LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 30 DE DIRECTEUR DER KOLONIALE VEREENIGING.
DE DIRECTEUR DER KOLONIALE VEREENIGING.
EERSTE HOOFDSTUK.
DE DIRECTEUR DER KOLONIALE VEREENIGING.
John Raffles hield een prospectus in de handen en sloeg met de vuist op het blad van zijn schrijftafel.
Charly Brand, die rookend bij den haard zat, sprong verschrikt op.
„Wat is er gebeurd?” vroeg hij.
„Daar is weer een ongehoorde boevenstreek uitgehaald”, stoof Lord Lister op, zenuwachtig in de kamer op en neer loopende.
„Ik begrijp je niet”, sprak de secretaris, terwijl hij zijn vriend met de oogen volgde.
„Lees dit prospectus. Het is een ellendige schurkenstreek. De directeur van een Belgische maatschappij schildert met de verleidelijkste kleuren de een of andere woestenij, die de Vereeniging in Afrika bezit.
„Alles groeit daar, zonder dat het geld of moeite kost, men behoeft slechts vijftig pond te betalen om millionnair te worden. Niemand behoeft te werken, dat doen de zwartjes. Een vervloekte schurkentroep!
„En er zullen weer honderden onnoozele arme drommels gevonden worden, die in Afrika millionnair denken te worden.”
Charly Brand had nu ook gelezen.
Ook op zijn gelaat vertoonde zich een uitdrukking van ergernis en mismoedigheid. Hij legde het blad papier voor Raffles neer en vroeg:
„Geloof je werkelijk, dat er menschen gevonden zullen worden, die 50 pond sterling aan die kerels in Brussel zullen betalen voor een stuk land, dat zij niet kennen?”
„Och kom”, antwoordde Raffles, „vertel den menschen vandaag, dat zij voor een dollar in veertien dagen door een speculatie op de Beurs twintig dollar zullen verdienen, adverteer dat met vette letters en de post zal je wagenvrachten postwissels van een dollar in huis bezorgen.
„Je kunt in ’t geheel niet gelooven, hoeveel domme menschen er bestaan, die vlug en zonder moeite rijk willen worden, als zij er maar niet voor behoeven te werken.
„De hemel is echter in dit opzicht rechtvaardig en laat deze lieden als straf voor hun vermetelheid, om zonder te werken geld te willen verdienen, de paar guldens verliezen, die zij misschien met veel moeite bijeengespaard hebben.
„Geef mij alsjeblieft eens de kaart van Afrika uit mijn boekenkast.”
Charly Brand haalde het gewenschte te voorschijn en legde de opgevouwen kaart voor zijn vriend op de schrijftafel neer.
Raffles spreidde de kaart uit en bestudeerde ze eenige minuten vol attentie.
Daarop nam hij een blauw potlood en maakte een streep om een stuk land aan de Westkust van Afrika, hetzelfde, dat was aangeduid op het prospectus van de Koloniale Vereeniging en dat zich uitstrekte tot dicht bij de grenzen van de Duitsche koloniën.
„Elke Afrikaan weet, dat deze landstreken tot de onvruchtbaarste gedeelten der wereld behooren”, sprak Raffles. „Rotsachtige, harde bodem, afgewisseld door woestenijen of zoogenaamd „Veld”, dat zijn uitgestrektheden onvruchtbaar, dor land, waarop niets anders groeit dan een soort gras, dat hard en stekelig is.
„Muildieren en kameelen kunnen het ternauwernood eten.
„Water is er in ’t geheel niet. Het moet ver uit het binnenland naar de kuststreek worden overgebracht.
„Ik voel er veel voor, om met deze oplichters in onderhandeling te treden. Ik zal den directeur der Koloniale Vereeniging in Brussel een bezoek gaan brengen.”
Hij nam een blad papier en schreef het volgende telegram:
„Directeur der Koloniale Vereeniging Van Meyendorp, Brussel.
Bericht, wanneer ik u in Brussel kan spreken.
A. WEBSTER.
London, Fultonstreet 14.”
„Bezorg dit telegram, beste Charly.”
De secretaris nam het blad papier op en maakte zich gereed om naar het telegraafkantoor te gaan.
„Wat doe je vanavond?” vroeg hij zijn vriend, toen hij reeds in de deuropening stond.
Raffles dacht eenige oogenblikken na, daarop nam hij een courant op en keek de lijst der openbare vermakelijkheden door.
Aandachtig bestudeerde hij de verschillende aankondigingen en sprak:
„Ik zal een bezoek gaan brengen aan de Royal Club en ga nu gauw het telegram bezorgen.
„Misschien komt het antwoord nog voordat wij uitgaan.”
Twee uur later kwam het antwoord werkelijk. Het luidde:
„Mr. Webster, Londen.
Reis dadelijk hierheen, breng koopsom mee, daar zeer sterke navraag.”
„All right!” sprak de Groote Onbekende lachend, „wij zullen nog hedenavond met de boot van elf uur naar Calais varen, zoodat wij morgen in den voormiddag in Brussel zijn.” — —
De Koloniale Vereeniging te Brussel bezat een groot, uit zandsteen opgetrokken gebouw, bij welks hoofdingang twee vergulde olifanten in natuurlijke grootte de wacht hielden als een paar reuzenbewakers.
Het was tegen den middag van den volgenden dag, toen John Raffles en Charly Brand, in eenvoudige kleeren gestoken, het gebouw binnentraden.
Beiden zagen er uit als lieden uit den kleinen burgerstand.
Zij moesten bijna een uur wachten, voordat een rijk gegaloneerd bediende hen door een reeks kantoorlokalen naar den directeur der Vereeniging bracht.
John Raffles nam den man met een snellen, scherpen blik op, toen hij het kostbaar ingerichte vertrek binnentrad.
Hij zag voor zich een klein, gezet persoon met slappe, maar brutale gelaatstrekken, wiens dikke lippen zinnelijkheid verrieden. De groote haviksneus daarentegen getuigde van wilskracht en een eigenaardige trek om den mond duidde sluwheid aan.
Door een gouden bril keek de president naar de binnentredenden met halfgesloten oogen.
Een welwillend glimlachje speelde om zijn mond. Met een beschermende handbeweging begroette hij de beide heeren, wees op twee stoelen naast zijn schrijftafel en sprak:
„Treedt nader mijn lieve vrienden en neemt plaats.”
John Raffles lachte in stilte om den zalvenden toon, welken de directeur aansloeg.
„Gij komt waarschijnlijk,” vervolgde hij, „inzake onze nieuwe kolonie en gij wenscht zeker mee te doen aan de uitbreiding der cultuur aldaar. Een hoogstaand en grootsch werk, mijn beste vrienden, dat gij voorstaat.
„Er is niets schooners, dan de zegen der cultuur onder de onbeschaafde zwarten te verbreiden.
„Dit werk der menschlievendheid, dat gij steunt, loont zichzelf op prachtige wijze. Elk pond sterling, dat gij besteedt voor dit doeleinde, vermenigvuldigt zich en brengt u honderden procenten winst op.
„De hemel zegent zijn zendelingen!”
„Amen,” sprak John Raffles tot zichzelf en luid voegde hij er bij:
„Sta mij toe, dat ook ik een paar woorden spreek.”
„Gaarne, mijn vriend.”
„Fijne vriendschap,” dacht Charly Brand, „als de vent eens wist, met wien hij te doen heeft. Ik ben nieuwsgierig, hoe die twee het samen zullen klaarspelen.”
„Zoudt gij mij uw verdere voorwaarden willen meedeelen?” klonk het opnieuw uit Lord Lister’s mond.
„Die zijn heel eenvoudig,” antwoordde de directeur. „Wij verkoopen u een morgen land in onze kolonie, de plek kunt gij zelf uitkiezen, voor vijftig pond sterling. Het is een belachelijk lage prijs voor dezen maagdelijken bodem.
„Hoeveel morgen land wenscht gij, mijn waarde vriend?”
„Voorloopig tien morgen.”
„Hebt gij het geld bij u, dan kunt gij in mijn bureaux dadelijk het verkoopcontract laten opmaken.”
„Ik kan u dadelijk betalen.”
„De zegen van den Allerhoogste leidt uw schreden. Ik houd veel van menschen zooals gij zijt, die een kort besluit nemen en zoodoende het geluk, dat zich voordoet, vasthouden. De hemel zegene u!”
„En jou moge hij bijstaan!” dacht Charly Brand in stilte.
„Welke zijn de verbindingsmiddelen naar deze kolonie, ik bedoel: hoe en langs welken weg kan ik er komen?” vroeg John Raffles.
„Zeer eenvoudig,” antwoordde de directeur der koloniale vereeniging. „Elke veertien dagen zenden wij vanuit Amsterdam met onzen agent op onze eigen stoombooten de kolonisten naar Afrika en wel op onze eigen kosten.
„Alle mogelijke werktuigen, die gij voor den landbouw noodig hebt, ook het vee, dat gij wenscht aan te schaffen, kunt gij bij ons agentschap in Kilambayo, zoo heet onze havenplaats aan de Afrikaansche kust, voor billijke prijzen koopen.”
„Zeer goed,” antwoordde Raffles, „want ik heb mijn hoofd al gebroken met de vraag, op welke wijze ik voor mijn boerderij het benoodigde materiaal naar Afrika zou kunnen overbrengen.”
„Wij zorgen op alle mogelijke manieren voor onze kolonisten en gij krijgt alles van ons: vrije overtocht, vrije kost en het land bijna voor niets. Ik zorg als een vader voor onze kolonisten. Niets ontbreekt hun.”
„Behalve alles!” dacht Charly Brand.
„Ik verzoek u,” sprak Raffles nu, „mij een bewijs te willen geven, dat ik recht heb op tien morgen land en dan ben ik bereid om u vijfhonderd pond sterling te betalen.”
De directeur drukte op den ivoren knop van een electrische bel. Een zijner beambten kwam binnen en bleef met een buiging bij de deur staan.
„Mijn allerbeste secretaris”, sprak de directeur der vereeniging op vaderlijken toon, „hier zijn twee jonge, hoopvolle, dappere en door den zegen des hemels begunstigde nieuwe vrienden van onze kolonie.
„Deze eene heer wenscht tien morgen land te koopen. Maak als ’t u belieft, het stuk van den verkoop in orde en bezorg het overige.”
Hierop vervolgde hij, zich tot John Raffles wendende:
„Ziet gij, mijn waarde vriend, twintig jaar geleden begon ik mijn loopbaan als arm zendeling in Afrika.
„In dit wonderland schenkt de hemel zijn allerbesten zegen aan de armsten zijner kinderen. Gij ziet, tot welke invloedrijke en machtige betrekking ik mij heb opgewerkt.
„Ga ook daarheen en breng het even ver als ik.”
Hij stak Raffles zijn met ringen beladen, vleezige hand toe en zag er uit, alsof hij, evenals de paus, een handkus verwachtte.
Daarop verlieten de nieuwbakken kolonisten de werkkamer van den directeur der koloniale vereeniging.
Toen de groote onbekende een uur later in zijn hotel aankwam, belde hij haastig den kellner en riep dezen toe:
„Whisky en sodawater! Zoo snel als je kunt!”
Nadat de zwartgerokte het gewenschte gebracht had, goot John Raffles, geheel tegen zijn gewoonte in, een glas van den scherpen drank naar binnen, waarna hij Charly Brand de flesch voor hetzelfde doel toeschoof.
„Oef!” zuchtte hij, „deze man is de eerste in mijn leven die op mijn zenuwen heeft gewerkt. Zooveel hemelsche zegen kan er eenvoudig niet bestaan, als waarmee deze kerel om zich heen gooit. Ik zeg je, Charly, die man moet de gemeenste schurk zijn die erop de wereld rondloopt.
„Ik ben alleen maar nieuwsgierig, welke dingen wij in Kilambayo zullen beleven.”
„Het zal ons aan niets ontbreken,” lachte de secretaris, terwijl hij de stem van den directeur der koloniale vereeniging nabootste.
„De hemel zal ons zijn allerbesten zegen schenken en ——”
„Breekijzers en verstand,” viel Raffles hem in de rede, „zullen ons naar Afrika vergezellen.
„Geef mij nog een whisky!”
TWEEDE HOOFDSTUK.
IN KILAMBAYO.
Veertien dagen later traden Raffles en Charly Brand in Amsterdam bij den agent der Belgische koloniale vereeniging binnen, gereed om naar Afrika af te reizen.
Zij werden naar een houten loods geleid, die in den tuin van het gebouw stond.
Hierin bevonden zich reeds verscheiden gezinnen en alleen reizende kolonisten, in het geheel ongeveer veertig personen, die allen den hemelschen zegen deelachtig moesten worden. Zij wachtten reeds twee dagen op het vertrek van de stoomboot.
De agent had hen hier in deze loods, waar het verbazend vuil was, onder dak gebracht.
Op onzindelijke bundels stroo, opeengeperst als een kist Kieler sprot, zelfs zonder de geslachten afzonderlijk te houden, huisden de kolonisten hier.
De agent vertelde, dat de boot eerst den volgenden dag zou vertrekken en bood ook Raffles hier onderdak aan.
„Wij zijn steeds ijverig bezig om voor het welzijn onzer kolonisten te zorgen,” sprak de agent. „Gij behoeft voor het verblijf in deze loods slechts een gulden te betalen, terwijl men in het minste hotel nog het dubbele van dat bedrag eischt.”
„Ik dank u zeer voor uw bemoeiingen, waar het mijn persoon betreft,” antwoordde de groote onbekende.
„Ik ben gewend om mij tegenover iedereen erkentelijk te betuigen, die mij van goeden raad dient en daarom ben ik zoo vrij om u voor de brutaliteit waarmee gij mij een varkensstal voor een gulden als verblijfplaats aanbiedt, den hemelschen zegen voor u in te roepen.”
Voordat de agent wist, wat er met hem gebeurde, had Raffles hem een oorvijg gegeven en zonder zich verder te bekommeren over het verbaasde gelaat van den ander, verliet hij het bureau.
Den volgenden dag om twee uur lag de stoomboot voor het vertrek gereed.
„Een zielverkooper,” fluisterde de Lord tot zijn vriend, toen zij het oude vaartuig bestegen.
„Men zou bang zijn, aan boord van dit wrak het kanaal over te steken, hoeveel te erger is dus een reis naar Afrika. Maar ter wille van het goede doel zullen wij het kalmpjes wagen en ons aan deze halfvergane planken toevertrouwen.”
De agent had uit woede over de oorvijg den kapitein en de bemanning tegen Raffles in het harnas gejaagd.
Het ellendigste verblijf op het schip, een waar rattenhol, werd hun beiden als zoogenaamde hut aangewezen.
Lord Lister keek met een spottend glimlachje in het hok rond en amuseerde zich om Charly Brand die mompelde:
„Zeg, ik wil nog liever elken dag in Londen ruzie hebben en vechten met inspecteur Baxter en door hem worden nagezeten, dan in deze armzalige menschenval naar Afrika te varen.”
„Er zal je niets anders overblijven dan de vaart mee te maken, want de boot is al op weg,” lachte zijn vriend, terwijl zij zich samen naar het dek begaven.
De kust was reeds uit het gezicht verdwenen en de boot bevond zich in volle zee. Nauwelijks was het tweetal eenige oogenblikken boven of de etensbel luidde.
In een laag, onzindelijk vertrek zaten de kolonisten aan houten tafels, waarop kommen stonden en beproefden een slecht riekend, vloeibaar gerecht, dat hun door de matrozen werd gebracht, naar binnen te werken.
Toen een matroos Raffles een dergelijke kom aanbood, sprak deze:
„Hoor eens, boy, hier is vijf shilling, die je kunt verdienen, als je mij het genoegen doet, in mijn plaats deze portie soep op te eten.”
„De matroos wist niet, wat hij zou antwoorden. De vijf shilling had hij o, zoo graag gehad, maar de inhoud van de blikken kom....!”
„Neen, mijnheer,” antwoordde hij na eenige minuten, terwijl hij zich achter het oor krabde, „voor vijf shilling kunt gij dat niet verlangen. Aan dat eten bederf ik voor twee dagen mijn maag.”
„Mooi,” sprak Raffles, „ik houd van een eerlijk antwoord. Hier heb je de vijf shilling en ga nu heen om den kapitein het bocht, dat hierin is, over zijn hoofd leeg te gieten.”
„Mijnheer,” fluisterde de matroos, angstig rondkijkende, „laat de baas u maar niet hooren, hij zou u aan een ketting leggen!”
Raffles lachte en ging naar de kajuit, waar de manschappen hun middagmaal genoten.
„Hier ruikt het fatsoenlijker,” sprak hij tot Charly Brand, die hongerig de lucht van het een of andere gebraad opsnoof.
„Gebraden varkensvleesch!” riep Raffles lachend uit. „Kom, nu gaan wij ook eens kijken, wat de heeren officieren eten.”
Hij ging met zijn vriend verder naar de kleinere eetzaal, waar aan de kapiteinstafel eenige van de beambten der Maatschappij zaten, die door den hofmeester werden bediend.
De kapitein en de officieren keken vol verbazing naar Raffles en Charly Brand, die zonder te vragen aan de tafel plaats namen.
„Eten!” beval Raffles kortaf.
„Voor den duivel!” brulde de kapitein, „je vreten staat beneden, maak dat ge wegkomt!”
John Raffles stond op, ging naar den spreker toe, keek hem met doordringende blikken aan en sprak:
„Gij vergist u, heer kapitein! Want uw matrozen zelf zijn niet in staat, om, zelfs voor vijf shilling, dat „vreten” naar binnen te werken. Zij wagen er hun maag niet aan.
„Ik verlang van u, dat gij mij en mijn reisgezellen spijzen zult laten voorzetten, die geschikt zijn om gegeten te worden door menschen en niet door honden!
„Mocht gij dat niet willen doen dan hebt gij de gevolgen af te wachten.”
De kapitein keek den vermetelen spreker met groote oogen aan.
Iets dergelijks was hem nog niet overkomen.
„Vervloekt!” brulde hij, „wat valt u in, om mij hier aan boord van mijn schip de wetten te willen voorschrijven? Hier ben ik heer en meester en ik beveel, wat gegeten wordt.”
„Gij vergist u,” antwoordde Raffles, „gij kunt uw matrozen en officieren bevelen geven, maar niet ons, passagiers.
„Gij hebt gehoord, welke eischen ik stel en ik verwacht uw antwoord binnen een uur.
„Willigt gij mijn verzoek niet in, dan zal ik uw gedrag aan den eersten Engelschen consul rapporteeren.”
De bedreiging met den Engelschen consul maakte indruk.
Tot dusverre waren als kolonisten slechts Polen, Russen of Duitschers vervoerd, Engelschen waren nog niet naar de kolonie verhuisd.
John Raffles en Charly Brand waren de eerste onderdanen van het Britsche Rijk, die de kapitein naar het andere werelddeel moest overbrengen en hij begreep, dat deze twee hem in moeilijkheden zouden kunnen brengen.
„Het is goed”, mompelde hij, „ik zal opdracht geven aan den hofmeester, dat voor u en uw vriend andere spijzen worden opgediend.”
„Neen,” antwoordde Raffles, „niet alleen voor mij en mijn vriend, maar ook voor mijn reisgenooten. Denk daaraan!
„Verder neem ik aan, dat gij van de maatschappij niet meer dan een vast bedrag ontvangt voor het voedsel der landverhuizers, zoodat gij niet in staat zijt, daarvan mij en mijn lotgenooten een betere tafel te geven en daarom ben ik bereid, honderd pond sterling bij u te deponeeren. Ik geloof wel, dat dit bedrag voldoende is om alle onkosten te bestrijden.”
Dit aanbod van Raffles snoerde den kapitein volkomen den mond.
Geld was ook in dit geval de sleutel, die alle deuren opent.
„Is het eten dan werkelijk zoo slecht?” vroeg de kapitein nu op zeer beleefden toon.
„Overtuig er u zelf van.”
De kapitein liet door een der matrozen een schaal met het door Raffles afgekeurde eten brengen. Toen dit voor hem op tafel stond, sprak Raffles:
„Ik wed om twee flesch champagne, dat gij mij niet kunt vertellen, waaruit die soep bestaat.
„Het kunnen evengoed afgekookte zeilen zijn of houtspaanders of schoenzolen. Blijkbaar bevinden zich de gezamenlijke overblijfselen van de haringen, die de bemanning misschien gisteren heeft gegeten, als heerlijke aanvulling in de soep.
„Misschien zijn gekookte haringkoppen een bijzondere lekkernij in België?”
De kapitein riep een matroos toe:
„Breng den kok bij mij!”
Toen deze verscheen, nam de kapitein de schaal soep op, goot den inhoud over het hoofd van den kok en schreeuwde:
„Vervloekte hond, je schijnt het geld, dat men je geeft om levensmiddelen in te koopen, voor jezelf te gebruiken. Ga dadelijk naar de keuken terug en maak voor de passagiers gebraden varkensvleesch, aardappelen en pruimen gereed. En wee, als ik nog een enkele klacht hoor!”
De kok, die volmaakt onschuldig was, durfde geen antwoord geven en ging heen.
John Raffles echter legde glimlachend tien banknoten van tien pond voor den kapitein neer, welke deze met een grijnslach in zijn broekzak liet verdwijnen.
Vanaf dat oogenblik was alles in de beste orde.
De medereizigers van den grooten onbekende vermoedden niet, dat de persoon, die een wijziging had gebracht in de keukenvoorschriften—en wel tot algemeene tevredenheid—niemand anders was dan John Raffles.
De welwillendheid van den kapitein ging nog verder.
Hij had een dekhut voor Raffles en Charly Brand laten inrichten en beiden waren tevreden. Zij voelden zich zeer behaaglijk, behalve het bewustzijn, zich aan boord van een zoogenaamden „zielenverkooper” te bevinden, die als een volgezogen spons elk oogenblik met man en muis op den bodem der zee kon verdwijnen.
Maar het geluk diende hun, want het was gedurende de geheele reis goed weer. Na drie weken naderde de stoomboot in het vroege morgenuur de plaats van bestemming.
Gewapend met een verrekijker stond John Raffles op het dek en bestudeerde de kust, die als een door de zon verbrande, boomlooze gele streep in onafzienbare uitgestrektheid voor hem lag.
„Ik geef je honderd pond sterling,” sprak de groote onbekende tot Charly Brand, „als je mij daar ginds ergens een groen plekje kunt aanwijzen, waar, zooals de directeur van de koloniale vereeniging in zijn prospectus beweert, tienmaal per jaar wordt geoogst.”
Voordat zij aan land gingen, kwam de kapitein, met wien Raffles gedurende de reis nader bevriend was geworden en die in zijn hart een wel is waar ruwe, maar toch goedhartige zeeman was, naar hem toe en klopte hem op den schouder.
„Wilt gij werkelijk aan land gaan, mr. Webster?”
„Ja zeker, kapitein, waarom niet? Ik ben blij, dat ik het oude wrak kan verlaten.”
„Daar hebt gij gelijk in”, antwoordde de kapitein. „De oude kast is voor mij ook geen al te prettig verblijf!
„Maar als gij vierentwintig uur aan land zijt, aan deze kust, die door God en de menschen is verlaten, dan zult gij hartelijk blij zijn, als gij uw voeten weer aan boord kunt zetten van dezen teringachtigen romp, om Afrika weer den rug toe te draaien.”
„Ik wil het toch probeeren”, antwoordde Raffles, „de bodem kan toch niet overal in een dergelijken toestand zijn als hier aan de kust.”
De kapitein lachte even.
„Het is de tiende reis, die ik nu maak en telkenmale bracht ik een vijftigtal kolonisten naar deze havenplaats.
„Geen enkelen heb ik tot dusverre teruggezien. De duivel mag weten, wat er van hen geworden is.”
„Wij zullen elkaar terugzien!” antwoordde Raffles.
„Ik wensch u het beste, sir. En luister naar een goeden raad: volg niet de beambten der maatschappij, die met ons mee zijn gekomen. Dat zijn letterlijk doodgravers!”
Des middags betraden de Groote Onbekende en zijn vriend den Afrikaanschen bodem.
De havenplaats Kilambayo bestond uit eenige barakken met zinken golfbedekking en een dozijn vuile, verwaarloosde negerhutten.
John Raffles richtte zijn schreden naar een der eerste, waarop de particuliere vlag van de koloniale vereeniging was geheschen en boven welks deur het opschrift prijkte:
„Hotel de Directeur der Koloniale Vereeniging”.
Daaronder bevond zich een klein schild, dat nog vermeldde:
„Deftig verblijf voor alle reizigers”.
Het meubilair van dit „deftige verblijf” was gemaakt van tonnen en ledige kisten en een dikke, oude negerin, de eigenares van het hotel, begroette Raffles op vertrouwelijke wijze, terwijl zij hem dadelijk een groot glas brandewijn als welkomstdronk aanbood.
De groote onbekende bedankte evenwel met beleefde woorden voor den drank en vroeg, of hij een kamer kon krijgen voor zich zelf en zijn vriend.
Een dergelijke vraag scheen de eigenares van het hotel nog nooit te hebben gehoord.
Toen Raffles zijn woorden herhaalde, antwoordde zij met een vriendelijk glimlachje:
„O, mijnheer, wij slapen allen bij elkaar.”
„Heel netjes,” lachte Raffles, die pleizier begon te krijgen in het geval. „Wijs mij dan maar eens waar men kan slapen.”
„Heel eenvoudig”, grijnslachte de oude negerin, „ik heb hangmatten, worden deze opgehangen aan haken en mijnheer slapen als God in Frankrijk.”
Deze verklaring stelde Raffles volkomen tevreden.
„Kosten vijf gulden per dag,” voegde de negerin er nog aan toe.
Nu moesten Raffles en Charly Brand hartelijk lachen.
Voor dezen zelfden prijs hadden zij steeds in een Londensch hotel een kamer, naar de eischen des tijds ingericht, met badkamer gehad.
Vanuit het „hotel” begaf Raffles zich naar den agent der Maatschappij.
Maar deze was door de beide beambten van de Vereeniging die met de stoomboot waren meegekomen, omtrent de twee Engelschen ingelicht en Raffles vond hem dus niet.
Alleen een kleurling, de zoon van een blanke en van een negerin, die in dienst was van de vereeniging, vroeg Raffles, wat deze wenschte.
„Ik wilde landbouwwerktuigen en vee koopen. Men vertelde mij in Brussel, dat ik dit hier allemaal zou kunnen krijgen.”
De kleurling staarde Raffles aan, alsof deze krankzinnig was.
Hij had in zijn geheele leven nog nimmer van landbouwwerktuigen of vee hooren spreken, dat hier te koop zou zijn.
Hieruit bleek dus al dadelijk, dat de directeur der maatschappij met den zegen des hemels in zijn mond schandelijk had gelogen.
Raffles dacht na, wat hem nu te doen stond.
Bijna twee uur lang zat hij stil en peinzend aan het strand naar de branding te kijken.
Op eenigen afstand van hem waren kolonisten druk bezig, van kisten en dekens een zeer primitief nachtverblijf in elkaar te zetten.
De vrouwen en kinderen, die mee waren gekomen naar het vreemde werelddeel, jammerden en klaagden en zelfs de mannen zagen in, dat zij in een wanhopigen toestand verkeerden.
De agenten hadden getracht, hen gerust te stellen en verteld, dat zij den volgenden dag verder het land in gebracht zouden worden.
In een land, vanwaar nog geen enkele kolonist, zooals de kapitein had gezegd, was teruggekomen!
Tegen den avond gelukte het Raffles eindelijk, den agent der Vereeniging, een ouden, doorloopend beschonken Portugees, te spreken te krijgen.
Met veel moeite kon hij zich tegenover den stomdronken kerel verstaanbaar maken en een paard van hem koopen.
Den volgenden dag begaf Raffles zich in het kamp der kolonisten, riep de ongelukkigen bijeen en sprak tot hen:
„Ik hoop, dat gij allen hebt begrepen, te zijn overgeleverd aan het noodlot. Een wisse ondergang wacht ons, want de Maatschappij heeft ons op schandelijke wijze bedrogen.
„Pas op twee dagreizen afstands van hier bevindt zich land, dat voor bebouwing geschikt is, doch dat noch aan ons, noch aan eenigen Europeaan toebehoort.
„Mocht gij u daarheen begeven, dan zouden wilde volkeren u vermoorden.
„Luistert dus naar mijn voorstel.
„Ik koop het land, dat gij meendet te bezitten, van u en neem eenige mannen als arbeiders met mij mede. Deze moeten mij gedurende een paar dagen op een onderzoekingstocht vergezellen en later breng ik u allen naar Europa terug.”
De ongelukkigen wisten niet, op welke wijze zij uiting zouden geven aan hun vreugde.
Charly Brand echter meende dezen keer werkelijk, dat zijn vriend krankzinnig was.
„Maar wat wil je hier in deze door God verlaten streek uitvoeren? Je hebt immers zelf van den kapitein gehoord en van de oude negerin in het hotel, dat, zoover de kolonie zich uitstrekt, niets te vinden is als steenen en zand.”
Lord Lister lachte en antwoordde niet.
Den volgenden morgen begaf hij zich in Zuidelijke richting op weg met een kleine karavaan van kolonisten en vergezeld door gehuwde negers, die water en eetwaren droegen.
Twee dagen lang bleef hij, tot groote verbazing der beambten van de kolonie, met zijn kleine karavaan weg uit Kilambayo.
Hetgeen hij vond, was precies zooals hij het zich had gedacht.
Een brandend heete steenbodem en woest land, dat was de vruchtbare grond, die door den directeur der Koloniale Vereeniging zoozeer was opgehemeld.
Men moest ver naar het binnenland om, geheel afgesloten en zonder een enkele verbinding met de kust, land te vinden, dat voor den akkerbouw geschikt was.
Dit grondgebied behoorde echter niet aan de kolonie.
Wilde negerstammen waren de eigenaren ervan en door hun bijlen en zwaarden waren de kolonisten, die tot dusverre steeds door de beambten der Vereeniging daarheen waren gebracht, vermoord.
De gewetenlooze schurken deelden dan de eigendommen en bezittingen der arme slachtoffers met de opperhoofden der negers, aan wie zij de Europeanen hadden overgeleverd.
Raffles vond op zijn onderzoekingstocht de beenderen van de vermoorden in het zand liggen.
Drie dagen later maakte het stoomschip zich gereed voor de terugreis naar Europa, nadat eerst eenige goederen, ivoor en gummi, waren ingeladen en de noodige kolenvoorraad was opgedaan.
Kort voor de afreis kwam Raffles aan boord en sprak:
„Kapitein, ik neem passage voor mij en mijn vriend tot aan de eerste Spaansche havenplaats.”
De kapitein was oprecht verheugd.
„Ik ben blij, dat gij verstandig zijt geworden. Waarlijk, het zou mij ook hebben verbaasd, als gij zoo dom waart geweest om in deze zandwoestijn te blijven.”
De kolonisten, die genoeg geld hadden, nu zij hun land aan Raffles hadden verkocht, wilden eveneens met de stoomboot terugreizen.
Maar de kapitein, die niet genoeg proviand aan boord had, moest hun verzoek weigeren en Raffles beloofde hun, een Engelsch stoomschip te zullen zenden.
Raffles was van de geheele strook land langs de kust tot aan de grens van Duitsch-Zuid-West-Afrika, door aankoop van de landverhuizers, eigenaar geworden en had overal kleine bordjes laten plaatsen met zijn naam.
Hij merkte zeer goed de hoonende gezichten van de beambten, toen zij zagen, dat hij bezit nam van het land. Zij amuseerden zich nog meer, toen Raffles hun vertelde, dat hij in Spanje vee en landbouwwerktuigen wilde gaan koopen.
„Waarschijnlijk”, zoo spotten zij, „wil die gekke Engelschman zijn vee met steenen voeden en het droge zand gaan ploegen.
„De man heeft het „spleen”, het is hem door de warmte in de hersens geslagen—”
Veertien dagen later landde Raffles in Spanje en nam afscheid van den kapitein.
Hij vermoedde niet, dat hij noch hem, noch een enkele plank van het schip zou terugzien.
Een storm op de Noordzee deed een week later de stoomboot der kolonie met man en muis vergaan.
Raffles dacht er echter niet aan, om in Spanje vee en landbouwbenoodigdheden te koopen. Met de eerst-vertrekkende Engelsche passagiersboot voer hij naar Southampton en een week later kwam hij weer in Engeland terug.
Charly Brand dacht, dat hiermede de reis naar Afrika was afgedaan.
Maar hoe verbaasd was hij, toen zijn vriend, nauwelijks aan land zijnde, tot hem sprak:
„Over een week hoop ik naar Kilambayo terug te keeren.”
„Dan alsjeblieft zonder mij”, antwoordde Charly Brand,
„Dat laat ik aan jezelf over”, lachte Raffles, „maar ik geloof, dat je door niet mee te gaan, een groot genoegen zoudt missen.”
„Mooi genoegen!” dacht Charly Brand.
DERDE HOOFDSTUK.
DE „STRONG-ROOM”.
Het was de volgende morgen; de beide vrienden zaten aan de ontbijttafel de couranten te lezen.
„Dat treft uitstekend”, sprak Raffles, „ik lees daar juist, dat hedenavond Mr. Sullivan, de bekende eigenaar van de Afrikaansche diamantvelden, een groote partij geeft. Ik ben van plan, eens kennis met hem te gaan maken.”
„Diamanten?” vroeg Charly Brand.
„Goed geraden”, antwoordde Raffles, „ja, ik heb edelgesteenten noodig en hoop, die bij Mr. Sullivan te krijgen.”
„Koopen?”
„Heb je wel eens hooren spreken over de gepantserde schatkamer van den diamantenkoning? Van de zoogenaamde strong-room?”
„Jawel, ik heb er weliswaar nooit over hooren spreken, doch las er onlangs een uitvoerig artikel over in een of ander tijdschrift. Die schatkamer moet steviger en solider gebouwd zijn dan een pantsertoren op onze oorlogsschepen.”
„Ik wil mij daarvan eens gaan overtuigen en de strong-room van Mr. Sullivan met een bezoek vereeren.”
„Jij wilt onmogelijke dingen gaan ondernemen.”
„Onmogelijkheden bestaan er niet in de wereld, behalve een doode weer levend te maken.”
„Ik las in het tijdschrift”, sprak Charly Brand, „dat deze zoogenaamde strong-room van Mr. Sullivan een meesterstuk van moderne techniek moet zijn. Deze brandkast schijnt eenig in zijn soort.”
„Des te meer lust heb ik om mijn plan te gaan uitvoeren.”
„In het tijdschrift las ik ook, dat er verschillende proeven zijn genomen om de soliditeit der gepantserde wanden van het vertrek te probeeren.
„Verschillende ingenieurs zijn bij de zaak betrokken geweest, doch geen hunner is het gelukt, ondanks alle moderne hulpmiddelen die zij hebben aangewend, om na twee dagen van inspanning meer dan een onmogelijk klein gedeelte van de pantserplaten los te werken.”
„Je vergeet, mijn lieve Charly, dat ik geen ingenieur ben, maar Raffles. Ik hoop het met de strong-room in twee uur klaar gespeeld te hebben.”
„Alle mogelijke moderne ontploffingsmiddelen hebben zelfs geen uitwerking gehad op de harde pantserplaten.
„Wat ben jij dan van plan te doen?”
Raffles lachte vroolijk.
Hij ging vlak bij Charly staan, keek hem scherp in de oogen en sprak:
„Weet je, oude jongen, wat een veel grooter kracht bezit dan nitro-glycerine, menoliet, dynamiet of andere ontploffingsmiddelen?”
Charly Brand dacht eenige oogenblikken na, doch schudde daarna ontkennend het hoofd en antwoordde:
„Ik zou werkelijk geen enkel middel weten, wat nog krachtiger werkt.”
„Maar ik”, lachte Raffles, terwijl hij zijn hand op Charly’s schouder legde.
„En dat is?”
Raffles tikte even zijn slanke, goedverzorgde hand tegen zijn voorhoofd en antwoordde;
„Hier, in de hersens schuilt die kracht: het menschelijk vernuft!”
De secretaris keek zijn vriend verrast aan.
„Je hebt gelijk”, sprak hij, „je hersens hebben inderdaad reeds werken uitgevoerd, waarbij de sterkste pantserplaten en de zwaarste sloten als sneeuw voor de zon verdwenen.”
„En die kracht zal mij helpen om de strong-room van den diamantkoning te openen.”
Mr. Sullivan stond in Londen bekend als een der rijkste en aanzienlijkste ingezetenen.
De feesten en partijen, die hij de Engelsche gezelschapswereld aanbood, vormden het glanspunt van het seizoen.
Hij had zijn rijkdommen te danken aan zijn diamantmijnen in Zuid-Afrika, waarin een jaar geleden de grootste diamant der wereld, de zoogenaamde Cullinan, was gevonden.
John Raffles had zich toegang weten te verschaffen in het gezelschap onder den naam van een zekeren Lord Melbourne.
Hij had zich op meesterlijke wijze vermomd als een zestigjarig heer en hij wist door zijn zeker en beschaafd optreden zoowel de bedienden als de gasten van Mr. Sullivan te doen gelooven, dat hij een intiem vriend van den huize was.
Hij bevond zich reeds een uur lang te midden der gasten, toen hij zich aan Mr. Sullivan voorstelde.
„Ik was zoo vrij”, sprak Raffles „hedenavond uw salons te bezoeken; hoewel ik geen uitnoodiging bezat, omdat ik op deze ongegeneerde wijze kennis met u kon maken.
„Ik ben eerst gisteren uit Indië teruggekeerd.”
Mr. Sullivan keek eerst met eenigen argwaan naar den hem onbekenden gast, maar omdat de naam en titel, welke Raffles had aangenomen, tot de beste van de Londensche wereld behoorden, verdween die argwaan spoedig en hij antwoordde op hoffelijken toon:
„Ik hoop, dat het u bij mij zal bevallen en ik verzoek u vriendelijk, mij in de gelegenheid te willen stellen, mijn opwachting bij u te mogen komen maken. Dit zal voor mij een groote eer en genoegen zijn.”
De beide heeren reikten elkaar de hand en Raffles kon zich nu vrij en ongestoord door de met vorstelijke pracht ingerichte zalen bewegen.
Tevergeefs trachtte hij uit te vinden, waar zich de strong-room bevond.
Het gelukte Raffles, om tot de werkkamer van den diamanthandelaar door te dringen, doch het was hem niet mogelijk, het geheim van de gepantserde schatkamer te ontdekken.
Waar kon zich de strong-room bevinden.
Het bezoek van Raffles bij den diamanthandelaar had geen resultaat.
Dit was de eerste keer in zijn leven, dat de Groote Onbekende zijn doel niet bereikte.
Een jaar geleden was in verschillende couranten en tijdschriften de strong-room van den diamanthandelaar beschreven.
Armoursche pantserplaten van tien duim dikte vormden de wanden van het vertrek. Een netwerk van electrische draden omgaf het geheel en alles, wat menschelijk vernuft slechts had kunnen uitdenken, was ter beveiliging aangewend voor deze schatkamer, die juweelen van ongekende waarde bevatte.
„Ik moet te weten komen, waar zich de strong-room bevindt, het moge kosten wat het wil”, zei Raffles den volgenden morgen tot zijn vriend en secretaris Charly.
Deze haalde zijn schouders op.
„Ik denk, dat je jezelf een onuitvoerbare taak hebt gesteld.”
„Er bestaat niets, dat onuitvoerbaar is, laat mij kalm nadenken wat ik kan doen.”
„Ik begrijp niet met welke bedoeling je de bewaarplaats der diamanten wilt ontdekken.”
Raffles lachte vroolijk.
„Ik begrijp je in ’t geheel niet in den laatsten tijd. Sinds twee dagen zijn wij uit Afrika terug zonder iets anders bereikt te hebben, dan dat jij meerdere morgen woesten grond hebt gekocht, wat ik voor totaal nutteloos houd.
„Nu houd je je er mee bezig om te ontdekken waar zich de strong-room van den diamantkoning bevindt, die, naar algemeen bekend is, hechter moet zijn dan de Tower.
„Ik geloof, dat alle moeite, die je je geeft, doelloos is. Je kunt op veel gemakkelijker manier in het bezit komen van diamanten.”
„Dat begrijp je niet, mijn jongen. De diamanten, die ik wil hebben, zijn alleen te vinden bij Mr. Sullivan. Geen enkele handelaar zou ze mij kunnen leveren”, klonk het met doodelijke kalmte uit den mond van Raffles.
„Je spreekt in raadselen!”
„In het geheel niet. Je zult de oplossing gauw genoeg vernemen.”
„Het is mogelijk. Maar ik dacht, dat het voor jou, de ongehoorde moeite die het kost om in de strong-room te komen, in aanmerking genomen, veel gemakkelijker zou zijn om in de Engelsche Bank binnen te dringen.”
„De Engelsche Bank kan mij niet verschaffen wat ik noodig heb. Ik heb diamanten noodig. En wel een bijzonder soort diamanten.”
Raffles stak een sigaret aan en ging uit.
Een uur later overhandigde de bediende van den diamantkoning dezen een kaartje met den naam:
Lord Robert Melbourne.
en eenige minuten later trad Raffles als Lord Melbourne de werkkamer van den diamanthandelaar binnen.
Nadat de beide heeren elkaar hadden begroet en de gebruikelijke beleefdheidswoorden hadden gewisseld, sprak Raffles:
„Ik ben van plan om van u uit de eerste hand eenige diamanten te koopen.”
„Het spijt mij”, antwoordde Mr. Sullivan, „ik verkoop zelfs aan den Koning niet uit de eerste hand. Dat is een onomstootelijke voorwaarde, die ik met de Engelsche juweelenhandelaars ben overeengekomen.”
John Raffles keek met een blik vol teleurstelling den heer Sullivan aan.
„Dat is jammer”, sprak hij, „ik meende bij u iets buitengewoon fraais te zullen krijgen. Met dit speciale doel zocht ik persoonlijk kennis met u te maken.”
„Het spijt mij”, herhaalde de diamanthandelaar nogmaals, „ik moet als koopman trouw blijven aan mijn principes.”
Raffles wilde opstaan, om na een beleefde buiging den diamantkoning te verlaten, toen juist de oudste bediende binnentrad en zijn chef iets meedeelde.
„Het is goed”, antwoordde de diamanthandelaar, „ik zal u de steenen dadelijk geven. Wacht maar een oogenblik.”
„Ik houd veel van diamanten, vooral van steenen van buitengewone grootte”, sprak Raffles, „maar gij staat het zeker niet toe, dat ik uw schatten eens zou mogen bewonderen?”
De Groote Onbekende zag duidelijk, hoe de diamanthandelaar eenige oogenblikken nadacht en een blik wisselde met zijn bediende.
„Om u de waarheid te zeggen, Uw Lordschap”, sprak Sullivan op beleefden toon, „is het in strijd met mijn principes om iemand mijn diamanten te laten zien, maar daar ik u tot mijn spijt reeds een verzoek heb moeten weigeren, wil ik mij gaarne revancheeren en u bij groote uitzondering toestaan, mij in mijn strong-room te vergezellen.”
„Gij doet mij een onuitsprekelijk genoegen”, antwoordde Raffles met heimelijken triomf.
„Er zijn slechts weinig menschen in de wereld, die ik een dergelijk verzoek inwillig.
„De laatste persoon, die mij in de strong-room vergezelde, was de Koning zelf.”
„Des te meer stel ik de groote eer op prijs. Ik heb eenige maanden geleden een beschrijving gelezen van de fabelachtige rijkdommen uwer schatkamer en ook las ik omtrent de veiligheidsmaatregelen, die gij hebt getroffen.”
„Gij zijt goed onderricht. Geen mensch kan, behalve in mijn tegenwoordigheid, de schatkamer binnenkomen. Zelfs niet al was hij in het bezit van mijn sleutel, want ik zelf alleen ken het geheime woord, waarop ik het slot heb gesteld.”
„Pardon heeren”, waagde de nog steeds wachtende bediende het op te merken, „onze klant wacht en hij verzocht mij, hem zoo spoedig mogelijk het gevraagde te willen geven.”
„Ja zeker, dadelijk!” antwoordde de diamanthandelaar, terwijl hij uit zijn stoel opstond.
Mr. Sullivan ging nu naar den muur tegenover de schrijftafel en drukte op een geheim knopje, dat naast een zware boekenkast was aangebracht.
Een onzichtbare machinerie werd door electrisch contact in werking gesteld en de muur draaide open.
Raffles kon een blik werpen in een lange gang die zich achter de boekenkast bevond. Electrische gloeilampjes wierpen hun licht van de zoldering neer.
Mr. Sullivan verzocht Raffles nu, hem te willen volgen.
De lucht in de gang was ijskoud.
De groote onbekende bemerkte bij het voortgaan, dat de gang als een slakkenhuis langzaam naar beneden liep.
Eindelijk bleef de diamanthandelaar voor een deur staan, die met staal was beslagen en sloot deze open.
Beide heeren traden een groot vertrek binnen, in welks midden zich een waterbassin van vierkanten vorm en tien meter middellijn bevond.
Rondom het bassin liep een steenen gang van twee meters breedte.
Het was ook hier ijskoud.
„Wij bevinden ons nu vijftien meter lager dan mijn huis,” verklaarde mr. Sullivan. „Nu moeten wij eerst eenige minuten wachten, voordat het water is weggeloopen.”
De diamanthandelaar ging naar een, voor elken oningewijde onzichtbaren hefboom, die op heel vernuftige wijze in den muur was aangebracht en draaide dezen naar rechts.
In het waterbassin moest hierdoor het ventiel van een afvoerbuis zijn geopend, want Raffles zag, hoe de waterspiegel onmiddellijk begon te dalen en hoe de inhoud van het bassin met elke seconde minder werd.
Tegelijkertijd werd een onderaardsch gebruisch vernomen.
„Het water vloeit regelrecht in de Theems uit,” sprak mr. Sullivan, „ziet gij, nu duikt mijn strong-room in de diepte op.”
In het midden van het bassin verhief zich in de diepte een uit granietsteenen opgetrokken bouwwerk.
Het was omgeven door een netwerk van zwarte draden, zoodat het er uitzag, alsof er een vischnet over was uitgespreid.
Aan de eene zijde van het bassin voerde een kleine steenen trap naar beneden en mr. Sullivan ging Raffles voor naar den nu geheel drooggeloopen bodem.
Tevergeefs zocht Raffles met de oogen naar een deur of anderen ingang.
Weer zag hij, hoe mr. Sullivan op zij van het bassin een hevel neerdrukte.
Voor Raffles verbaasde blikken zonk een der granietwanden van het bouwwerk geruischloos in de diepte en twee groote stalen deuren toonden aan, waar zich de ingang naar de schatkamer van den diamantenkoning bevond.
„Ik heb heden,” sprak mr. Sullivan, terwijl hij bezig was met het platte slot, waaraan een alphabet was aangebracht, „het hoofdslot op den naam Victoria gesteld. Ik moet dus de letters V-i-c-t-o-r-i-a neerdrukken, voordat ik met mijn sleutels de deur kan openen.
„Terwijl ik nu het slot open, weerklinken in mijn kantoren, waar mijn beambten zich bevinden en ook op de naastbijgelegen politieposten alarmsignalen. Wij moeten dus telkenmale, voordat ik mijn schatkamer binnenga, al die aangeslotenen telephonisch op de hoogte stellen.”
„Kolossaal!” riep Raffles uit, „ik denk, dat, waar het uw strong-room betreft, zelfs de geniale Raffles tevergeefs zijn kunsten zou beproeven!”
„Zeer zeker,” lachte mr. Sullivan, „ik zou elke weddenschap met hem durven aangaan, dat het hem niet zou gelukken, hier binnen te komen.”
Op dit oogenblik ging de deur open.
Electrische lampen verlichtten het inwendige van de schatkamer en werden door de blauwglanzende stalen wanden weerkaatst
In glazen kasten, welke op tafels stonden, lagen de kostbare, zeldzame steenen, om wier bezit reeds zoo oneindig veel misdaden werden gepleegd.
Hier lagen juweelen, zooals een koningin ze zich niet schooner kon denken, steenen van wonderbaarlijken glans en schitterende kleuren.
Het was een onschatbare rijkdom.
Mr. Sullivan opende een der glazen kasten en nam er een aantal steenen uit, welke aan den klant, die in het bureau wachtte, moesten worden ter hand gesteld.
„Wat zijn dit voor merkwaardige steenen?” vroeg Raffles, terwijl hij op eenige zakken wees, waarin bruingrijze of bijna zwarte steenen lagen, zoo groot als erwten of boonen.
„Dat zijn diamanten!” antwoordde mr. Sullivan, „steenen, welke nog niet geslepen zijn. De allerkleinste steenen bewaar ik bijna als waardelooze dingen in deze zakken.”
Hij wees naar twee, in een hoek staande, boordevolle zakken.
„Bijzonder interessant,” sprak Raffles, „maar veel interessanter dan alle steenen vind ik de op meesterlijke wijze ingerichte en zoo goed beveiligde schatkamer. Dat is eenvoudig een wonder van menschelijk vernuft. Is dat uw eigen vinding?”
Raffles wist, dat het werkelijk het origineele idee van den juweelenhandelaar was. Hij had dit in de courant gelezen.
Evenals alle menschen had ook mr. Sullivan zijn zwakke zijde en wel zijn trots op de strong-room.
Hij glimlachte met eenige zelfingenomenheid, toen hij antwoordde:
„Jawel, uw Lordschap, het is geheel mijn eigen vinding!”
Samen verlieten zij nu het verblijf en toen de diamanthandelaar het slot op bepaalde letters wilde stellen, sprak de pseudo-Lord:
„Sta mij toe, dat ik eens kijk en laat mij, als het u belieft, eens zien, hoe gij het slot stelt. Hoe zoudt gij het vinden om den naam Raffles eens te gebruiken?”
De diamanthandelaar glimlachte om dit grappige voorstel en voldeed met groote welwillendheid aan het verzoek van Lord Melbourne.
Daarop ging mr. Sullivan weer naar den hevel, die zich aan een der wanden van het bassin bevond.
Bijna geluidloos kwam de zware, massieve granieten muur uit de diepte te voorschijn om de met stalen, platen gepantserde deur tegen het water te beschermen. Daarop gingen beide heeren langs de kleine steenen trap naar boven.
De diamantkoning drukte op den kleinen hefboom en onmiddellijk drong met kracht het water het bassin binnen om het tot den rand te vullen.
Bijna een half uur was met dit alles voorbijgegaan, toen zij de studeer- en werkkamer van mr. Sullivan weer binnenkwamen.
„Het is intusschen laat geworden,” sprak deze tot Raffles, terwijl hij een blik wierp op zijn horloge, „ik ben van plan, met den trein van drie uur naar Brighton te reizen.”
„Zoo?” antwoordde Raffles, schijnbaar zeer onverschillig. „Ik ben dikwijls in Brighton en logeer er meestal in Hotel Continental.”
„Ik ook,” antwoordde mr. Sullivan, „het is het beste en geriefelijkst ingerichte hotel daar. Ik blijf twee dagen weg, om eens andere en zuiverder lucht in te ademen dan de Londensche. Daarna hoop ik de eer te hebben, u weer eens bij mij te zien.”
Zij gaven elkaar een hand tot afscheid en Raffles ging naar huis.
Hij moest nu in de eerste plaats in het bezit trachten te komen van den sleutel der strong-room, om zoodoende in de schatkamer te kunnen binnendringen.
Twee dagen had hij hiervoor, want slechts gedurende dat tijdsverloop kende hij het geheime woord van het letterslot.
Maar tevergeefs pijnigde hij zijn hersens, hoe hij dit ten uitvoer zou brengen.
Mr. Sullivan was een uiterst voorzichtig man.
Het zou niet gemakkelijk zijn, hem den sleutel onderweg afhandig te maken op de manier van een zakkenroller.
Hij moest er iets anders op vinden.
Nog een keer een bezoek te brengen aan mr. Sullivan, zou opvallend zijn en argwaan wekken.
En bovendien vertrok de diamantkoning binnen een uur naar Brighton.
Raffles, die te voet naar huis terugkeerde, sloeg zich bij deze gedachte met de vlakke hand tegen het voorhoofd, terwijl hij tot zichzelf sprak:
„Juist, dat is het! Brighton!”
Haastig nam hij een rijtuig, om den verderen weg sneller af te leggen.
Hij gunde zich, daar aangekomen, nauwelijks den tijd om met Charly Brand het allernoodigste te bespreken.
Binnen een kwartier had hij het uiterlijk aangenomen van een voornaam, jong koopman, terwijl Charly Brand zich als diens bediende had verkleed.
Zij haalden nog juist den luxetrein naar Brighton, dien men van het eene eind naar het andere kon doorwandelen, omdat zij slechts één klasse bevatte.
In een der afdeelingen ontdekte Raffles den door hem gezochten diamantkoning.
Om zich te overtuigen, of deze hem herkende, ging hij lang tegenover hem zitten.
Met onverschillige blikken keek mr. Sullivan hem aan.
Niets duidde aan, dat de voorname koopman eenigen achterdocht koesterde.
Eenige uren later betrad de diamantkoning de vestibule van Hotel Continental te Brighton en kreeg van den portier de sleutels van kamers 106 en 107.
Het was even voor zes uur.
Dadelijk na hem was Raffles binnengekomen en had in een der zetels, die in de vestibule stonden, plaats genomen, waar hij zich in lectuur verdiepte.
Niemand lette op hem, ieder meende, een gast van het hotel voor zich te hebben.
Mr. Sullivan hield zich niet lang in zijn kamers op, maar verliet ze spoedig weer om een wandeling langs het strand te maken.
Raffles zag, hoe hij den portier de sleutels van zijn kamers gaf, welke deze op de hiervoor bestemde plaats hing.
Een half uur later werd de dagportier door den nachtportier afgelost.
Hierop had Raffles gewacht.
Nauwelijks was de eerste heengegaan, of Raffles naderde met onverschillig uiterlijk den nachtbeambte en sprak:
„106 en 107!”
Zonder aarzelen overhandigde de portier het gevraagde en Raffles begaf zich naar de kamers van mr. Sullivan.
Slechts eenige oogenblikken hield hij zich daar op.
Op het nachttafeltje vond hij den sleutelbos in een leeren taschje.
Haastig zocht hij den sleutel van de strong-room.
Door den eigenaardigen vorm, welken deze had, herkende hij hem dadelijk en na hem van den ring te hebben gehaakt, stak hij hem bij zich.
Al het andere liet Raffles onaangeroerd.
Slechts eenige minuten duurde zijn oponthoud.
Weer begaf hij zich naar den nachtportier, gaf dezen de sleutels terug en verliet het hotel.
Op korten afstand van het gebouw passeerde hij mr. Sullivan.
Raffles herademde, toen hij bedacht, dat het weinig had gescheeld, of hij was door den diamantkoning op heeterdaad betrapt.
VIERDE HOOFDSTUK.
EEN ZELDZAME DIEFSTAL.
Aan het station wachtte Charly Brand op hem en beiden stegen in den trein, die even over zevenen naar Londen terugkeerde.
De secretaris vermoedde niet, met welk doel de reis naar Brighton was ondernomen geworden.
Hij had den indruk gekregen, alsof Raffles den laatsten tijd in volslagen zenuwachtigheid handelde.
Hoe verbaasd was hij echter, toen zijn vriend bij aankomst in Londen—het was tegen elf uur ’s avonds—niet direct naar huis reed, maar een restaurant ging bezoeken.
Stilzwijgend gebruikte Raffles hier met Charly Brand een laat souper, betaalde en liep naast zijn secretaris door de nachtelijke straten.
Na een wandeling van een uur, het was één uur na middernacht, bleef hij voor het huis van mr. Sullivan staan.
„Wat wil je hier?” fluisterde Charly Brand, toen Raffles een raam van de benedenverdieping openmaakte en Charly Brand beduidde, hem te volgen.
„In dit huis bevindt zich de strong-room,” was het eenige antwoord, dat hij kreeg.
„Je hebt echter geen hand werktuigen bij je.”
„Zeer zeker,” lachte Raffles, „ik heb alles bij me, wat ik noodig heb. Doch spreek niet meer, wat ik je verzoeken mag. Volg me en bewaar het stilzwijgen.”
Voorzichtig, ieder geruisch zorgvuldig vermijdend, sloop het tweetal over de trappen naar de werkkamer van mr. Sullivan.
Zeer gemakkelijk opende Raffles de deur, die toegang gaf tot het vertrek; hij begaf zich naar den muur tegenover de boekenkast, drukte op het geheime knopje dat zich naast de massieve kast bevond, en onmiddellijk draaide de muur, door het electrisch contact, dat nu werd gemaakt, open.
De lange gang lag voor hen en ze ademden de ijskoude lucht in, die hier hing. Zij volgden de gang, die langzaam naar beneden liep, en na eenige minuten bevonden Raffles en Charly Brand zich in het geheimzinnig onderaardsch verblijf.
Raffles drukte op den hevel, die aan een der muren was aangebracht, het water vloeide uit het bassin en de schatkamer vertoonde zich aan hunne blikken.
Nu kwam echter het moeilijkste.
De groote onbekende moest, om veilig verder te kunnen werken, de geleidingen doorsnijden, die de strong-room als een spinnewiel omgaven, en die, zoodra het slot geopend zou worden, door electrische bellen de politie zouden waarschuwen.
Zooals het meermalen gaat bij het uitvoeren van groote werken: bij de constructie van dezen veiligheidsmaatregel was de technische kennis der makers niet geheel toereikend geweest.
Het was onmogelijk geweest om de draden door de granietplaten en gepantserde muren onzichtbaar aan te leggen.
Spoedig had Raffles de geleidingen ontdekt en met een scherp mes sneed hij de draden door.
Nu was elk gevaar voor hem uit den weg geruimd.
Hij lachte hartelijk, toen hij het slot opende, dat op zijn eigen voorstel op den naam Raffles was gesteld.
Charly Brand was sprakeloos van verbazing, toen hij dit alles zag gebeuren.
Het geheele geval kwam hem voor als een droom of als een episode uit een der sprookjes van „Duizend en één nacht”.
Raffles kwam hem niet meer voor als een mensch, maar als een machtig toovenaar, begaafd met geheimzinnige krachten.
Een kreet van bewondering ontsnapte aan Charly’s lippen.
Voor hem lag in het licht van verscheiden electrische lampen, de beroemde schatkamer van den diamantkoning.
In duizenden kleuren fonkelden en schitterden de kostbaarste steenen der wereld in hun glazen vitrines. Het was een oogverblindend schouwspel.
Raffles echter verwaardigde deze kostbaarheden nauwelijks met een blik.
Hij opende een grooten zak, die op een bank stond, en waarin zich ruwe, ongeslepen kleine diamanten bevonden.
Nadat hij een breeden gordel te voorschijn had gehaald, die eene massa kleine zakjes bevatte en dien hij zorgvuldig onder zijn kleeren verborgen had gehouden, begon hij al die zakjes met ruwe diamanten te vullen.
„Wonderlijk”, mompelde Charly, „de heele pracht laat hem onverschillig, en alleen van de ongeslepen steenen steekt hij handenvol in den zak.” (Zie het titelblad.)
Nadat hij den gordel met de kleine leelijke steenen had gevuld, sloot hij den zak weer en verliet, tot de allergrootste verbazing van Charly Brand, het vertrek.
„Is dat alles, wat je de moeite waard vindt om mee te nemen,” vroeg de secretaris vol verbazing aan zijn vriend.
Raffles lachte hartelijk.
„Ja, mijn beste Charly, de geslepen steenen hebben niet de minste waarde voor mij. Als gij er een mee wilt nemen, ga je gang, er zijn er genoeg.”
Charly Brand kon geen weerstand bieden aan de verleiding.
Hij koos een kostbaren edelsteen uit, stak hem in zijn borstzak en volgde Raffles, die hem reeds vol ongeduld bij den uitgang wachtte.
Hier overhandigde zijn vriend hem den tamelijk zwaren gordel met de ruwe diamanten en sprak:
„Ga nu weer naar boven, ik zal de strong-room sluiten.”
Na eenige minuten was de granietmuur weer naar boven gekomen en vulde het water het bassin.
Geruischloos voortloopend, verlieten de vrienden het huis langs denzelfden weg, dien ze waren gekomen.
Charly Brand ademde verlicht op, toen zij eindelijk in een huurrijtuig zaten en naar huis terugkeerden.
De handelwijze van Raffles kwam hem totaal onbegrijpelijk voor.
„Ik begrijp niet, waarvoor jij je de moeite hebt gegeven om in de strong-room van den diamanthandelaar binnen te dringen, terwijl je je tevreden stelt met dat waardelooze goedje.”
„Ik heb je al meer dan eens gezegd,” antwoordde Raffles lachend, „dat het heel goed is, dat je niet alles begrijpt. Wanneer je altijd zou weten, welk voornemen ik had, dan zou je ongetwijfeld zoo zenuwachtig zijn, dat je mij niet tot steun was en ik je voor niets zou kunnen gebruiken.
„Stel gerust vertrouwen in mij en verlaat je op mij.”
Nog denzelfden nacht reed Raffles naar Brighton terug en kwam daar tegen den morgen aan, juist op het oogenblik dat mr. Sullivan was opgestaan.
John Raffles had zich weer vermomd achter het masker van Lord Melbourne.
Hij wachtte in de gang voor de kamer van Mr. Sullivan, daar de kellner hem had meegedeeld, dat Mr. Sullivan juist bezig was, een bad te nemen.
„Dat is geen bezwaar,” sprak Raffles, „ik ben een goede kennis van mijnheer, laat mij gerust naar binnengaan.”
De kellner durfde den voornamen vreemdeling niet tegen te spreken en opende de deur, die toegang gaf tot Mr. Sullivans vertrek.
Koelbloedig stapte Raffles uit het salon, waarin de kellner hem had gebracht, in het aangrenzende slaapvertrek, vanwaar een kleine deur toegang verleende tot de daarnaast gelegen badkamer.
Raffles vernam duidelijk het proesten en plassen van den badenden Mr. Sullivan. Deze kon niet hooren, hoe Raffles den van hem weggenomen sleutel weer in de leeren tasch borg.
Nadat dit werkje was verricht ging de groote onbekende kalm naar het salon terug en wachtte tot Mr. Sullivan zou verschijnen.
De diamantkoning stond versteld, toen hij den vermeenden Lord Melbourne in zijn salon aantrof.
„Ik ben hedenmorgen vroeg in Brighton aangekomen,” zeide Raffles, „en zou zeer graag eenige dagen in uw gezelschap willen doorbrengen.
„Maar daarjuist ontvang ik een telegram, waardoor ik naar Londen word teruggeroepen. In elk geval zou ik er prijs op stellen, met u te mogen ontbijten.”
Mr. Sullivan was zeer verheugd over de voorkomendheid, die zijn voorname kennis hem toonde en in de meest opgeruimde stemming begaven beiden zich naar het ontbijtvertrek.
Zij brachten nog eenigen tijd in aangenaam onderhoud met elkaar door en toen de tijd van vertrek voor Lord Melbourne was aangebroken, bood de koopman hem zijn persoonlijk geleide aan naar het station.
Tegen het midden van den dag bevond de Groote Onbekende zich weer in zijn studeervertrek.— —De diamantkoning had niet opgemerkt, dat hij gedurende één nacht niet in het bezit was geweest van den sleutel, die toegang gaf tot zijn strong-room.—
„Morgen reizen wij naar Afrika terug,” sprak Raffles tot zijn vriend en secretaris.
„Wat zeg je?” riep Charly Brand en trok een gezicht, alsof hij plotseling voor een gapenden afgrond kwam te staan.
„Wij reizen naar Afrika terug,” herhaalde Lord Lister op drogen toon.
„Ik heb daar zeer veel te doen.
„Daar ik vermoeid ben, kun jij eenige werkzaamheden voor mij verrichten en je tegelijkertijd op de hoogte stellen, wanneer er in den loop van den dag van morgen een stoomboot vertrekt, die wij voor onzen overtocht zouden kunnen gebruiken. Ik laat het aan jou over, om het noodige te verzorgen en ga intusschen wat rust nemen.”
Charly Brand waagde het niet om tegen te spreken en nadat Raffles hem een papier had gegeven, waarop alle dingen stonden aangeteekend, die hij naar Afrika wenschte mee te nemen, verliet Charly Brand de kamer en Raffles strekte zijn vermoeide ledematen uit, die gedurende de laatste twee etmalen geen oogenblik rust hadden gekend.
VIJFDE HOOFDSTUK.
CHARLY BRAND GEVANGEN GENOMEN.
Charly Brand kwam terug met de mededeeling, dat eerst over drie dagen een stoomschip uit Engeland naar Afrika vertrok.
Zij moesten dus wachten.
De groote onbekende benutte den tijd, die nog overbleef voor het vertrek om groote inkoopen te doen van levensmiddelen en andere zaken, die hij in Kilambayo niet kon krijgen.
„Wil je werkelijk voor langen tijd in Afrika blijven?” vroeg Charly Brand.
„Het kan zijn,” antwoordde John Raffles, „ik kan nu nog niet zeggen, hoe lang mijn zaken mijn oponthoud daar zullen vorderen.”