van een geweer en van munitie voorzagen.
Tot hun groot geluk hadden de oppassers van de cavalleriepaarden eenige minuten te voren hun arbeid beëindigd en zich verwijderd. Naar de paarden, mannen! beval Raffles op zachten toon, het is onze eenige kans!
Zoo snel hun beenen hun wilden dragen, ijlden de drie Engelschen naar de plek waar de paarden bijeen gebonden stonden.
De dieren droegen allen een wollen dek, op een paar na, die nog gezadeld waren—waarschijnlijk ordonnancepaarden.
Terzijde stond een slede, die zooeven was afgespannen en nog wat verder lagen de tuigen. Zoo snel zij maar konden spanden de vluchtelingen, die zooeven aan den dood ontkomen waren drie paarden voor de slede en daarop wierpen Raffles en Charly zich op den rug van de twee gezadelde paarden terwijl Henderson in de slede plaats nam om de paarden te besturen.
In vliegende galop joegen zij weg, juist toen een paar Russchische soldaten aan wie de zorg voor de paarden was toevertrouwd, terugkeerden. Zij hadden zich zeker zooeven met een glas Wodka versterkt.
De slede vloog als een stormwind over de bevroren sneeuw en Raffles en Charly spoorden hun rijdieren tot den hoogsten spoed aan.
Zij begrepen maar al te goed dat hun lot beslist was, als zij weder in handen vielen van Majoor Geschoff.
Intusschen bleef hun toestand zeer gevaarlijk want ieder oogenblik konden zij op troepenafdeelingen stuiten die hen zeker zouden aanhouden nu zij in het geheel geen passen meer bezaten en stellig als spionnen zouden worden behandeld.
Zij vermeden dus zorgvuldig den grooten weg die in de richting van Petrograd liep en trachtten dekking te zoeken achter een reeks lage heuvels die zich van het Oosten naar het Westen uitstrekte.
Zoo bleven zij voortsnellen tot de vermoeidheid der paarden hen wel dwong om die snelheid te matigen.
Ook de honger begon zich nu te doen gevoelen, maar zij zouden zich tegen dat gevoel moeten verzetten want zij konden hun honger onmogelijk bevredigen. Het zou nog vele uren duren voor zij weder een bewoonde plaats aantroffen en dan was het nog de vraag of zij zich daar niet zorgvuldig verborgen zouden moeten houden.
Zij hadden nu bijna zes uren aan één stuk door gereden en zij streden uit alle macht tegen de vermoeidheid die hen bekroop daar zij wel wisten dat zij onherroepelijk ten doode gedoemd waren als zij zich met deze vreeselijke koude in deze sneeuw ter ruste legden en dat zij nimmer weer zouden ontwaken.
Het was ongeveer vier uur in den morgen en de hemel begon zich in het Oosten lichtrood te kleuren toen Henderson in de slede overeind ging staan, zijn hand boven de oogen legde en scherp in de verte tuurde.
Raffles en Charly hadden hun doodelijk vermoeide paarden ingehouden daar zij begrepen dat Henderson met zijn scherpe blik iets moest hebben ontdekt wat zijn aandacht trok.
Raffles reed op de slede toe en vroeg:
—Zie je iets Henderson?
—Ik zou zeggen dat ik daar licht zie, Mylord—daar op een paar kilometer voor ons uit, kan daar een dorp zijn?
—Ja, als ik mij niet vergis ligt daar een dorp, Henderson, maar wij weten volstrekt niet of het door de Witten of door de Rooden bezet is.
—Ik voor mij geloof dat dat er weinig toe doet, Mylord, hernam Henderson droogjes. Wat ik tot dusverre van die heeren Russen gezien heb heeft mij geen grooten dunk van hen gegeven!
—Wij zullen er toch op af moeten Henderson, en trachten wat voedsel te vinden en versche paarden te krijgen, zeide Raffles. Wij zouden anders zeker om het leven komen.
—Zijn wij op dit punt nog ver van Petrograd verwijderd? vroeg Charly.
—Hoogstens honderd kilometer, Charly, iets meer dan negentig wersten! Ik denk dat gindsch dorp het laatste is voor wij Petrograd bereikten, als wij er tenminste levend afkomen. Want met deze paarden zullen wij zeker geen tien kilometer per uur kunnen afleggen.
De drie Engelschen hadden hun vermoeide paarden weder aangespoord en het leek wel of de dieren de nabijheid van een stal en van voedsel rooken, want zij waren met nieuwe kracht bezield en vlogen over de bevroren vlakte alsof zij vleugels hadden.
Een half uur later was de zon in heerlijke pracht boven den horizon gerezen en de lichtjes van het dorp waren verdwenen.
Maar in plaats daarvan konden zij nu duidelijk de donkere omtrekken der huizen waarnemen.
Het was een tamelijk groot dorp en daar was zeker wel het noodige te krijgen en de drie Engelschen waren voornemens zich het noodige te verschaffen, want zij zouden niet lang meer zonder voedsel kunnen blijven in deze hevige, met iedere beschrijving spottende, koude.
Naarmate zij naderbij kwamen matigden zij hun snelheid, want niemand kon zeggen wie er meester was in dit dorp.
Voorzichtig kwamen de drie reizigers naderbij.
Maar eensklaps wende Charly het hoofd om en schreeuwde:
—Zij zitten ons op de hielen!
Het was maar al te waar—daarginds over de vlakte naderde een troep ruiters van bijna zestig man sterk en hun paarden joegen in vollen galop over de sneeuwvlakte.
De drie Engelschen waren dus tusschen twee vuren geraakt! Achter hen kwamen de achtervolgers, en voor hen lag het dorp—en daar zou de ontvangst wel niet veel beter zijn! Zij moesten echter voor ditmaal het onzekere voor het zekere nemen want in ieder geval bleef de kans bestaan dat dit dorp nog in handen der Rooden was, of dat de bevolking zich in ieder geval gewapenderhand tegen de naderende ruiters zoude verzetten.
Raffles aarzelde dus niet, maar riep:
—Vooruit vrienden! Wij moeten naar het dorp, anders leven wij over een half uur niet meer!
—Maar de paarden zijn uitgeput! kreet Charly.
—Dan zullen wij hen snel voor de slede spannen, dan trekken zij met z’n drieën!
De twee vrienden stegen ijlings af en spanden hun paarden met de hulp van Henderson voor de slede.
Maar toen zij hiermede gereed waren hadden de achtervolgers snelle vorderingen gemaakt en juist toen zij in het voertuig stapten, kraakten schoten en vlogen de kogels hen om de ooren!
Henderson bukte zich zoo diep mogelijk, en legde de zweep over de paarden, terwijl Raffles en Charly ieder een geweer grepen, vast besloten, hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen.
Zij knielden achter in de slede neder, legden den loop van hun geweer op de rand van het voertuig en vuurden.
Twee der achtervolgers stortten van hun paarden, die ruiterloos voort ijlden.
De drie paarden voor de slede hijgden van inspanning en vermoeienis maar de arme dieren deden al hun best, en trokken de slede pijlsnel over de sneeuw.
Reeds waren de eerste huizen van het dorp duidelijk zichtbaar geworden—en daar verschenen ook eenige menschen, die haastig heen en weer schenen te loopen, achter de huizen verdwenen en dan weder te voorschijn kwamen.
Henderson spoorde de paarden tot de uiterste krachtsinspanning aan, en Raffles en Charly hadden hunne geweren opnieuw schietvaardig gehouden.
Onder het rijden vuurden de soldaten der Witten onophoudelijk op de vluchtelingen en verscheidene kogels drongen door het hout van de slede.
Eén er van nam een stuk van Charly’s mouw mede en een tweede raakte Raffles licht aan de wang.
Weer vuurden zij, en weer stortten twee mannen in vollen ren van hun paarden en bleven roerloos in de sneeuw liggen.
Maar eensklaps kwam er een groot aantal mannen uit het dorp rennen, die met geweren gewapend waren en de slede tegemoet snelden.
Blijkbaar had men daarginds het schieten gehoord.
—Het zijn Rooden! schreeuwde Henderson opgewonden. Het dorp is in hun handen.
De reus had goed gezien—inderdaad kwamen daar een paar honderd man der Roode troepen aansnellen, die zich dicht voor de slede in de sneeuw wierpen, en dadelijk een moorddadig vuur op de Witten openden.
Deze waren verreweg in het nadeel, omdat zij bereden waren en dus veel minder nauwkeurig konden schieten en voorts, omdat zij veel geringer in aantal waren.
Zij geraakten in wanorde, schenen te aarzelen—en eensklaps maakten zij rechtsomkeer, wendden den teugel en renden weg, zoo spoedig zij konden, terwijl de slede het dorp binnen stoof, waar zij stil hield voor een logement op het kleine marktplein.
De met schuim overdekte paarden die van vermoeidheid op de beenen trilden werden afgespannen, en naar den stal gevoerd, terwijl de drie Engelschen zich naar de gelagkamer haastten, waar zij dadelijk omringd werden door een aantal soldaten die alle tegelijk door elkaar schreeuwden, en wilden weten, hoe de vreemdelingen hier kwamen en hoe het stond bij de Witten.
Raffles liet hen kalm praten en begon met een maaltijd te bestellen voor zich en zijn vrienden.
Dit ging lang niet gemakkelijk, maar tenslotte wist hij toch een stuk roggebrood, wat boter, rijst en een stuk paardenvleesch machtig te worden—een delicatesse in dezen tijd, en op deze plek, zoo dicht bij de hoofdstad, waar de grootste nood heerschte.
Een der soldaten had een officier gehaald en nog terwijl de drie reisgenooten om den maaltijd zaten, kwam er een kapitein binnen met een streng maar open gelaat, die den vreemdelingen eerst verlof gaf hun honger te stillen, en daarop zijn ondervraging begon.
HOOFDSTUK III.
NAAR PETROGRAD!
Raffles deed een omstandig verhaal van zijn wedervaren en de kapitein viel hem geen oogenblik in de rede, maar luisterde met aandacht, het hoofd een weinig gebogen.
Toen Raffles gereed was, zeide de officier:
—Ik kan de waarheid van uwe beweringen gemakkelijk controleeren, want ik heb gisteren een paar vliegers naar de stellingen van Kolodoserskoi gezonden, en verwacht die ieder oogenblik terug. Daar zal men van hen zeker wel een en ander omtrent uw tocht naar het vijandelijke kamp gehoord hebben. Gij zult echter wel begrijpen dat wij U hier onmogelijk kunnen houden, al zouden wij de medische hulp van een bekwaam geneesheer en de sterke armen van twee menschlievende mannen zeker wel kunnen gebruiken. Ik heb echter juist gisteravond strenge orders gekregen, onder geen beding vreemdelingen in onze gelederen aan te nemen,—wij hebben daar juist treurige ervaringen mede opgedaan—er liepen vurige verraders onder!
—Wij zelven verlangen niets liever dan weder naar ons land terug te keeren, kapitein! hernam Raffles. De toestand is hier echter zoo verward, dat ik geen uitkomst zie! Ik meende hier stellig Witte troepen te zullen vinden!
—Misschien zullen zij hier spoedig genoeg zijn! zeide de kapitein der Bolsjewiki op somberen toon. Generaal Judenitsch staat voor de poorten van Petrograd, en misschien is hij de stad wel reeds binnengetrokken, terwijl ik hier met U spreek.
—Wat raadt gij mij aan te doen, kapitein? ging Raffles voort. Ik wensch tot iederen prijs naar de hoofdstad terug te keeren, want een mijner vrienden heeft daar mijn geld in bewaring, hetwelk ik dringend noodig heb, daar de Witten mijn zakken op even doeltreffende als volledige wijze hebben leeggehaald!
De kapitein dacht even na en zei toen:
—Ik kan niet anders doen dan U een vrijgeleide te geven tot Petrograd. Is de stad nog in onze handen, dan zult gij geen moeilijkheden ondervinden—maar als Judenitsch is binnengerukt, dan sta ik voor niets in! En gij behoeft er niet aan te denken met een trein naar Duitschland te kunnen reizen, want op alle lijnen en op het geheele spoorwegmateriaal is door de militairen beslag gelegd.
—Maar hoe komen wij dan weder weg? riep Charly uit.
—Er zou maar één middel zijn, Mijnheer! antwoordde de kapitein. Gij zoudt van hier per slede tot Nygyrska, aan de spoorlijn van Petrograd naar Wiborg, aan de Finsche grens kunnen gaan. Van de eerstgenoemde plaats af loopen er nog op ongeregelde tijden personen-treinen, ofschoon het de grootste moeite kost, daarin een plaats te krijgen. Van Wiborg zoudt gij dan verder per trein naar Abo aan den Finschen golf kunnen reizen, en daar wachten, tot zich een scheepsgelegenheid naar Engeland, Frankrijk of Scandinavië voordoet!
—Nu, ik zal mij in ieder geval dit jachtavontuur nog lang herinneren! zeide Raffles glimlachend. Als dus alles medeloopt, zouden wij over eenige weken in Engeland terug kunnen zijn—en als dit eens niet het geval was—dan zou het maanden kunnen duren! Laat mij u mogen zeggen, kapitein, dat dit geenszins strookt met mijn plannen! En daarom zouden ik en mijn vrienden het zeer op prijs stellen indien gij ons passen tot Petrograd zoudt willen geven.
—Zooals gij wilt, Mijnheer, hernam de kapitein.
Op dit oogenblik kwam een depecherijder het vertrek binnen, die in de militaire houding voor zijn chef bleef staan, en salueerde.
—Wat is er, Michael? vroeg deze.
—De beide vliegers zijn teruggekeerd, kapitein!
—Mooi zoo, zeg dat zij op mij wachten!
De koerier vertrok en de kapitein wendde zich weder tot Raffles met de woorden:
—Ik zal u moeten verzoeken, hier te blijven, tot ik het rapport van mijn luitenants heb aangehoord. Gij zult mijn houding billijken, daar ben ik zeker van!
Raffles boog, zonder te antwoorden en de kapitein verliet het vertrek.
—Hij mag dan een Roode zijn, maar hij is althans heel wat beleefder dan die oude schurk van een majoor der Witten, die ons had willen laten fusilleeren! bromde Henderson.
Daarop keerde hij zich tot Charly en vervolgde:
—Het moet mij van het hart, Mijnheer Brand, ik heb voorloopig meer dan genoeg van Rusland. Het kan dan vroeger heel belangwekkend geweest zijn, maar het reizen op dit tijdstip is geen pleiziertje!
—Ik ben het volkomen met je eens, Henderson! antwoordde Charly glimlachend. Ook ik zal den hemel danken als wij weder goed en wel in Engeland terug zijn!
De drie mannen moesten geruimen tijd wachten, bijna een uur, maar toen keerde de kapitein terug, stak Raffles en zijn metgezellen met een spontaan gebaar de hand toe en zeide:
—Alles is in orde, Mijne heeren. Ik heb van de beide vliegers vernomen, dat alles zich inderdaad zoo heeft toegedragen, als gij mij hebt medegedeeld. Thans blijft mij niets anders over, dan u de passen ter hand te stellen, welke de generaal van onze divisie zoo even voor u heeft laten opstellen en onderteekenen.
Hij nam een drietal passen uit de portefeuille, welke hij bij zich had, en overhandigde ze aan de Engelschen.
—Daarmede kunt gij naar Petrograd komen, zonder te worden lastig gevallen. Natuurlijk geldt dit slechts voor zooverre de stad nog in onze handen is. De berichten luidden gisteren helaas zeer ongunstig, en ijlboden wisten zelfs te verhalen dat een vooruitgeschoven troepenafdeeling van Judenitsch tot in de voorste stadswijken van de hoofdstad was doorgedrongen. Alle risico blijft dus voor uwe rekening, bedenk dat!
—Dat spreekt van zelf, kapitein! zeide Raffles. Ik dank u, ook namens mijne reisgezellen voor uwe bemoeiingen en verzoek u, ons in staat te stellen onze reis te vervolgen, door ons de slede en de paarden af te staan, welke ons hier hebben gebracht en welke wij aan de Witten hadden ontnomen. Als gij dit wenscht zullen wij één en ander te Petrograd achterlaten en in handen van de Roode troepen daar stellen, die ze dan als oorlogsbuit kunnen beschouwen.
—Onder deze omstandigheden kunt gij er over beschikken, mijnheer! zeide de kapitein. Wanneer wilt gij vertrekken?
—Zoodra de paarden en wij zelven zijn uitgerust, antwoordde Raffles.
—Gij zult er goed aan doen, zoo spoedig mogelijk de hoofdstad te verlaten! hernam de kapitein. Weliswaar zijn de verhalen omtrent de hongersnood, die er zou heerschen en welke in de buitenlandsche bladen blijkbaar gretig worden opgenomen sterk overdreven, maar toch heerscht er gebrek en als de stad eens werkelijk werd ingesloten, dan zou zij zich binnen enkele weken, ja misschien binnen enkele dagen moeten overgeven! En nu moet ik afscheid van u nemen, mijnheer! Mijn plicht roept mij en wij moeten eene verkenning in Oostelijke richting ondernemen. Het feit, dat de Witten het gewaagd hebben, u tot hiertoe te achtervolgen, baart ons veel zorg—ik vrees, dat zij eene omtrekkende beweging uitvoeren, welke ons, als zij slaagt, in groot gevaar zou brengen.
Hij salueerde voor de drie vreemdelingen en had het volgend oogenblik de gelagkamer verlaten.
Langzamerhand kwamen de reizigers weder bij van de ondervonden vermoeienissen, bij het knappende houtvuur en een goed glas heete wijn.
Zij voorzagen zich van eenige levensmiddelen, betaalden met geld, hetwelk Henderson in zijn zak bleek te hebben en dat aan de aandacht van de Witten ontsnapt was, en laadden deze in de slede, die hen hier had gebracht.
Toen de paarden geheel en al waren uitgerust en goed gevoederd waren, spande Henderson de dieren opnieuw voor de slede, en de reizigers namen weder in het voertuig plaats.
Het was toen omstreeks tien uur in de morgen.
Het was nog altijd bitter koud, maar gelukkig was de wind een weinig gaan liggen, en de zon schitterde aan den wolkeloozen hemel, van een pastelblauwe, aan de kim donker wordende kleur.
Nadat de geweren waren nagezien, en de revolvers waren geladen, begaven de drie Engelschen zich weder op weg.
Indien zij er in slaagden, vijftien wersten per uur af te leggen, hetgeen niet te veel berekend was, daar de paarden volkomen uitgerust waren, en de sneeuw een harde, gladde oppervlakte vormde, dan konden zij voor het vallen van de duisternis Petrograd bereikt hebben.
Maar het Noodlot scheen zich ditmaal wel met hardnekkigheid tegen de reizigers te hebben gekeerd!
Want toen zij reeds heel in de verte de vage omtrekken van de hoofdstad meenden te ontwaren, zagen zij tegelijkertijd dichte, zwarte colonnes over de sneeuw naderen.
Het geschut had den geheelen dag geklonken, maar nu kwam het merkbaar naderbij.
—Zouden de Rooden retireeren? vroeg Charly, terwijl hij met gespannen aandacht door den kijker tuurde.
—Ik vrees het, antwoordde Raffles ernstig. En daardoor komen wij weder in een zeer gevaarlijken toestand. Wij zouden nu tusschen twee vuren geraken, en ditmaal zou er geen ontkomen meer aan zijn—tenminste als wij onzen weg in dezelfde richting wilden voortzetten. Wij zouden door het mitrailleur-vuur onherroepelijk worden gedood. Klaarblijkelijk zijn de Rooden gedwongen, Petrograd, of tenminste een deel ervan te ontruimen.
—Daar naderen tenminste troepen, die onordelijk oprukken, hernam Charly.
—Houdt links aan, Henderson! beval Raffles. Wij zullen trachten de stad meer in het Zuiden te naderen.
—Maar dan moeten wij een grooten omweg maken! riep Charly uit.
—Dat is minder erg, dan dat wij tusschen twee vuren zouden geraken! hernam Raffles.
Henderson had intusschen het gegeven bevel reeds opgevolgd, en de slede week nu af van den tot dusverre gevolgden weg.
Het geschutvuur werd hoe langer hoe heviger, en plotseling konden de reizigers, door den kijker, een batterij gewaar worden, die stelling had genomen ten Noord-Oosten van een lagen heuvelkling, en vandaar de Witten onder vuur nam die echter voor de drie Engelschen onzichtbaar waren.
De Rooden schoten zoo snel zij konden, en het gedonder klonk als een aanhoudend gerommel van een onweder.
Een half uur later trokken de retireerende troepen op eenige wersten voorbij, juist langs den weg, die de slede tot dusverre gevolgd had.
Het geschutvuur werd minder hevig, en het was duidelijk, dat de hoofdstad reeds voor een deel in de handen der Witten moest zijn.
—Ik geloof, dat het tijd begint te worden, ons maar weder te ontdoen van onze door de Rooden geteekende passen, zeide Raffles na eenigen tijd. Als niet alles bedriegt, zullen wij wel in een Petrograd aankomen, dat door de troepen van Judenitsch bezet is. Wij zullen echter tot het laatste oogenblik wachten met het vernietigen van die passen, welke ons reeds eenmaal aan den rand van het graf hebben gebracht.
—Maar zouden de Witten zich hier wel kunnen handhaven? vroeg Charly. Zonder den steun van Judenitsch en zijn legers zullen zij vroeg of laat terug moeten want de Rooden zijn hier zeer sterk!
—Je kunt gelijk hebben, maar voor het oogenblik moeten wij er toch rekening mede houden, dat wij met de Witten te doen krijgen!
De slede gleed intusschen met onverminderde snelheid over de bevroren vlakte en Raffles verbaasde er zich over, dat het gevecht zich niet tot hier uitgebreid had.
Misschien was het plan der Witten, zich eerst van geheel Petrograd meester te maken en dan snel in Oostelijke richting op te rukken.
Wel kwamen zij nu en dan kleine afdeelingen Rooden tegen, die hen echter ongemoeid lieten, nadat de passen vertoond waren.
De duisternis begon reeds te vallen en de paarden begonnen opnieuw teekenen van vermoeidheid te geven, en nog moesten er twintig wersten afgelegd worden alvorens men de hoofdstad bereikt zou hebben, welke de reizigers thans van uit het Zuid-Oosten naderden.
Maar eensklaps, nadat zij in geruimen tijd geen, Rooden meer hadden zien voor bijgaan, naderde er over de sneeuwvlakte een afdeeling bereden manschappen, die aan de uniformen aanstonds als Witten te herkennen waren.
Voor de reizigers goed en wel wisten wat er gebeurde, had deze kleine ruitertroep zich uit de duisternis losgemaakt en omringden zij de slede.
—Wij zijt gij en waar gaat gij heen? zoo luidde de gewone, reeds zoo vaak gehoorde vraag.
—Wij zijn Engelschen en wij wilden naar Petrograd gaan! antwoordde Raffles.
—Waar komt gij vandaan?
Daar loochenen niets zou helpen antwoordde Raffles:
—Wij komen van de zijde van het Onega-meer, waar gestreden is tusschen Uwe troepen en de Rooden.
—Wat deed gij daar?
—Wij kwamen daar om te jagen en zijn door de gebeurtenissen verrast.
—Wat waren uw plannen te Petrograd?
—Geen andere, dan ten spoedigste naar ons eigen land terug te keeren!
De Luitenant die deze vragen gesteld had keek Raffles en zijn metgezellen aandachtig aan en zeide toen:
—Ik zal u naar het hoofdkwartier moeten brengen, al doet het mij leed. Mijn instructies zijn formeel.
—Dan moet gij u er aan houden, Luitenant, hernam Raffles bedaard, maar inwendig rees de vraag bij hem, of hij en zijn beide reisgenooten nu nog niet aan het einde hunner beproevingen waren!
Want immers—als men hier te weten kwam dat de drie Engelschen elders door dezelfde partij reeds waren ter dood veroordeeld en slechts hadden kunnen ontkomen door aanwending van geweld, dan zag het er weder somber voor hen uit.
En toch zouden zij zich in de omstandigheden moeten schikken.
De overmacht was te groot, dan dat zij aan verzet zouden kunnen denken.
En zoo trok, juist als een paar dagen geleden, een kleine stoet over de vlakte voort, en de slede vormde wederom het middenpunt.
Henderson had opnieuw de teugels uit handen moeten geven, en keek brommend als een groote hond, wien men een been heeft afgenomen, toe, hoe de soldaat, die naast hem had plaats genomen de vermoeide paarden met vaste hand bestuurde en de slede weder op den weg bracht.
Deze bleek voor een groot gedeelte van sneeuw bevrijd te zijn en het was duidelijk dat hier reeds genie aan het werk was geweest, om den straatweg die naar de hoofdstad voerde, voor het troepenverkeer vrij te maken.
En nu begonnen reeds in de verte de lichten van Petrograd te pinken!
De vrees der Rooden was dus niet ijdel geweest!—de partij der Witten had inderdaad groote vorderingen gemaakt, en althans een gedeelte van de hoofdstad weten te bezetten.
Wie weet werd er op dit oogenblik woedend gestreden in de straten van de beklagenswaardige stad!
Inderdaad werd het vuren weder heviger en twee malen passeerde men een batterij veldgeschut, die in vollen ren, terwijl de sneeuw onder de hoeven der woest galoppeerende paarden opstoof, nieuwe stellingen gingen innemen.
—Mag ik vragen waarheen gij ons geleidt? vroeg Raffles eindelijk aan den jongen luitenant, die naast de slede draafde.
—Dat zeide ik u reeds—naar het hoofdkwartier. Generaal Judenitsch zal wel over uw lot beslissen.
Het was dus waar—de hoofdmacht van de Witten onder aanvoering van den veelgenoemden generaal stond voor de muren van de hoofdstad, het bolwerk van het Bolsjewisme en had daar op het oogenblik wellicht zijn intocht reeds gedaan!
Nog een half uur verliep en steeds meer troepen passeerden op weg naar het Oosten.
Boven Petrograd dat vlakbij scheen te liggen, hing een rossige nevel—waarschijnlijk stond een deel van de groote stad in brand.
Nu en dan klonk het gehuil der granaten, vlak boven de hoofden der mannen en even later hoorde men de losbarsting op ongeveer twee wersten afstand.
De kleine troep was een dorp binnengetrokken, waar de Witten dienzelfden dag vasten voet hadden gekregen, en waar zij hun hoofdkwartier hadden gevestigd, in afwachting, dat zij het naar Petrograd zouden kunnen overbrengen.
Het huis van den burgemeester van het dorp, die aan de zijde der Bolsjewiki streed, was tot verblijf van den staf ingericht.
Eenige korte bevelen klonken en toen moesten de drie Engelschen de slede verlaten en het burgemeestershuis binnengaan.
Zij werden naar een kleine wachtkamer gebracht, waarvan de deur gesloten werd. Voor de deur hoorden zij het regelmatig op en neder loopen van een schildwacht. Het kleine vertrek was spaarzaam verlicht door een petroleumlamp, die zacht aan een ijzeren haak heen en weder schommelde.
Dit werd veroorzaakt, omdat onophoudelijk het geheele huis dreunde van de losbarstingen eener batterij, die juist aan den zoom van het dorp was opgesteld en vandaar een der voorsteden van Petrograd onder vuur nam.
Zwijgend zaten de vrienden bij elkander.
Weliswaar was de luitenant zeer beleefd geweest, en ook de houding der soldaten had niets te wenschen overgelaten,—maar zou de generaal in dezelfde stemming verkeeren? Dat moest worden afgewacht!
Iets anders dan wachten konden zij trouwens niet doen.
Er viel niet aan te denken uit dit huis te ontsnappen waar zich een groot aantal officieren ophielden, terwijl het in de straten krioelde van soldaten, allen gewapend.
Neen, er schoot niets anders op over dan rustig te wachten.
Nog waren er geen volle tien minuten verloopen of er naderden schreden, en de deur werd geopend. De luitenant trad binnen, en verzocht de drie Engelschen hem te volgen.
Raffles zag dat de jonge militair geheel alleen was en dit dacht hem een gunstig teeken.
De luitenant geleidde de drie mannen door eenige gangen naar een vertrek waar zich vier officieren bevonden, die achter een groote tafel gezeten waren, en tot den staf van het Witte leger behoorden, dat in deze streek opereerde.
In één hunner herkende de drie reisgenooten van de portretten in de Londensche bladen en tijdschriften aanstonds generaal Judenitsch.
Het gelaat van den legeraanvoerder der Witten had een ernstige en een weinig stroeve uitdrukking, zooals hij daar onbewegelijk zat, met de kin in de hand gesteund schijnbaar zonder op het binnentreden der drie vreemdelingen te letten.
De luitenant was op de tafel toegetreden en zeide iets op eerbiedigen toon tot den generaal.
Toen hief Judenitsch het hoofd op, en de drie tochtgenooten keken in een paar staalblauwe sterke oogen, onder dichte wenkbrauwen half verborgen.
Die oogen bleven een tijdlang strak op de Engelschen gericht, en daarop wendde hij zich in het Engelsch tot Raffles dien hij blijkbaar dadelijk als het hoofd van het kleine reisgezelschap erkende:
—De luitenant heeft mij zooeven medegedeeld dat hij u en uwe metgezellen midden in de vlakte heeft aangetroffen, mijnheer de graaf. Hij heeft mij ook medegedeeld dat gij hier gejaagd hebt, en door de gebeurtenissen zijt overvallen. Ik wil dit wel aannemen, ofschoon velen u misschien op staanden voet zouden hebben gefusilleerd.
Raffles dacht aan het gevaar, hetwelk hij en zijn twee makkers nog slechts weinige dagen geleden hadden geloopen, maar hij wachtte er zich wel voor, dit avontuur aan generaal Judenitsch mede te deelen!
De legeraanvoerder wachtte even, alvorens te vervolgen:
—Ik zou uwe aanwezigheid in deze streken wellicht meer gewaardeerd hebben—... indien gij niet met drie man, maar met dertigduizend, en zoo mogelijk met drie honderd duizend waart gekomen, graaf! Ik wil u niet verzwijgen, dat het mij bitter teleurgesteld heeft, dat uwe regeering haar troepen uit Rusland heeft teruggeroepen, in stede van ons bij te staan, ons arm land van het vervloekte Bolsjewisme te zuiveren! De zaken zouden zeer waarschijnlijk heel anders staan indien de geallieerden ons de behulpzame hand hadden geboden! Wat dunkt u?
—Ik weet niet goed wat ik u hierop moet antwoorden, generaal! antwoordde Raffles. Ik denk echter, dat onze regeering is bezweken voor den aandrang van de arbeiders in ons eigen land, die aan het bloedvergieten een einde gemaakt wenschten te zien. Het is een publiek geheim, dat de regeering te Londen een gevaarlijk spel zou hebben gespeeld, indien zij den wil van een groot en machtig deel onzer natie in den wind had geslagen, en een groote legermacht hier had gelaten om aan uwen strijd deel te nemen, al wenscht zij zelve niets liever, dan een einde te zien gemaakt aan een toestand, die niet veel langer kan voortduren, zonder geheel Rusland in den afgrond te doen verzinken.
Generaal Judenitsch had zwijgend toegeluisterd, en zich nu en dan met zijn groote, gespierde hand over het voorhoofd gestreken.
Nu zuchtte hij diep en zeide op doffen toon:
—Ik kan ook niet van een vreemdeling verwachten, dat hij deze zaak uit het zelfde oogpunt zal beschouwen als wij Russen! Maar dit zeg ik u graaf, dat men er te Londen en te Parijs misschien nog wel eens spijt van zal hebben, niet aan ons verzoek om hulp te hebben gehoor gegeven!
Generaal Judenitsch trommelde even met een blauw potlood op het blad van de tafel en hernam op anderen toon:
—Laten wij hier niet verder over praten, graaf! Het Noodlot moet zich voltrekken—daar kunnen wij menschen toch niets aan veranderen. Wat uwe positie betreft—ik wil niet ontkennen, dat zij op dit oogenblik voor u zeer onaangenaam is. De slag is nog onbeslist—het is evengoed mogelijk, dat wij er in slagen, Petrograd binnen te rukken, als dat de Rooden versterkingen krijgen en ons weder terugdrijven!
De generaal wierp een korten blik op de kaart die voor hem lag uitgespreid en ging voort:
—Daar intusschen de kansen, dat wij er in slagen de hoofdstad te nemen, grooter zijn dan die, dat wij teruggeworpen worden, zoo zal ik u toestaan naar Petrograd te reizen, maar dan moet gij ook onmiddellijk vertrekken, want ik kan natuurlijk niet toestaan, dat vreemdelingen de operaties van mijn leger medemaken!
—Wij zelven verlangen niets liever, generaal! kwam Raffles haastig. Wij hebben volstrekt geen geld meer, en een vriend van mij in de hoofdstad bewaart mijn reispenningen. Er is ons dus alles aan gelegen, zoo snel mogelijk in Petrograd te komen.
—Dan zal ik u een pas en een vrijgeleide geven, hernam generaal Judenitsch. Ik kan echter volstrekt geen aansprakelijkheid voor uw veiligheid op mij nemen!
—Dat begrijp ik generaal, hernam Raffles, maar al te verheugd, dat hij en zijn makkers er zoo gemakkelijk afkwamen.
—Wat ons betreft—ik hoop dat wij binnen enkele dagen zelve in de hoofdstad zullen zijn en als gij u dan bij mij wilt aanmelden dan zal ik trachten uwe terugreis te vergemakkelijken!
Raffles boog, bij wijze van dankzegging, en de generaal maakte een gebaar waaruit de Engelschen begrepen, dat hij het gesprek als geëindigd beschouwde.
Zij verlieten het vertrek, waar misschien het lot van het onmetelijke Russische rijk werd beslist, door de weinige mannen achter hunne stafkaarten aan de groote tafel, en een uur later waren zij in het bezit van passen, welke het hun mogelijk zouden maken, Petrograd nog voor het vallen van den nacht te bereiken.
Een convooi, dat over enkele oogenblikken naar de hoofdstad zou vertrekken zou hen medenemen.
En heel wat geruster dan eenige uren geleden, trokken de drie reizigers nu opnieuw over de sneeuwvlakte, in de richting van den rossigen gloed, en van de vele lichtjes, die in de verte schenen te wenken.
Daar lag Petrograd—de stad, om welks bezit zoo heftig gestreden werd!
HOOFDSTUK IV.
FEODORA LESZINSKY.
Het was tien uur, toen Raffles en zijn makkers de hoofdstad of liever een der voorsteden binnen kwamen.
Aan alles was te zien, dat hier nog niet lang geleden verbitterd gestreden was.
Eenige huizen, half in puin geschoten, rookten nog, en overal lagen paardencadavers, overblijfselen van kanonaffuiten, geweren, uitrustingsstukken van allerlei aard.
Maar de Witten waren hier meester, dat was zeker.
Want overal ontmoette men hunne troepen, die op patrouille waren of kwartier maakten voor hen die na hen zouden komen.