LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 53 EEN HUWELIJKSREIS.
EEN HUWELIJKSREIS
EERSTE HOOFDSTUK.
DE DUBBELGANGERS.
Het groote stoomschip „Rotterdam” was juist van Havre vertrokken, waar het de Fransche passagiers had opgenomen.
Het was nacht en de reizigers, die reeds te Rotterdam hun intrek op het schip hadden genomen en uit België, Nederland, Duitschland of Rusland kwamen, sliepen reeds.
Het stoomschip maakte een Middellandsche Zeereis naar Spanje, Monte Carlo en Egypte.
Het waren allen pleizierreizigers, die den kouden winter in het Noorden wilden ontvluchten.— —
Reeds den volgenden dag, toen de passagiers wakker werden, had het koude weer, waarvan zij nog te lijden hadden gehad aan de kusten van Frankrijk, plaats gemaakt voor het warmere Spaansche klimaat en in plaats van een grijzen hemel zagen zij de zon, die met haar warme, koesterende stralen het schip bescheen.
Een jonge man in een donkerblauw pak en met een sportmuts op het hoofd, zat op het promenadedek in een der gemakkelijke, lange stoelen te lezen.
Plotseling richtte hij zijn oogen van het boek naar twee passagiers, een heer en een dame, die bij de verschansing stonden en mompelde:
„Nu zou ik wel eens willen weten, wat dat voor een dame is, waarmee Edward daar staat te praten.”
Vol belangstelling keek hij naar het tweetal en verbaasde zich er over, dat zijn vriend, hoewel hij vlak bij hem stond, er in het geheel geen plan op scheen te hebben om hem bij zich te roepen en hem aan de dame voor te stellen.
„Sapperloot”, vervolgde hij tot zichzelf, „een merkwaardigen smaak legt mijn vriend en meester daar aan den dag. Het is ongetwijfeld een ordinair persoontje, dat, ondanks haar diamanten, welke zij op opvallende wijze draagt, en haar nieuwste Parijsche toilet, toch niet de dame is die zij wil schijnen.
„Daar is iets niet in den haak!
„Een avonturierster is zij niet, daarvoor beweegt zij zich niet gemakkelijk genoeg. Zij ziet er meer uit als een gewezen modiste, die door een rijken aanbidder aan toiletten en diamanten is gekomen.
„Het moet een rare kerel zijn, die aanbidder! In elk geval—in mijn smaak valt zij niet.”
Hij verdiepte zich weer in zijn lectuur.
Toen hij een hoofdstuk had uitgelezen, bemerkte hij, dat het tweetal nog op dezelfde plaats stond en dat de heer zijn arm om den hals der dame had geslagen en zeer innig tegen haar deed.
„Wel alle duivels!” vloekte de jonge man, zijn boek dichtslaande, „is Edward gek geworden? Ik begrijp er niets van!”
Plotseling bemerkte de dame, dat de jonge man hen gadesloeg en daar dit haar onaangenaam scheen te zijn, trok zij haar cavalier mee weg en maakte een wandeling met hem over het dek.
De jonge man stond op, legde het boek op zijn stoel, als teeken, dat de plaats bezet was en begaf zich naar de rooksalon.
Toen hij daar binnentrad, bleef hij verschrikt staan. Alsof het een spook was, wat hij zag, zoo staarde hij zijn vriend aan, dien hij nog zoo juist op dek had gezien en die nu hier in een der clubfauteuils zat, de beenen over elkaar geslagen, een sigaret rookend en de Parijsche „Figaro” lezend.
Hij moest kunnen tooveren, want in plaats van het lichtgrijze costuum, dat hij zooeven had gedragen, had hij nu een marineblauw aan.
Een uitroep van verbazing deed hem opkijken. Hij keerde het hoofd om naar den binnentredende en sprak, terwijl hij de asch van zijn sigaret afwipte:
„Aha, Charly, ben jij het? Waarom staar je mij zoo eigenaardig aan? Is er iets gebeurd?”
„Ja”, antwoordde zijn jonge vriend, „er is zeer zeker iets gebeurd!
„Daarjuist zie ik je boven, op dek in een lichtgrijs costuum met een mij onbekende jonge dame, die mij absoluut niet beviel en waarmee je amours stond te maken en een paar oogenblikken later— —zit je hier— — —een—twee—drie—in een ander toilet en sigaretten rookend je krant te lezen!”
De ander lachte.
„Heb je eenige glazen port gedronken of wat mankeert je, Charly?
„Ik ben niet met een jonge dame, die niet in jouw smaak valt, wezen wandelen en ik bezit evenmin een lichtgrijs costuum. Neen, ik zit hier reeds minstens een uur op je te wachten.”
„Dat is onmogelijk!” antwoordde de secretaris, „ik heb portwijn noch iets anders gedronken en ik geloof niet, dat de thee, die ik aan het ontbijt heb gehad, mijn hersens van streek heeft gebracht!
„Ik heb je ongeveer drie kwartier lang op dek met de dame gadegeslagen en je was niet verder van mij af dan hoogstens twee meter.”
„Steward!” riep de toegesprokene in plaats van te antwoorden.
„U wenscht, mijnheer?”
„Deze heer”, sprak hij, „die in de clubfauteuil zit, beweert, dat ik zooeven op dek ben geweest. Vertel hem eens, hoe lang ik hier al zit.”
„Een uur, Sir.”
„Een uur?” herhaalde Charly Brand op verbaasden toon. „Dat kan ik bijna niet gelooven! Dan heb ik een spook gezien!”
„Pardon!”, sprak de steward nu, „ik heb uw gesprek gehoord. Het vertrek hier is klein en zoodoende werd ik getuige van uw onderhoud, zonder het te willen.
„Maar gij hebt volkomen gelijk. Er bevindt zich hier aan boord een heer met een dame, die opvallend op mijnheer hier gelijkt.
„Men zou kunnen meenen, dat het tweelingbroeders zijn, in elk geval zijn zij dubbelgangers.”
„Het geval is interessant”, sprak Lord Lister, „en nu begrijp ik het misverstand.
„Dus ik heb hier een tweelingbroer”, vervolgde hij, „drommels dat zou aanleiding kunnen geven tot de meest wanhopige verwikkelingen. Hoe heet die heer?”
„In de passagierslijst”, antwoordde de steward, „staat hij ingeschreven als Otto Muller, particulier, en echtgenoote. Ik geloof, dat het paar zich op de huwelijksreis bevindt.”
„Zoo, zoo, dan zou ik dus heel gemakkelijk voor den echtgenoot kunnen spelen”, lachte de Groote Onbekende.
„Neen”, antwoordde Charly hoofdschuddend. „Dat is niets voor jouw smaak. De jonge vrouw ziet er zoo onhandig en dom uit, dat je al van te voren voor het groote genoegen zoudt bedanken.
„Ik zou je raden, om niet met haar echtgenoot te worden verwisseld, het een of andere uiterlijke kenteeken, zooals bijvoorbeeld een vuurroode das, te dragen. Anders omhelst de jonge vrouw je op een goeden dag per abuis.
„Ik durf wedden, dat die liefkozingen je niet zouden bekoren.”
„Dat kan werkelijk heel aardig worden”, meende de ander. „Ik ga nu op dek en zal mijn tweelingbroer eens nauwkeurig opnemen.”
Beide heeren verlieten nu de rooksalon en begaven zich naar het dek.
Op eenigen afstand van hen wandelde de bewuste passagier in het lichtgrijze costuum, de zoogenaamde heer Otto Muller, met zijn jonge vrouw.
Toen de beide heeren hun tegemoet kwamen, verscheen op het gelaat der dame een uitdrukking van schrik.
Daarop begon zij te lachen en alle vier keken elkaar hartelijk lachend aan.
Daarop stak de heer in het lichtgrijze costuum den oudste der beide vrienden, zijn dubbelganger, zijn gehandschoende hand toe en riep uit:
„Wel fameus, Lord Lister, dat wij elkaar na twee jaar weer ontmoeten! Om ’s hemels wil, doe mij een groot genoegen en laat ons dezen keer door uiterlijke kenteekenen onzen geachten medemenschen duidelijker te kennen geven, dat wij niet een en dezelfde persoon zijn dan toenmaals in Ostende, waar de meest ingewikkelde verwarringen ontstonden door de aanwezigheid van ons beiden.”
Lord Lister lachte:
„Die tijd behoort tot mijn aangenaamste herinneringen, Uwe Hoogheid.”
„Psst!”— — —viel de heer Otto Muller hem in de rede. „Ik reis volkomen incognito.”
Hij wierp een veelzeggenden blik op de jonge dame aan zijn arm, waarop Raffles met een glimlachje antwoordde.
„Ik heb mij dan ook in de passagierslijst ingeschreven als Otto Muller, particulier”, vervolgde de heer Muller. „Wees zoo vriendelijk, Lord Lister, mij om ’s hemels wil niet aan te spreken als Hoogheid, maar mij Muller te noemen.”
„Ik zal mij naar uw wensch schikken”, sprak Lister, „en die naam behoort niet tot die welke men moeilijk onthoudt. Bij deze gelegenheid zou ik u willen verzoeken, ook mijn naam te veranderen. Ik reis eveneens incognito en heet Schmidt.”
„Aha, zijt gij iemand op het spoor?”
„Zeer zeker”, antwoordde Raffles, „ik maak jacht op den beruchten bedrieger, die op zoo ongehoorde wijze misbruik maakt van mijn naam.”
„Ik kan begrijpen, dat het minder aangenaam is, dat zulk een kerel als die Engelsche oplichter onder uw naam allerlei schurkenstreken pleegt. De man is toch zeker geen familie van u?”
„Wel neen!” lachte Lord Lister, „gij hebt groot gelijk, Uwe Hoogheid—pardon—mijnheer Muller, als gij veronderstelt, dat ik, om geen onaangenaamheden te krijgen met de politie, reis als Charly Schmidt.
„Sta mij toe, u mijn vriend voor te stellen.”
Hij maakte een handbeweging naar zijn vriend:
„Charly Brand uit Parijs.”
Aangenaam babbelend wandelden zij samen over het dek en de passagiers, welke zij tegenkwamen, bleven verbaasd staan en amuseerden zich kostelijk om de merkwaardige gelijkenis, welke er bestond tusschen de beide heeren Muller en Schmidt.
Den volgenden dag liep de stoomboot de haven van Lissabon binnen en de passagiers namen de gelegenheid waar om, gedurende het oponthoud in de haven, de stad te bezoeken en de beroemde vorstengraven te gaan zien.
Als in een panopticum werden daar de gebalsemde Portugeesche koningen vertoond.
Het maakte een onaangenamen indruk, dat de lijken van Don Pedro en diens zoon waren ten toon gesteld. Het gelaat van den koning was, tengevolge der verwonding, griezelig om aan te zien.
Zonder eenige piëteit vertelde de Portugeesche grafbewaker de levensgeschiedenis en het einde van den door moord om het leven gekomen koning.
Verlucht ademden de bezoekers op, toen zij weer aan boord van het schip waren.
Het diner smaakte den meesten van hen niet.
Even voordat de stoomboot zich weer in beweging zette, verscheen een expresse besteller van de Portugeesche post in een klein bootje. Hij scheen voor iemand aan boord gewichtige stukken mee te brengen.
Eenige oogenblikken later klonk de stem van den persoon, die aan boord de postzaken behandelde; deze riep:
„Expressebrief voor den heer Otto Muller! Mijnheer Otto Muller!”
Eindelijk verscheen deze en de postbode kon hem de brieven overhandigen.
Daarop zette zich de stoomboot in beweging, om koers te nemen naar Napels.— —
Terwijl de heer Otto Muller zijn brieven las, zaten Lord Lister en Charly Brand in een beschut hoekje op dek te rooken.
„Wij zullen te Napels het schip verlaten”, sprak Lord Lister tot Charly Brand, „ik ben van plan, naar Rome te gaan en daar den winter door te brengen.”
„Mij is elke plaats aangenamer dan Londen”, antwoordde de secretaris. „Het scheelde weinig, of men had ons kort voor ons vertrek, ondanks al onze voorzorgsmaatregelen, toch nog gevangen genomen.
„Politie-inspecteur Baxter wordt langzamerhand slimmer!”
„Nonsens!” lachte Raffles, „ik vind, dat hij van week tot week dommer wordt.
„Zijn onhandig optreden, toen hij slechts een hand had uit te steken om mij in hechtenis te nemen, en in mijn plaats weer een verkeerde pakte, getuigt niet van groote volmaaktheid zijner geestesgaven.
„Als ik mij niet vergis, bevindt zich hier aan boord een meer gevaarlijk mensch dan Baxter en wel een detective, Margotte genaamd.
„Hij schijnt den een of ander te vervolgen en heeft, geloof ik, niet het flauwste vermoeden van mijn aanwezigheid hier aan boord.”
Een hoorbare zucht ontsnapte aan de lippen van Charly Brand en hij antwoordde:
„Ik heb meer dan genoeg van dat eeuwige vervolgd worden door detectives! Maar zeg eens, ik heb het je al eerder willen vragen, wie is eigenlijk die Otto Muller?”
John Raffles lachte vroolijk:
„Een der lichtzinnigste en meest ondoordacht levende menschen, die ik ooit hebt leeren kennen!
„Hij heeft een klein vorstendom en regeert in zijn land als een souverein.
„Ik leerde hem kennen als lid van de Ostender speelclub. Wij waren toentertijd goede vrienden en tevens het voorwerp van algemeen amusement.
„Wij gelijken zoo fabelachtig veel op elkaar, dat toen in Ostende de merkwaardigste vergissingen plaats hadden.
„Wij verschillen alleen wat ons karakter betreft.”
„Wat zou dat voor een dame zijn?” vroeg Charly Brand verder, „waarmee de vorst reist onder den naam van Muller en echtgenoote?”
„Wie?” antwoordde Raffles schouderophalend, „volgens mijn meening een onbeduidende gewezen modiste, waarop de vorst op het oogenblik verliefd is.
„Weet je, beste Charly, mannen die over de vijf-en-dertig zijn, zooals de vorst en ik, verbazen hun medemenschen af en toe door onbegrijpelijke afwijkingen van het normale. Je zult deze opmerking nog meerdere malen kunnen maken.”
Op dit oogenblik kwam een steward naar hen toe en sprak:
„Pardon! Ik moet u even storen! De heer Otto Muller laat den heer Charly Schmidt verzoeken, bij hem in de kajuit te willen komen. Mijnheer had een gewichtige zaak met u te bespreken.”
Raffles stond op en volgde den steward.
TWEEDE HOOFDSTUK.
EEN MEESTERSTUK.
In Scotland Yard ging weer alles verkeerd.
Politie-inspecteur Baxter raasde, vloekte en tierde, secretaris Marholm, bijgenaamd, de Vloo, Baxter’s rechterhand, deed hetzelfde; de dienstdoende commissarissen van politie en de inspecteurs vloekten, tierden en raasden, de agenten zelfs raasden, vloekten en tierden, want de Lord-Mayor had den politie-inspecteur een uitbrander gegeven, Baxter had die verder gegeven aan de vloo, de vloo aan de sergeanten, de sergeanten aan de politie-agenten en verder werd de booze bui van den Lord-Mayor gekoeld op de echtgenooten van de Engelsche politie-beambten en eindigde in stukgegooid huisraad en verbrand eten.
Als een lawine was de uitbrander van den Lord-Mayor op Scotland Yard gevallen.
En waarom?
John C. Raffles had het gewaagd, op een zitting van de rechtbank in Oxford-Street een zijner meesterstreken uit te voeren, waarover geheel Londen zich amuseerde.
Maar de politie-beambten vloekten, raasden en tierden, want de president van deze rechtbank was de broer van zijn lordschap den Lord-Mayor.
Hij was een zeer pedant en weinig intelligent heerschap, en vooral om zijn onverbiddelijk strenge uitspraken zeer gevreesd in Londen.
Een arme werkman stond dien morgen voor het gerecht en moest zich wegens diefstal van een pond sterling verantwoorden, die hij zijn werkgever had ontstolen.
De geschiedenis, welke aanleiding had gegeven tot het gebeurde, was zeer droevig en zou elken anderen rechter mild gestemd hebben.
Alleen den broer van zijn lordschap niet.
De werkman, die slechts een armoedig inkomen had, had een vrouw en acht kinderen, waarvan vier tegelijk ziek lagen aan diphteritis.
Deze ziekte verslond spoedig de weinige spaarpenningen, welke de man bezat en de dokter had hem gezegd, dat hij alleen door uiterst sterke voeding, wijn en vruchten, de zwakke kinderen in leven kon houden.
De werkgever van den armen man had hem zijn verzoek om voorschot eenvoudig geweigerd.
Hij behoorde, evenals de rechter, tot de hardvochtigen, die hun medemenschen alleen beoordeelen naar hetgeen zij als werkkracht presteeren.
Hij toonde niet het minste medegevoel voor den nood en het lijden zijner arbeiders.
In een aanval van wanhoop had de arme kerel toen diefstal gepleegd en uit het geldkistje van zijn werkgever, dat op de schrijftafel stond, een goudstuk—ter waarde van een pond—genomen.
Met tranen in de oogen bekende hij den rechter zijn schuld en smeekte om een milde uitspraak.
Op de publieke tribune werd af en toe het onderdrukte snikken van dames vernomen en men besloot een collecte te houden voor den armen man en vader.
Maar Zijn Lordschap, die zich fier de strengste rechter van geheel Engeland noemde, dacht er anders over.
Hij verhief zich in het ambtscostuum, zooals men dat in Engeland draagt; hij had de witte pruik op het hoofd en om den hals den kraag ter grootte van een wagenrad, die den zwarten mantel van boven afsluit en sprak:
„De daad van beklaagde bewijst een buitengewone verdorvenheid.
„Wanneer een mensch die geen werk heeft steelt, wanneer een mensch die een misdadiger van beroep is een dergelijke daad pleegt, dan verdient hij een milde uitspraak, want dan wordt hij eigenlijk door de omstandigheden gedwongen om te stelen.
„Wanneer echter een man op wien tot dusverre niets te zeggen viel, een eerzaam, fatsoenlijk burger, die werk heeft, zich tot diefstal laat verleiden, dan verdient dat een strenger oordeel.
„Maar nog scherper moet dit oordeel worden, wanneer hij er zelfs niet voor terugdeinst den man, die hem slechts weldaden heeft bewezen, doordat hij hem werk en dus brood geeft, wanneer hij zulk een man besteelt!
„Zijn werkgever te bestelen, is de grootste brutaliteit!
„Het allerergste, mijneheeren, is het echter, wanneer zulk een mensch ook nog meent de mildheid der rechters te mogen inroepen!
„Zijn verdediger wees zooeven op het feit, dat beklaagde acht kinderen heeft.
„Mijneheeren, deze acht kinderen zijn geen verontschuldiging, integendeel, zij getuigen slechts van het buitensporige, zedelooze leven van beklaagde.
„Ik vraag u, mijneheeren, is het te verdedigen, dat men, onder dergelijke geldzorgen levende, zich de weelde permitteert, er acht kinderen op na te houden?
„Neen, mijneheeren, dat is niet noodig!
„Die weelde mag zich een millionnair nauwelijks veroorloven!”
Op dit oogenblik trad een man in werkmanskleeren de rechtszaal binnen, liep achter de rechterstafel, nam een stoel en tilde de aan den muur hangende klok van haar plaats.
Daar het volgens Engelsch gebruik zeer vrij toegaat in het gerechtslokaal, wekte zijn verschijnen geen verwondering op.
Alleen vroeg een der rechters, die het dichtstbij zat, wat hij met de klok ging doen.
„Ik moet de klok hiernaast in orde maken, ik ben uurwerkmaker,” antwoordde de werkman en verdween.
De rechter had intusschen zijn rede verder gehouden en juist toen de werkman de zaal wilde verlaten, sprak hij:
„En daarom moet op beklaagde de volle straf worden toegepast en deze is drie jaar gevangenisstraf, welke onmiddellijk zal ingaan.”
Snikkend viel de arme man voorover met het hoofd op de bank der beschuldigden, terwijl in het publiek luide kreten van ontstemming werden vernomen.
Plotseling verhief zich vol waardigheid de griffier en sprak tot den rechter:
„Ik maak er uw Lordschap opmerkzaam op, dat ik het tijdstip van het begin der straf voor beklaagde niet kan vaststellen, daar de officieele klok niet aanwezig is.”
De Lord-mayor keek naar den muur, waar de tijdmeter had gehangen.
De rechters eveneens.
Geen hunner wist, wat hij moest zeggen, want volgens de Engelsche wet moet de aanvang der straf nauwkeurig worden geregistreerd volgens de klok, die achter de rechterstafel hangt!
Maar die was verdwenen!
Nu stond de verdediger op.
„Ik stel voor, de uitspraak van Zijn Lordschap voor ongeldig te verklaren, omdat de tijd niet kan worden vastgesteld.”
„Ik zal den tijd volgens mijn horloge vaststellen!” antwoordde de rechter op scherpen toon.
„Dat zou in strijd zijn met de wet, Uw Lordschap!” sprak de verdediger. „Uw horloge is niet de bij de wet bedoelde officieele klok en daar iedere minuut kostbaar is in het leven van een mensch, kunnen wij reeds nu niet meer aangeven, hoeveel minuten verstreken zijn na de uitspraak.
„Ik stel de ongeldigheidsverklaring voor.”
Op dit oogenblik trad een der gerechtsdienaren binnen en legde een briefje voor den verdediger neer.
Deze opende het haastig en las het.
Met gespannen aandacht keek het publiek naar hem.
Men was nieuwsgierig, hoe het merkwaardige geval met de klok opgehelderd zou worden.
Een hartelijke lach van den verdediger klonk en op zoo duidelijken toon, dat ieder het kon hooren, sprak hij:
„Mijne heeren, ik krijg hier het volgende bericht:
Zeer geachte heer advocaat! Wees zoo goed, den rechter mee te deelen, dat ik de klok heb gestolen, opdat mijnheer de rechter voortaan niet meer zulke wreede vonnissen velt als hij heden doet.
Groetend,
JOHN C. RAFFLES.”
Het bulderend gelach, dat den gestrengen rechter, den broer van den Lord-mayor, vanuit de publieke tribune in de ooren klonk, zal hij waarschijnlijk zijn heele leven niet hebben vergeten.
Des avonds las men het geval in alle kranten, maar reeds eerder wist de Lord-mayor van Londen het en onmiddellijk ontving politie-inspecteur Baxter een brief van vier zijden met een geweldigen uitbrander, omdat het hem nog steeds niet was gelukt, John C. Raffles te vangen.
Den volgenden dag ontving Baxter van een zijner agenten bericht, dat twee heeren, op wie ontegenzeggelijk het signalement van John C. Raffles en Charly Brand paste, zich te Havre aan boord van de Nederlandsche passagiersboot „Rotterdam” hadden ingescheept.
Dadelijk stelde hij zich in verbinding met het scheepsagentuur te Rotterdam en kreeg bericht, dat het schip Lissabon aandeed en zich van daar naar Napels zou begeven.
Waarschijnlijk was het reeds weer uit de haven van de Portugeesche hoofdstad vertrokken.
Men wachtte elk oogenblik het telegraphische bericht daaromtrent.
„All right!” vloekte Baxter, „dan zal ik de beide heeren door de Italiaansche politie in Napels laten gevangen nemen. Ik hoop, dat ik ze eindelijk in handen krijg.
„Raffles zal niet voor een tweeden keer een klok uit de rechtszaal stelen!”
DERDE HOOFDSTUK.
DE PLAATSVERVANGER.
Zijn Doorluchtigheid de vorst Von Plessenheim zat in zijn kajuit, welke hij op het schip bewoonde, voor de sierlijke mahoniehouten schrijftafel en trommelde nerveus met de slanke, aristocratische vingers op het spiegelglad gepolijste tafelblad.
Af en toe luisterde hij naar een aangrenzende kajuit, waarvan de deur in de zijne uitkwam, maar die gesloten was.
Daar was de hut van zijn beminde, of, zooals men veronderstelde, van mevrouw Amanda Muller.
De steward trad binnen en kondigde aan:
„Mr. Schmidt!”
Onmiddellijk stond de vorst op en ging Lord Lister, alias Charly Schmidt, eenige schreden tegemoet.
Hij stak hem beide handen toe en riep:
„Ik dank u, mijn beste Lord,—pardon, Mr. Schmidt, dat gij zoo vriendelijk zijt, mij op te zoeken. Maar wat ik tot u te zeggen heb, kan alleen geschieden in een gesloten kajuit.”
„Gij maakt mij nieuwsgierig, Mr. Muller”, lachte Raffles, „welke gewichtige dingen kunt gij met mij te verhandelen hebben?”
De vorst bood John Raffles een der gemakkelijke leeren fauteuils aan, schoof hem een zilveren sigarettenkoker toe en bediende ook zichzelf, toen de Groote Onbekende er een uit had genomen.
Nadat beide heeren hadden opgestoken, haalde de vorst den expresse-brief, dien hij eenige uren geleden had ontvangen, te voorschijn en sprak:
„Ik heb een zeer vriendelijk verzoek aan u, beste Lord. Een verzoek, dat ik alleen daarom durf uit te spreken, omdat ik mij vanuit Ostende nog uw groote beminnelijkheid herinner.
„Gij waart voor mij sinds dien tijd het type van een volmaakt gentleman en ik vlei mij met de gedachte, dat ik mij u als voorbeeld heb genomen, sinds ik u heb leeren kennen.”
„Om ’s hemels wil!” riep Raffles met een afwerende beweging, „neem mijn persoon toch niet als voorbeeld! Gij zoudt u daar niet goed bij bevinden.”
„Nu, nu,” antwoordde de vorst, die meende dat Raffles alleen uit bescheidenheid zoo sprak.
„Het is zooals ik zeg. Ik heb groote achting voor uw beminnelijkheid, mijn vriend, ik zie in uw geheele wezen het beeld van den volmaakten edelman, slechts één ding verbaast mij: gij schijnt weinig belangstelling te hebben voor het schoone geslacht.”
Hij keek zijn bezoeker met vorschenden blik aan en hoopte eenig antwoord te zullen krijgen.
Maar Raffles zat met onveranderde gelaatsuitdrukking, met het eene been over het andere geslagen en keek den rook zijner sigarette na.
Na eenige oogenblikken sprak de vorst weer:
„Ik bedoel namelijk, dat ik u nog nooit aan de zijde van een schoone vrouw heb gezien.
„Heeft dit een bepaalde reden?”
De Groote Onbekende klopte de asch van zijn sigaret af en sprak:
„Zeer zeker, Uwe Hoogheid! De vrouwen, die werkelijk schoon en geestig zijn, de vrouwen, die een man van karakter, zooals ik mij verbeeld er een te zijn, in werkelijkheid slechts kunnen bekoren, deze vrouwen, Uwe Hoogheid, zijn helaas niet meer vrij.
„Ik heb tot dusverre altijd het ongeluk gehad, een beetje te laat te komen. En voor andere vrouwen bedank ik.”
„Wel”, sprak de vorst, „dan ben ik gelukkiger. Kijk eens hier!”
Hij maakte een handbeweging naar de deur en hij wierp een hartstochtelijken blik in die richting, alsof zijn geliefde vóór hem stond.
„Daar heb ik de bekoorlijkste vrouw van de wereld, naar wie mijn hart jarenlang heeft gesmacht en toch ben ik door vreeselijke banden geketend. Slavenketenen van stand en geboorte—de boeien van een gedwongen huwelijk, zoodat ik als een misdadiger onder een valschen naam met mijn geliefde op reis moet gaan, om het noodlot eenige uren van geluk af te persen.
„Tracht u eens in mijn geval in te denken, bedenk, dat mij niets heiliger is dan mijn liefde voor deze aangebeden vrouw—en gij zult het verzoek dat ik tot u wil richten, niet verkeerd opvatten!
„Om kort te gaan, Lord Lister, mijn verzoek is dit:
„Wees mijn plaatsvervanger!”
Een oogenblik was Raffles stom van verbazing.
De zaak had een zeer grappigen kant, vooral wanneer hij aan de vrouw dacht, die door den vorst werd bemind.
Nog begreep hij niet precies, wat de vorst eigenlijk bedoelde. Hij bedwong een glimlach en sprak:
„Hoe bedoelt gij dat, Uwe Hoogheid?”
De vorst stak een nieuwe sigaret aan en antwoordde:
„De zaak is eenvoudig. Ik ontving zooeven van mijn hofmaarschalk Von Bücklingsburg gewichtige tijdingen, welke in verband met verschillende regeeringszaken mijn onmiddellijke terugkomst noodig maken.
„Eigenlijk zijn het geen regeeringszaken, doch slechts een quaestie van aanwezig zijn.
„De Keizer van Siam heeft namelijk in de onmiddellijke nabijheid van mijn vorstendom een kasteel en is van plan, zich daar gedurende de eerstvolgende weken op te houden.
„Hij neemt die gelegenheid te baat om mijn residentie te bezoeken, er wordt dan een kleine inspectie over de troepen gehouden, ik dineer met hem en de zaak is afgeloopen.
„Het geheel is niet meer dan een tooneeleffect, zooals ik u vertelde, niets anders dan eenvoudig een quaestie van aanwezig zijn.
„Ik speel in deze comedie de rol van een pop met mechaniek.
„In plaats van klein tenue trekt men ’s morgens groot tenue aan, ontvangt dan in een rijtuig met tien paarden bespannen zijn machtigen neef neef Achter-Indië.
„De voorgeschreven broederkussen op linker- en rechterwang worden gewisseld, daarbij eenige innige handdrukken, eenige beminnelijke woorden, men laat een paar regimenten voorbij defileeren, spreekt over Zeppelin en de laatste vlootrevue, spreekt op beleefden toon tegen elkaar, vermijdt uit principe elk ernstig gesprek, gaat aan tafel zitten, eet wat de hofkeuken opdischt, houdt een toast op den machtigen neef, krijgt een toast terug en vergezelt hem tot aan de deur der eetzaal.
„Dan omhelst men elkaar zooals dat is voorgeschreven, drukt elkaar nogmaals de handen en gaat naar bed met het aangename bewustzijn, zijn plicht als een trouw vader te hebben vervuld voor de welvaart van het land.
„Ziet gij, mijn beste Lord, voor die ceremoniën wensch ik u als plaatsvervanger.
„Dat wil zeggen, alleen wanneer gij mij gaarne dezen grooten dienst bewijst.
„Ik zou nu niet graag afscheid willen nemen van het voorwerp mijner liefde. Wilt gij het uitstapje voor mijn rekening maken?
„Gij weet niet, welk een genoegen gij mij doet door het inwilligen van mijn verzoek. Wanneer u iets gelegen is aan een orde van mijn vorstendom, zoek dan uit mijn koffer die uit, welke u het best bevalt.”
John Raffles glimlachte.
„Hebt gij uw orden in uw koffer, evenals men overhemdknoopjes en dergelijke dingen meeneemt, Hoogheid?”
„Ja”, lachte de vorst, „soms vergelijk ik mijzelf bij een handelsreiziger.
„Elke kellner, commissaris van politie of andere officieele persoon van groot gewicht kan zoo’n ding uit mijn koffer krijgen.
„Als ze op zijn, bestel ik weer nieuwe.”
John Raffles dacht eenige minuten na, rookte zijn sigaret op en sprak toen:
„Uit vriendschap voor u, Hoogheid, en omdat ik mij geheel in uw toestand kan verplaatsen, wil ik u gaarne van dienst zijn en u voor eenige dagen in uw vorstendom vertegenwoordigen.
„Natuurlijk moet ik nauwkeurig door u worden ingelicht, opdat ik niet uit mijn rol val, vooral bij inspectie van de troepen.”
„Als er een oogenblik mocht komen, waarin gij niet weet, wat gij moet doen, laat gij de kerels eenvoudig aantreden en sneller marcheeren, dat is mijn methode altijd en daarmee heeft men altijd succes.
„En wees voor het overige onbezorgd, ik wil u namelijk eerlijk bekennen, dat ik zelf zelden weet, wat ik te doen heb.
„Daarvoor is mijn hofmaarschalk er, die kerel is wonderlijk goed op de hoogte!
„Ik zeg u, Lord Lister, gij zult verbaasd staan over alles wat hij weet.
„Te beginnen met de uniformen welke gij te dragen hebt, tot aan de orden, waarmee gij u moet tooien, van de hoofdbedekking tot aan de laarzen, wanneer gij moet opstaan en om hoe laat gij moet eten, hij weet het allemaal precies.
„Bovendien is er ook mijn minister van staat, dr. Von Thorn, die alle mogelijke speechen in elkaar zet. Mensch, gij behoeft u om niets te bekommeren.
„Die man komt ’s morgens bij u en zegt:
„Uwe Hoogheid! Vandaag moet gij dat en dat zeggen, hij leest u den inhoud van uw rede voor en legt die dan meteen, keurig met de schrijfmachine geschreven, voor u op de schrijftafel neer.
„En zoo gaat het den geheelen dag door.
„De dokter komt en zegt: Uwe Hoogheid moet een rijtoer gaan maken.
„De kamerdienaar meldt: Uwe Hoogheid, het bad is gereed!
„Kort en goed, gij hebt verder niets te doen, dan u door al die menschen, die er voor zijn, als een uurwerk te laten opwinden, te laten kleeden en opvoeden.”
John Raffles lachte zoo hartelijk, dat de vorst er mee instemde.
„Maar zeg eens, Uwe Hoogheid”, begon hij weer, „hoe wordt het echter, als uwe gemalin mij wenscht te spreken?”
„Heel eenvoudig”, antwoordde de vorst, „dan wendt gij regeeringszaken voor.
„Ik heb bijvoorbeeld de gewoonte om het licht te laten branden tot ’s morgens drie of vier uur.
„Ook laat ik achter de ramen, waarvan de gordijnen dan zijn gesloten, een kamerdienaar heen en weer loopen, zoodat zijn schaduw op de gordijnen valt.
„Tegenover de vensters van mijn werkkamer bevinden zich namelijk de slaapkamers mijner hooge gemalin.
„Op die manier toon ik haar, hoe ik, overladen met regeeringszaken, tot in den morgen door moet werken.
„Dat is namelijk de hoofdzaak bij ons, vorsten. Men moet de kunst verstaan, zich altijd zeer gewichtig voor te doen en nooit uit zijn rol te vallen.”
„En hoe is het met de financiën?” vroeg Raffles, „als ik betalingen moet doen?”
„Onzin!” lachte de vorst, „gij hebt geen betalingen te doen; betalingen worden alleen aan u gedaan. Dat wil zeggen, gij ziet daarvan niets.
„Maar het is goed, dat gij mij daaraan herinnert, want de eerste, die bij u zal verschijnen en u zijn diensten zal komen aanbieden, is de financier Stern.
„Dat is mijn vertrouwde.
„Een uitstekend mensch, een kolossale kop, alleen houdt hij de duiten een beetje te zeer vast.
„Meestal klaagt hij, dat hij geen geld heeft, maar dat moet gij niet gelooven. Hij wil altijd het voordeel van den Staat.
„Elk oogenblik zucht hij: Uwe Hoogheid, gij verlangt te veel geld. Uwe Hoogheid, ik begrijp niet, wat gij met al dat geld doet!
„Kort en goed, deze Stern is mijn portemonnaie, van hem leef ik en hij kent mijn wenschen beter dan ik zelf.
„Hij legt mij altijd quitanties voor, die ik dan onderteeken en dat is alles, wat ik aan financieele zaken doe.”
„Een prachtige inrichting, ik wou, dat ik ook zoo’n geheimen financier had”, lachte Raffles.
„Bijna had ik nog iets vergeten”, sprak de vorst, „er is een persoon aan mijn hof, dien ik zooveel mogelijk uit den weg ga. Dat is de hofpredikant.
„Ziet gij, Lord, ik ben geen godloochenaar, maar zijn sluwe manieren stuiten mij tegen de borst. Hij is mij onsympathiek.”
„Nu”, sprak Raffles, „ik zal hem op zijn eksteroogen trappen.”
„Doet dat!” sprak de vorst, „ik kan hem namelijk niet kwijt raken.
„Alleen het idee, dat die man eindelijk eens zijn meerdere zou hebben gevonden, zou voldoende zijn om u als mijn plaatsvervanger naar huis te zenden.
„En nu zal ik u dit cheque-boek op de Duitsche Bank geven en dan verzoek ik u, al uw uitgaven op reis te trekken op de Duitsche Bank.”
„Gij schenkt mij een groot vertrouwen”, sprak Raffles, „maar omdat ik eenmaal „ja” heb gezegd, zal ik beproeven, mijn uitgaven, die gewoonlijk vrij aanzienlijk zijn, niet hooger te maken dan uw middelen dat veroorloven.”
Samen zaten zij nog een half uur aangenaam te babbelen bij een snel opgediend ontbijt. De vorst gaf Raffles nog eenige documenten en papieren, benevens zijn zegelring en den kleinen koffer met ordeteekenen.
„Als ik de ordekist nu eens leeg maak?” vroeg Raffles.
„Hindert niets!” antwoordde Zijne Hoogheid. „Als ze op zijn, worden er weer nieuwe gemaakt”
Daarop maakte de vorst snel een einde aan het gesprek. Hij haastte zich naar de deur om te informeeren, of zijn geliefde klaar was.
„Wanneer ontmoeten wij elkaar weer, Uwe Hoogheid?” vroeg Raffles bij het afscheid nemen.
De vorst dacht eenige seconden na en antwoordde:
„Ik had mij voorgenomen, een huwelijksreis van zes weken te maken.
„Drie zijn er reeds om. Wij zien elkaar dus over drie weken terug in hotel Kaiserhof te Berlijn, waar ik weer zal opduiken als vorst Von Plessenheim.”
Zij namen afscheid en Raffles verliet met het leeren valies in de hand de kajuit.
Charly Brand verwachtte hem in hun gemeenschappelijke hut.
Hij zag aan het lachende gelaat van zijn vriend, dat dezen iets bijzonder amusants moest zijn overkomen.
„Kom eens hier, mijn jongen”, sprak Raffles, „jij hebt immers al zoolang naar een orde verlangd? Ik zal je aan eentje helpen.”
Charly Brand wist eerst niet, wat hij van die woorden moest denken.
Hij geloofde, dat Raffles hem voor den gek hield.
Maar hoe verbaasd was hij, toen Lord Lister het leeren valies opende en er eenige dozijnen kleine doosjes uitnam, waarin, in watten gehuld, allerlei medailles, kruisen en met steenen versierde ordeteekenen lagen, terwijl ook allerlei gekleurd ordelint te voorschijn kwam.
Dit laatste liet Raffles door zijn vingers glijden en sprak:
„Hoeveel meter heb je noodig om over de borst te dragen? Je ziet, dat hier genoeg voorradig is om je er mee te tooien.”
Charly Brand keek met groote verbaasde oogen naar het koffertje met orden en dacht, dat Raffles ze gestolen had.
„Ik bid je, sluit dien rommel weer weg, of liever, gooi het over boord. Wat wil je met dien boel doen? Als de eigenaar bemerkt, dat hij bestolen is, laat de kapitein alle kajuiten doorzoeken en ik zou hier geen enkel plaatsje weten waar je dat waardelooze tuig zoudt kunnen verbergen.”
„Domkop!” lachte Raffles, „deze orden zijn mijn eigendom!
„En opdat je alles weet, ik ben niet meer Charly Schmidt, maar Zijne Hoogheid vorst van Plessenheim en jij bent mijn adjudant baron Charly von Brand.
„Ga nu naar de kajuit van den heer Otto Muller en laat je daar den koffer met de uniformen, sabels en andere dingen geven, zooals ik dat met hem heb afgesproken.”
„Wat moet ik doen?” vroeg Charly, wien het geheele geval als een flauwe grap voorkwam.
John Raffles herhaalde nogmaals langzaam en duidelijk:
„Ga naar de kajuit van den heer Otto Muller en laat je daar den koffer geven met de kleedingstukken, zooals ik dat met hem heb besproken.”
Hoofdschuddend ging de secretaris heen.
Hij begreep van de zaak niet veel en nog minder, toen de zoogenaamde heer Otto Muller hem een grooten leeren koffer, benevens twee stuks handbagage, welke laatste, naar den vorm te oordeelen, helmen en mutsen moesten bevatten, meegaf.
„Ik verzoek u,” sprak de vorst, „let er op, dat gij door geen steward wordt verrast. Dat moet vermeden worden.”
Charly Brand had geluk op den korten weg, dien hij moest afleggen, want het was juist vóór het diner en nergens een steward te zien.
„Het duurde vrij lang, eer je terugkwam,” merkte Raffles op, „ik wilde je juist tegemoet gaan.”
Met de sleutels, die Charly ook meegekregen had, opende hij den uniformkoffer en nam er de klein-generaalsuniform uit, welke gewoonlijk door vorsten wordt gedragen.
Charly Brand hielp zijn vriend om zich te kleeden en daar deze hetzelfde figuur had als de vorst, paste alles hem als aangegoten.
„Het staat je prachtig!” riep Charly vol bewondering uit, „ook de helm past!”
„Zoo!” sprak Raffles, „ga nu naar den kapitein en deel hem mede, dat de vorst Von Plessenheim hem wenscht te spreken.”
De kapitein meende eerst, dat Charly dronken was.
Hij lachte hartelijk, toen deze den wensch van den vorst Von Plessenheim te kennen gaf en ook de bij hem staande officieren lachten mee.
„Neem mij niet kwalijk!” sprak Charly Brand op scherpen toon, „gij hebt zeker gehoord, wat ik u zei:
„Zijne Hoogheid de Vorst von Plessenheim wenscht u te spreken en ik verzoek u, mij te volgen.”
„Mijnheer!” riep de kapitein uit, „houdt gij mij voor krankzinnig of zijt gij het zelf! Ik heb geen vorst Von Plessenheim aan boord!”
„Gij hebt hem aan boord zonder het te weten,” antwoordde Charly Brand, „Zijne Hoogheid staat op uw passagierslijst ingeschreven als de heer Charly Schmidt.”
Nu zette de kapitein een verbaasd gezicht.
Hij wendde zich tot zijn eersten officier met de woorden:
„Deze man maakt toch niet den indruk alsof hij onwaarheid spreekt. Misschien is het een feit, en is Zijne Hoogheid hier werkelijk aan boord. Ik zal den gentleman volgen.”—
Eenige minuten daarna stond hij zwijgend en verbaasd tegenover Raffles en groette op militaire wijze.
„Kom naderbij, kapitein,” sprak Lister, „ik wil u over dienstzaken spreken.
„Ik verzoek u, daar ik mijn reis moet afbreken, de eerste stoomboot, die passeert, door vlagge-signaal te roepen en mij door een boot te laten overbrengen.”
„Zeer goed, Uwe Hoogheid!”
„Als u dit mocht gelukken, dan zal ik zoo vrij zijn, u voor dezen dienst een onderscheiding toe te kennen,” sprak Raffles.
„Ik dank Uwe Hoogheid onderdanig. Ik zal mijn uiterste best doen in den koers te blijven van de Hamburger Lloydbooten, opdat uw wensch kan worden vervuld.”
Raffles gaf door een handbeweging te kennen, dat het gesprek was afgeloopen. De kapitein salueerde en verliet de kajuit.
De passagiers waren nog niet voor het diner bijeengekomen, toen het gerucht als een loopend vuurtje de rondte deed:
„Zijne Hoogheid de Vorst von Plessenheim is aan boord.”— — —
Aan tafel werden voor den vorst, alias Raffles en voor den nieuwbakken baron Von Brand bijzondere eereplaatsen ingericht en niemand vermoedde, dat de zich onder de passagiers bevindende Otto Muller de vorst was en dat op zijn eereplaats de plaatsvervanger, de veel gezochte Lord Lister, alias John C. Raffles zat.
Reeds des namiddags gelukte het den kapitein, een stoomschip door vlaggensignalen zijn wensch te kennen te geven.
Tegen zes uur verliet Lord Edward Lister het schip en begaf zich op een stoomsloep naar de Duitsche boot.
In eerbiedige houding, met ontbloote hoofden, keken de mannelijke passagiers hem na, terwijl de dames met zakdoeken wuifden.
De kapitein echter stond in militair salueerende houding aan de valreep en had een nieuwe decoratie op de borst. Een zalig glimlachje lag op zijn gelaat. Hij wilde wel, dat hij elken dag een vorst incognito aan boord had.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Toen het schip de haven van Napels binnenliep, verscheen er dadelijk een politieboot.
Een Italiaansche officier van politie met een dozijn detectives kwamen aan boord en de officier wendde zich tot den kapitein.
„Wij hebben uit Londen van den inspecteur van politie Baxter bericht gekregen,” sprak hij, „dat zich hier aan boord de veelgezochte avonturier Lord Edward Lister moet bevinden. Ik moet alle passagiers om hun identiteitsbewijzen verzoeken.”
De Italiaansche beambten doorzochten het schip.
De passen van alle reizigers, ook die van majoor Muller en echtgenoote, werden in volkomen orde bevonden.
De detectives konden geen verdachte personen ontdekken.
Als laatste passagier, die geen pas had, werd de Parijsche stille agent van politie Margotte door de Italiaanschen politieofficier aan een verhoor onderworpen.
„Gij komt mij uiterst verdacht voor,” sprak de Italiaan.
„Spreek toch geen nonsens,” antwoordde de politieagent, „ik ben een collega van u.”
„Dat kan iedereen zeggen,” lachte de Italiaan, „bewijs het mij door uw papieren.”
„Ik heb geen papieren bij mij,” sprak de agent. „Ik ben in opdracht van mijn regeering hals over kop aan boord van dit schip gezonden, om den vorst Von Plessenheim, die wij van spionnage verdenken, in het oog te houden.
„Mijn regeering heeft zich helaas vergist.
„Hij, dien ik voor den vorst moest houden, is een eenvoudig majoor, terwijl de werkelijke vorst Von Plessenheim, dien ik niet kende, gistermiddag het schip heeft verlaten.”
„Wie heeft het schip gistermiddag verlaten?” vroeg de Italiaan.
„Ik zei het u reeds”, antwoordde de Franschman, „de vorst Von Plessenheim met zijn adjudant.”
De kapitein, die het gesprek bijwoonde, mengde er zich nu in en vertelde den officier van politie het voorgevallene.
De Italiaan vloekte en beweerde, dat dit geen zuivere koffie was.
„Ik geloof”, sprak hij, „dat de vogel mij ontsnapt is. Merkwaardig, zooveel geluk als die kerel heeft. Maar misschien zal het mij toch lukken en ik zal dadelijk naar Londen telegrafeeren. Misschien kan inspecteur Baxter met zijn beambten den avonturier in Londen vangen.”
„Haal uzelf geen onaangenaamheden op den hals! Het is geen avonturier geweest, dien ik aan boord had, maar inderdaad de vorst Von Plessenheim. Overtuig u zelf!”
Hij wees naar de orde op zijn borst.
„Deze onderscheiding heb ik van Zijne Hoogheid gekregen. Een avonturier kan geen decoraties verleenen!”
„Ik zal het aan mijn collega’s in Londen overlaten, zich onaangenaamheden op den hals te balen”, antwoordde de Italiaansche officier van politie.
„Voorloopig moet ik dezen heer”, hij wees naar den Franschen beambte, „voor gevangen verklaren, daar hij geen papieren betreffende zijn persoon bij zich heeft.”
„Nu, ik denk”, lachte de Franschman, „dat u juist op dit oogenblik het ontbreken mijner papieren mijn identiteit als detective het beste moest bewijzen.”
„Eigenlijk hebt gij gelijk!” antwoordde de Italiaan, „iemand die geen papieren bij zich heeft, en niet kan bewijzen wie hij is, zou best een detective kunnen zijn.
„Maar ik kan niet anders handelen. Ik moet u, totdat ik de bevestiging uwer opgaven uit Parijs heb ontvangen, in hechtenis nemen. Volg mij in naam der wet.”
Zoo geschiedde het, dat de eene politiebeambte den anderen gevangen nam, inplaats van Raffles.— —
Inspecteur Baxter had zooeven een telegram ontvangen en de vloo, secretaris Marholm, sloeg hem in het geheim gade om te zien, welken indruk het telegram op den machtigen chef maakte.
De vloo kon tevreden zijn, want Baxter glimlachte vergenoegd, wreef zich de handen en sprak op luiden toon:
„Fameus! Nu heb ik hem eindelijk in de val!”
„Wien hebt gij in de val?” vroeg de vloo. „Onzen vriend Raffles soms?”
„Goddam! De duivel hale je grootmoeder!” vloekte Baxter, „wat gaat het jou aan, als ik in mezelf spreek?”
„Dat gaat mij inderdaad niets aan!” antwoordde Marholm en hij legde de pen op tafel, een teeken, dat hij graag een langdurig gesprek met zijn chef wilde houden.
„Welnu dan!” snoof de inspecteur, „zwijg dan en antwoord mij, als ik u wat vraag!”
„Dat ben ik met u eens!” antwoordde de vloo kalm, haalde zijn kort pijpje uit den zak, benevens een pakje tabak en begon langzaam als een philosoof en zoo nauwkeurig mogelijk zijn pijp te stoppen.
Daarna streek hij aan zijn broek een lucifer aan en begon te rooken.
Hij wist, dat inspecteur Baxter al zijn bewegingen volgde als de kat een muis, daarom deed hij zijn best om zich zoo weinig mogelijk te haasten.
Hij had zich reeds den geheelen morgen over zijn chef geërgerd, omdat deze hem, zooals herhaaldelijk voorkwam, achterstallig werk, dat hij zelf reeds twee dagen geleden had moeten afdoen, had opgedragen.
Nu moest Marholm maar zien, hoe hij het klaarspeelde.— —
Daar lagen spoedzaken en andere dingen, die door de nonchalante onverschilligheid van den inspecteur het grootste onheil konden aanrichten, als zij niet werden behandeld.
Marholm had zich na vier uur lang ingespannen te hebben gewerkt, door den hoop acten heenworsteld en kon zich nu gerust de weelde van een pijp tabak veroorloven.
Hij wist, dat Baxter den rook niet kon verdragen, maar dat liet hem koud.
Al kon de inspecteur den tabaksrook niet verdragen, toch was hij genoodzaakt om Marholm, die al zijn werk in orde maakte, in zijn bureau te dulden, want de vloo had hem eens voor altijd verklaard, dat hij zonder zijn pijpje het niet in het bureau kon uithouden.
Baxter wierp hem een giftigen blik toe en sprak:
„Waarom rook je toch geen sigaren?”
„Ja”, antwoordde de vloo, „zoo gaat het nu eenmaal in de wereld. Ik kan uw sigaren niet ruiken en gij mijn shagpijpje niet. Dat is wederzijdsche antipathie! Ik zeg er u ook immers niets van, als gij rookt?
„Als ik iemand zie met een sigaar in den mond, denk ik altijd aan een zuigeling met een speen.”
„Zijt gij eindelijk uitgesproken?” vroeg Baxter, „wij hebben wel wat anders te doen! Kijk eens na in het koersboek, hoe de beste aansluiting is naar Cuxhaven.”
„Wilt gij op reis gaan?” vroeg de vloo.
„Ja! En gij met verscheiden andere beambten zult mij vergezellen!”
„Dus naar Duitschland? Wat is daar aan de hand? Moeten wij soms verbieden, dat zij hun vloot uitbreiden?”
„Klets niet! Kijk het koersboek na! Wij moeten ons haasten opdat de schurk ons niet ontsnapt.”
„Een schurk?” vroeg de vloo. „Ik weet niet, dat er in Engeland, de koloniën of ergens anders ter wereld een groote misdaad is gepleegd.”
Hij nam zijn grooten reisgids van zijn schrijftafel, keek dien in en antwoordde:
„De beste verbinding is via Vlissingen en dan verder per spoor.
„De trein vertrekt om zes uur van hier naar de haven.”
„Allright!” antwoordde de inspecteur van politie. „Zeg tegen sergeant Thomson en ook tegen detective Schmidt, dat zij zich hier om 5 uur in het bureau moeten gereed houden voor de reis naar Duitschland.”
„Wilt gij mij niet vertellen, mijnheer de inspecteur, waarom het handelt?”
„Gij hebt alleen te doen wat ik beveel!”
„Ik vraag u ook niet als beambte, heer inspecteur, maar gij weet, dat ik u reeds dikwijls een goeden raad heb gegeven, die u voor allerlei onheil zou hebben behoed, als gij hem hadt opgevolgd en alleen daarom ben ik zoo vrij, deze vraag tot u te richten.”
„Neen”, antwoordde Baxter, „in dit geval heb ik uw raad niet noodig en ik kan mij ook niet herinneren, ooit goeden raad van u te hebben gekregen!
„Ik was altijd heel dom...”
„Dat ben ik met u eens”, lachte de vloo.
„Wat zegt gij?” vroeg Baxter woedend, omdat hij niet wist, waarom de vloo lachte.
„Ik zeg niets!” antwoordde de vloo. „Gij hebt zooeven zelf gezegd, dat ik in uw tegenwoordigheid er geen meening op na mag houden. Beveel slechts en dan zal ik doen, wat gij wenscht. Ik zal nu mijn collega’s berichten, dat zij zich gereed moeten maken.”
Met den zes uurstrein vertrokken de inspecteur van politie Baxter, de vloo, de politiesecretaris Thomson en de detective Von Schmidt naar de haven, maar alleen Baxter wist, met welk doel.
Hij vermeed het, gedurende de geheele reis, meer te spreken dan hoog noodig was.
De vloo, die voor zijn vermaak de eene pijp na de andere rookte, kon het idee niet van zich afzetten, dat Baxter weer op weg was, een groote domheid te begaan.
„Ik ben nieuwsgierig wat deze reis weer te beteekenen heeft!”
Zonder oponthoud reisden zij naar Cuxhaven en daar begaven zij zich onmiddellijk naar de aanlegplaats der stoombooten.
Reeds over een paar uur zou een schip der Middellandsche Zeelijn binnenkomen.
De vloo hoorde dit uit een gesprek tusschen Baxter en een douaneofficier.
„Ik ben werkelijk nieuwsgierig,” fluisterde Marholm tot sergeant Thomson, „wien wij verwachten.”
Intusschen hadden Baxter en zijn beambten zich verzekerd van de hulp van den Hamburgschen commissaris van politie voor de arrestatie.
Deze beambte zorgde voor de hulp van twintig manschappen aan den steiger. Deze waren aangekomen en twaalf van hen hadden zich op de kade opgesteld, toen de boot langzaam, door de loodsen gestuurd, de landingsplaats naderde.
„Let op, mannen”, sprak de Hamburger commissaris van politie, „de boot voert in top een vorstelijke vlag. Er is een of andere Hoogheid aan boord.”
Nauwelijks legde de boot aan of de beambten van politie met Baxter aan het hoofd, begaven zich aan boord en de laatste sprak tot den verbaasden kapitein:
„Wijs mij de passagiers, welke gij in de Middellandsche Zee van boord der „Rotterdam” hebt overgenomen.”
Hij moest zijn bevel tweemaal herhalen, want de kapitein vertrouwde zijn ooren niet en keek zeer verbluft.
Eindelijk sprak hij:
„Gij bedoelt toch niet Zijne Hoogheid den vorst Von Plessenheim?”
„Nonsens!” antwoordde Baxter, „ik bedoel een der slimste oplichters, dien wij sinds lange jaren vervolgen, een zekeren John C. Raffles!”
„Mooi, Sir!” sprak de kapitein, die nu over de eerste verbazing heen was, „zoekt hem dan maar!
„Ik heb behalve den vorst en diens adjudant geen passagiers aan boord genomen.”
De passagiers begonnen reeds ongeduldig te worden en begonnen reeds aan wal te gaan.
Zoodoende bleef Baxter niets anders over dan met zijn beambten het schip te verlaten, daar de kapitein geen onderzoek veroorloofde.
Hij nam plaats aan den voet der landingsbrug, welke de stoomboot met den wal verbond, om ieder der passagiers nauwkeurig op te nemen, zoodra hij over de brug aan land ging.
De stewards kwamen het eerst met de handbagage der passagiers, daarop volgden de reizigers zelf.
Bijna het laatst kwam John C. Raffles in klein generaalstenue, dat hij als plaatsvervanger van den vorst Von Plessenheim droeg.
Nauwelijks had Baxter hem opgemerkt, of een gejoel van blijde verrassing maakte zich van hem meester.
Hij herkende zijn vijand, ondanks de schitterende uniform. Zijn hart klopte hoorbaar van vreugde!
Eindelijk had hij John Raffles!
Aan ontsnappen viel niet te denken. De brug was slechts zoo smal, dat twee passagiers er tegelijkertijd naast elkaar op konden loopen en aan het eind stond Baxter met zijn beambten en daarachter de Hamburger politiecommissaris met twaalf agenten.
„Aha!” riep Baxter zacht tot Marholm, „ook zijn trouwe vriend en helper, de beruchte Brand! Dat is een goede vangst!”
„Bega geen dwaasheden!” fluisterde de vloo terug.
„Ik waarschuw u! Wie weet, of het inderdaad John C. Raffles is?”
„Vergissing is onmogelijk!” sprak Baxter. „Hij is het—hij is het! En nu zal ik hem gevangen nemen!”
De groote onbekende was langzaam de landingsbrug afgekomen en stond nu op een armlengte verwijderd van den inspecteur van politie.
„In naam der wet, John C. Raffles, verklaar ik u voor gevangen!” sprak Baxter, den heer in generaalsuniform naderend.
Verbaasd keek de commissaris van politie naar zijn Engelschen collega. Hij wist niet, wat hij van het geval moest denken.
Daar klonk helder en duidelijk van de landingsbrug, als een Pruisisch commando, de stem van Raffles:
„Wachtmeester, arresteer dezen man! Hij waagt het, mij te beleedigen!” (Zie het titelblad.)
Handig sprongen de commissaris en agenten naderbij. Nog voordat Baxter een woord verder kon spreken, voelde hij zware handen op zijn schouders, werd hij van de brug weggetrokken en hoorde hij den commissaris van politie zeggen:
„Gij hebt den vorst zwaar beleedigd, ik verklaar u voor gevangen!”
Snel boog zich een der beambten over hem heen en deed hem boeien aan.
„Laat mij los!” riep Baxter en hij trachtte te vergeefs zich uit de vuisten der agenten los te werken.
Maar deze waren gewend, dat, wat zij vastpakten, niet weer los te laten, behalve wanneer een hunner meerderen het beval.
Hun chef echter stond in militaire houding tegenover den vorst Von Plessenheim.
„Commissaris!” sprak de vorst, „het is een ongehoorde brutaliteit mij, die generaalsuniform draagt en die dus niet verwisseld kan worden met een persoon in civiel, te willen arresteeren.”
De commissaris verontschuldigde zich en na een toestemmende handbeweging van den vorst commandeerde hij zijn manschappen:
„Brengt den man weg!”
„Hij is het! Hij is het! Het is John Raffles!” schreeuwde de wanhopige Baxter, terwijl hij een laatste poging deed om zich los te rukken.
Maar te vergeefs.
„Als je niet dadelijk stil bent, dan sla ik je met mijn vuist in het gezicht, zoodat je je tanden wel uit kunt spuwen. Wij maken hier in Hamburg weinig complimenten,” dreigde een der agenten en een andere riep:
„Je moogt blij zijn, dat je er zoo gemakkelijk afkomt! Ge schijnt niet te weten, dat, als een particulier zijn hand opheft tegen een officier, deze hem aan zijn sabel mag steken, zoodat hij daaraan spartelt als een kever aan een speld. Ik geloof, dat je dronken bent!”
Zij brachten Baxter naar de wacht, terwijl de vloo met zijn collega’s stond te praten.
„Jongens,” sprak hij, „dat is de mooiste grap, die ik ooit heb beleefd.
„Daar heeft onze inspecteur zich weer eens terdege de vingers gebrand.
„Goddam, als de Londenaren dat gewaar worden, lachen zij zich half dood! Het was een schitterend tooneeltje, toen Baxter door de politieagenten in hechtenis werd genomen— — — —
„Ik had groote moeite om mijn lachen te verbergen.
„Let eens op, dat wordt een amusant zaakje! Ik verzeker u, wat alle kranten te zamen niet kunnen klaarspelen, oorlog uit te lokken tusschen Engeland en Duitschland, dat zal onzen Baxter in zijn domheid nog wel gelukken.
„Wel mijn hemel! Dat is een ontzettende misslag, een vorst in generaalsuniform aan te zien voor John C. Raffles!”
„Nu,” sprak sergeant Thomson, „de vorst leek vervloekt veel op John Raffles!”
„Dat is waar,” antwoordde de vloo, „maar wanneer hier in Duitschland iemand een uniform draagt, al is hij de grootste schurk, dan is hij onder dat kleed veiliger dan achter de gepantserde wanden van een dreadnought.
„Hier moet men altijd tegenover de uniformen staan met de pinken op de naden van den broek!
„Dat is immers het ideaal van Baxter, dat hij ook bij ons in Scotland Yard wil invoeren.—
„En nu ben ik werkelijk zeer nieuwsgierig, of dat John C. Raffles dan wel inderdaad de vorst Von Plessenheim is.”
Zij gingen naar het station en keken naar het vertrek van den sneltrein.
Zij zagen, dat voor den vorst Von Plessenheim een extra wagon werd aangehaakt en dat de stationschef en diens beambten in groot tenue hem de noodige eer bewezen.
Tot den volgenden dag moesten zij op de invrijheidstelling van hun chef wachten.
Meterlange telegrammen werden eerst gewisseld tusschen Hamburg, Cuxhaven en Londen.
Toen Baxter eindelijk des avonds om 6 uur werd vrijgelaten, vloekte hij:
„Als gij weer grijnst, Marholm, dan sla ik u, zoo waarachtig als ik Baxter heet, de ribben stuk!”
„Wie grijnst er?” vroeg de vloo. „Gij schijnt hallucinaties te hebben; ik vind, dat de zaak meer om te huilen is!
„Den vorst Von Plessenheim verwisselt gij met Raffles en mijn doodbiddersgezicht met grijnzen.”
„Gij schijnt er bijzonder veel pleizier over gehad te hebben, nietwaar?” vervolgde Baxter. „Ik ken u immers.”
„Daarin vergist ge u weer,” sprak de vloo. „Vraag mijn collega’s. Dat is werkelijk geen pleizier, wat wij sinds gisteren hebben doorgemaakt. Ik ben er ziek van geweest.—Vooral, omdat ik bijna in mijn lachen was gestikt!”
Deze laatste woorden sprak Marholm echter niet luid.
„Maar dit zeg ik u, lieden,” snoefde Baxter, „ondanks mijn ellendigen toestand heb ik daar in de gevangenis veel geleerd.
„Daar mag niemand tot zijn superieur spreken zonder de hakken tegen elkaar te slaan en de pink op den naad van den broek te doen. Hij mag verder niets anders zeggen dan: „Tot uw dienst, ja!” of: „Tot uw dienst, neen!”
„Ik zal een nieuw reglement voor Scotland Yard in elkaar zetten en zal jelui drillen, dat geheel Londen er pleizier van zal hebben.—
„Alleen het eten is vervloekt slecht in de gevangenis.
„Ik heb een reuzenhonger,” voegde hij er aan toe.
Hij ging met Marholm naar een restaurant en at als een slootgraver.
Daarop sprak hij, nadat hij zich verzadigd had:
„Zoo goed heeft het mij in mijn geheele leven nog niet gesmaakt.”
Na het diner maakten zij een wandeling en begaven zich daarop naar hun hotel.
„Ik ben op een prachtig idee gekomen,” sprak Baxter plotseling.
„Nu, nu,” bromde Marholm, „houd uw prachtige invallen liever voor u.”
Baxter’s oogen rolden woest.
„Wilt ge mij alweer tergen, Marholm? Als ik zeg, dat ik een prachtig idee heb, dan is dat zoo. Morgen zullen wij met den vroegtrein naar Bücklingsburg reizen. Daar zal ik mij er van overtuigen, of dat Raffles dan wel de vorst Von Plessenheim was.
„Als het werkelijk de vorst was, dan zweer ik, dat ik mijn ontslag indien.
„Maar ik durf er mijn hoofd op verwedden, dat de commissaris te Hamburg een vriend is van Raffles.”
„Wel,” sprak de vloo, „dat vind ik niet erg voor de hand liggen. Gij schijnt grooten lust te hebben u nog meer te blameeren.”
„Wat?” riep Baxter uit, „wat zegt gij daar? Ik zou mij geblameerd hebben? Mijnheer! Gij schijnt niet te weten, met wien gij spreekt. Ik blameer mij in het geheel niet! Ik ben in dienst en— — — —”
Hij hijgde naar adem, omdat hij verder geen woorden kon vinden. Daarop vervolgde hij, zonder zijn zin te kunnen eindigen:
„Maar in Bücklingsburg zal ik alles te weten komen. Gij kunt morgenochtend per boot naar Engeland terugkeeren. Uw collega’s kunt gij meenemen, ik zal de verdere reis alleen maken.”
„Goddank!” zuchtte de vloo.
„Wat bedoelt gij?” riep Baxter, „beweerdet gij nog iets? Voortaan hebt gij mij alleen te antwoorden: Tot uw dienst, ja! Tot uw dienst, neen! Begrepen?”
„Dat kan vermakelijk worden,” lachte de vloo, „ik geloof niet, dat de Lord-mayor met deze nieuwe schikking genoegen zal nemen.”
„Ik vind mij zelf precies een hoofdfiguur uit een operette”, sprak Raffles, even voordat de trein, die hem naar de hoofdstad Bücklingsburg bracht, het station binnenliep.
„Ja”, antwoordde Charly Brand, „het gaat zeer komiek toe in de wereld en vooral de dingen, die met jou gebeuren, hebben in de meeste gevallen een zeer vermakelijk tintje.”
„Pas nu eens op, mijn lieve jongen”, vervolgde Raffles, „nu zal je de menschen in al hun kleinheid leeren kennen!