Produced by Frans Brinkhof, Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Books project.)
DE MARTELAARS
DER
WETENSCHAP.
NAAR HET FRANSCH VAN G. TISSANDIER
DOOR
Jo. DE VRIES.
HAARLEM.
H. D. TJEENK WILLINK.
1881.
VOORREDE.
De Martelaars der Wetenschap heet dit boek. Het heet zoo in navolging van den ouden »Martelaarsspiegel", waarin de daden werden vermeld, de moed en de godsvrucht verheerlijkt van die helden, die voor hun geloof wisten te sterven. Niet over deze, over andere geloofshelden handelt dit boek. Het wil een spiegel zijn, waarin gij de martelaars der wetenschap aanschouwt, hun geloof, hun strijd, hun lijden.
Groot zeker zijn de zegeningen, die de eigenlijke martelaars ons hebben geschonken. Zij, die voor een godsdienstige overtuiging hebben geleefd en gestreden, hebben tegenover het doodend gezag van Staat of Kerk de vrijheid des geestes gehandhaafd. Zij hebben de liefde onderhouden voor het onderzoek en voor de waarheid, waar deze aan banden werden gelegd. Zij hebben ons getoond welk een vrede, welk een blijdschap er blijft, ja groeit, te midden van vervolging en druk. Zij hebben ons geleerd alles op te offeren voor de heiligste, innigste overtuiging. Uit de theaters en renperken, van de schavotten en de brandstapels, uit de gevangenissen en uit de ballingschap, uit het stil en onderworpen, maar volhardend en onverschrokken lijden dezer helden en heldinnen gaat een kracht uit, die u ook dan bezielt, wanneer de overtuigingen, waarvoor zij vielen, de uwe niet zijn.
Een paar martelaars, die van godsdienstvervolging te lijden hadden, komen op de volgende bladzijden voor. Daar hebt gij een Servet, een Palissy, een Ramus en anderen; maar welk een boek ware dit werkje geworden, wanneer het ook een martelaarsspiegel in de oude beteekenis van het woord had willen zijn. Want de godsdienst heeft de meeste martelaars. De godsdienst brengt de harten in beweging, wekt de aandoeningen op, en bezielt den mensch met een liefde en geestdrift, die van geen wijken weten. Aan de eene zijde verheft hij den man der hervorming boven alle vrees, elk schikken en plooien; aan de andere zijde vervult hij den man des behouds van het denkbeeld, dat toegeven ontrouw en verraad is. Iedere godsdienstige hervorming is gekocht ten koste van strijd en bloed. Het is waar, wat er gezegd is: wij zijn duur gekocht. De schimmen van zoovelen, die in Rome vielen, staan voor ons op. Zij werden aan palen verbrand, zij moesten in het theater de treurspelrollen vervullen, op het einde waarvan zij een echten dood stierven door zwaard, vergif of verminking, zooals het stuk het meebracht. De schimmen rijzen voor ons op van de Albigenzen, voortgedreven, verjaagd, zich verschuilend voor de vervolging. Johan Huss, onze vaderen, de Hugenoten, door de dragonades van schuilplaats tot schuilplaats nagezeten en over de kling gejaagd, door de dweepzucht aan de banken der galeien geketend: het rijst alles voor ons op in den grooten Martelaarsspiegel van den godsdienst, en boven die allen verheft zich Golgotha's heuvel met het kruis,--dat kruis, 't welk voor het christelijk gevoel het lijden heeft geadeld, allermeest waar het geleden wordt voor beginselen van menschenliefde, vrede en waarheid. Aan al deze martelaars zijn wij onze vrijheid verschuldigd, aan al deze martelaars dankt het geweten de erkenning van zijn heilig recht. Wie hen vergat, zou de grootste weldoeners van de menschheid vergeten, de verdedigers van onze edelste schatten.
Doch ook de wetenschap heeft hare martelaars. Genieten wij de zegeningen der beschaving, zijn wij door haar verlicht geworden, ook als kinderen der beschaving zijn wij duur gekocht, duur gekocht door het lijden en strijden, door de tranen en de opofferingen van onze broeders. Ook op dit gebied geen vordering zonder kamp, zonder worsteling.
Daar is in de wereld een groote neiging om de dingen te laten zooals zij zijn, een neiging des behouds. De wereld zoekt haar zelfbehoud, het behoud van zich zelve, zooals zij op een gegeven oogenblik is. Telkens wordt zij door de kracht van een genie voortgestuwd; maar ter plaatse, waar zij door die kracht gebracht is, blijft zij gaarne staan, en telkens weer blijft zij staan, zoodat elke vooruitgang nieuwe inspanning, nieuwen strijd, nieuwe overwinning eischt. Het is niet anders. Moge de goede tijd komen, waarin men den hervormer, den man van nieuwe denkbeelden en uitvindingen, zonder achterdocht, zonder spottenden glimlach aanziet! Die goede tijd zal komen. Immers naarmate de wetenschap zich uitbreidt en er nieuwe overwinningen worden behaald, wordt het rijk der rede en dat der kennis grooter en dat ongelukkige rijk der duisternis, des bijgeloofs en des vooroordeels kleiner, waaruit al de kuiperijen, al de tegenstand, al het zuchten, dood en verderf voortkomen. Ja, die goede tijd komt. Edison's uitvindingen mogen een ongeloovige vraag wekken: men is wijs geworden en oordeelt niet zonder ze te hebben onderzocht. Het denkbeeld dat de natuur onuitputtelijk is in wonderen zet zich vast, en wij begroeten elke nieuwe uitvinding met blijdschap. Intusschen zullen wij niet vergeten wat er vooraf is gegaan, voordat het zoover met ons is gekomen. Wij willen hen eeren, die onder strijd en lijden het licht hebben ontstoken. Daartoe strekke dit boek. Wij genieten van de voordeelen--mogen wij ook belang stellen in de vraag hoe ze verworven zijn, en gevoel hebben voor die grootheid van ziel, waarmee ze verkregen zijn en waarmee alleen voor het vervolg iets groots verkregen kan worden.
De hier volgende tafreelen zijn grootendeels de vertaling van een fransch werk, getiteld: Les Martyrs de la Science. Sommige gedeelten, die naar mijn oordeel minder belangrijk en kennelijk alleen door des schrijvers vaderlandsliefde ingegeven waren, heb ik achterwege gelaten. Een paar beelden daarentegen, zooals die van Freule Tinne, Spinoza, Balthasar Bekker, Jan Swammerdam e. a.--naar ik hoop niet onbelangrijk--heeft mijn vaderlandsliefde mij er bij doen voegen. Verder heb ik hier en daar, met name aan het slot, een paar indrukken, bij het overbrengen ontvangen, weergegeven.
Dat dit boek den lezer iets leere; dat het, kan het zijn, een goeden, bezielenden indruk nalate; dat het al wat jong is, tot denken, tot arbeid, tot zelfstandigheid, tot volharding aanspore en een gezonde levensbeschouwing bevordere, is mijn wensch.
Jo. DE VRIES.
Haarlem, September 1880.
INHOUD.
Bladz.
I. Tot inleiding dienende 1 II. De verovering van den aardbol 11 III. Het onderzoek naar de hoogere luchtstreken 41 IV. De ontdekking van het wereldstelsel 51 V. De boekdrukkunst 68 VI. De weg der wetenschap 76 VII. Stichters van wetenschappen 93 VIII. De nijverheid en hare werktuigen 110 IX. Stoombooten, spoorwegen, telegrafen 131 X. De geneeskundigen 157 XI. De gewone soldaat 163
NAAMLIJST.
Bladz. Bladz.
Aldus Manutius, 71 Langle (de), 38 Arban, 47 Lavoisier, 106 Arkwright, 122 Leibnitz, 133, 134 Auteroche (d'), zie Chappe. Leblanc, 111 Baco (R.), 77 Lebon, 115 Balmat, 42 Leichardt, 38 Barentz, 23 Lémery, 99 Bayen, 112 Livingstone, 29 Bekker (Balthasar), 91 Mac Kinlay, 39 Bichat, 157 Mage, 29 Bittorf, 47 Magelhaens, 19 Blanchard, 45 Manutius, zie Aldus. Blanchard (mevrouw), 47 Morton, 162 Blosseville (de), 27 Mosment, 47 Bourrit, 42 Muspratt, 112 Boyle, 132 Newton, 65 Bruno (G.), 80 Ogden, 136 Burke, 39 Olivari, 47 Caillé, 27 Palissy, 82 Campanella, 80 Papin, 131 Chappe d'Auteroch, 4 Pascal, 93 Chappe (Claude), 152 Perdonnet, 152 Columbus, 11 Péreire, 152 Cook, 36 Périer, 95 Copernicus, 51 Pérouse (la), 38 Cortez, 19 Pilâtre de Rozier, 44 Cowle, 39 Plantade, 42 Crocé Spinelli, 47 Plinius, 2 Cugnot, 152 Priestley, 102 Dallery, 142 Quintin, 29 Ericsson, 142 Ramus, 80 Dolet, 74 Ressel, 142 Dombey, 160 Richman, 6 Dürer, 71 Riquet, 8 Etienne, 74 Romain, 44 Fitch, 135 Rozier, zie Pilâtre. Franklin, 24 Sadler, 47 Fulton, 136 Sauvage, 142 Galilei, 52 Scheele, 100 Garnier, 35 Servet, 87 Gilles, 39 Sivel, 48 Girard (de), 125 Slagintweit, 44 Gutenberg, 69 Spinelli, zie Crocé Spinelli. Hardwicke, 39 Spinoza, 90 Harvey, 160 Stanley, 32 Hasselquist, 3 Stephenson, 144 Heilman, 129 Stevens, 142 Hervy, 7 Stockton, 146 Hudson, 24 Swammerdam, 158 Huygens (Chr.), 96, 131 Tinne, 35 Jackson, 162 Tissandier, 47 Jacquard, 122 Tycho Brahé, 60, 62 Jacquemont, 4 Vesalius, 158 Jefferies, 45 Warburton, 39 Kay, 122 Wells, 161 Kennedy, 38 Windham, 41 Kepler, 58 Zambeccari, 46 Copernicus, 51
HOOFDSTUK I.
TOT INLEIDING DIENENDE.
Met hoevele groote veroveraars, helden en overwinnaars zijn wij niet van kindsbeen af bekend geworden! Wij kennen hen bij name. Wij mogen hunne groote daden vooral niet vergeten. Wie kent dan ook Alexander, Caesar, Richard Leeuwenhart, den Cid, Hendrik IV, Lodewijk XIV, Wallensteyn, Napoleon niet? Hunne namen vervullen de wereld en stonden met groote letters gedrukt in onze geschiedboeken. Ach, wat weten wij van die andere helden, veroveraars en verwinnaars, die dikwijls in vergetelheid weggescholen kunstenaars, onderzoekers, arbeiders, die op hunne wijze het aanzien der wereld veranderd hebben? Wat weten wij van Euclides, van Archimedes, wier ontdekkingen ook in onze dagen tot zooveel nuttigs werden toegepast? Hebben wij niet aan hen en aan de trouwe arbeiders en onderzoekers aller hemelstreken en aller tijden de beschaving te danken, die wij thans genieten? Inderdaad. Wat zijn wij anders dan de gelukkige erfelijke bezitters van dat groote gebied, dat zij, de eeuwen door, hebben ontgonnen en bebouwd, en wie plukken er de vruchten van, zoo wij het niet zijn?
Onder al die groote namen, die door de bewondering der menigte ten hemel verheven zijn, heeft Geoffroy Saint-Hilaire gezegd, zijn er geen grootere en moesten er ook geen grootere wezen, dan die der eerste ontdekkers en uitvinders.
Welk een onderricht, welke voorbeelden verschaft ons het verhaal van hun leven, hun inspanning, hun strijd!
Willen wij weten op welke wijze groote dingen tot stand komen, dan moeten wij hen aan het werk zien, hun veerkracht, volharding en onverzettelijkheid met eigen oogen kunnen waarnemen.
Hooren wij Newton, hij zal ons zeggen, dat hij zijne ontdekkingen heeft gedaan »door er maar altijd aan te denken." Buffon roept: »Genie?--Genie is geduld." Allen spreken bovendien een en dezelfde taal. Arbeid en volharding is hun gemeenschappelijke leuze.
Met den tijd wordt, als men maar geduld heeft, het moerbezieblad in zijde veranderd, leert een Indisch spreekwoord. Newton schreef zijn »Chronologie" vijftienmaal over, voordat hij voldaan was. Michel Angelo werkte voortdurend door, stond dikwijls 's nachts op, om te werken en at in der haast. Veertig jaren lang zat Buffon dagelijks vijf morgenuren en vijf avonduren aan zijn lessenaar te schrijven. Montesquieu zeide eens van een zijner werken: »Gij zult het zeker binnen eenige uren uitlezen; maar ik verzeker u dat mijn haar grijs geworden is van den arbeid, dien ik er aan besteed heb."
»Zij, die meenen dat men slagen kan zonder arbeid, moeite en strijd,--zoo heeft Franklin gezegd--moeten vast giftmengers zijn."
Maar welk doel de mensch ook najaagt, hij moet zich niet alleen tot den arbeid schikken, hij moet ook leeren bezwaren te overwinnen, struikelblokken weg te ruimen. Wat hij ook onderneme, hij moet worstelen, om te slagen en te overwinnen in het strijdperk zijns levens. En wie van strijd spreekt, spreekt van gevaar en ongeluk.
Wil de landontdekker nieuwe, onbekende streken doorreizen, zeeën en meren oversteken, het gebied der aardrijkskunde uitbreiden, de planten- of bloemenwereld van vergelegen landen onderzoeken, dan zullen zich allerlei gevaren voor hem opdoen. Storm en vreemdelingschap, menschen en dieren, honger en dorst, verraad en vervolging zullen zijne vijanden zijn.
Hoevele weetgierige onderzoekers, van Plinius den Ouden af, hebben niet den dood gevonden, sneuvelende voor de wetenschap, gelijk anderen 't deden voor vorst, eer of vaderland, en martelaars 't deden voor de waarheid! De geschiedenis van Plinius is de eeuwige geschiedenis van den door de wilde natuurkrachten verbrijzelden mensch. Hij is te Micene, en daar ziet het opmerkzaam oog des onderzoekers een wuivende pluim van rook boven uit den top van den Vesuvius te voorschijn komen. Hij scheept zich in en begeeft zich naar de huizen, die aan den voet des kraters liggen, ten einde daar het grootsch natuurverschijnsel meer van nabij te bezien en te bestudeeren. De schepen worden door een gloeienden aschregen overvallen, die heeter wordt naarmate men nadert. Gloeiende steenen komen hier en daar in zee neder. De verschrikte stuurman wil den boeg wenden en de gevaarlijke plek ontvluchten. Maar Plinius antwoordt met die bekend geworden spreuk: »de fortuin staat hen bij, die durven." De natuuronderzoeker stapt aan wal en beschouwt van verre de dreigende vuurbrakingen van den krater. Hij legt zich te rusten in een woning, maar de aardbeving en een regen van steenen nopen hem bij het aanbreken van den dag te vertrekken. Plinius en zijne metgezellen leggen zich kussens op het hoofd, om zich zoo te beveiligen tegen de steenen, doch de lavastroomen, die van alle kanten tot in zee nedervloeien en de lucht met vlammen en gassen vervullen, worden hun te machtig en het wordt een algemeene vlucht. Plinius echter houdt stand aan de kust; daar staat hij in een wolk van zwaveldampen. Hij voelt zich benauwd, laat zich door zijne slaven vasthouden en valt bewusteloos neer. Twee dagen later vond men zijn lijk, ongeschonden, zonder wond, gansch gekleed. Hij leek eerder te slapen, dan den dood gevonden te hebben.
Sedert dat merkwaardig voorval hebben dorst naar kennis, liefde voor de natuur, toewijding aan de wetenschap nog wel andere slachtoffers doen vallen. Eenige voorbeelden wil ik noemen en allereerst dat van den Zweedschen natuurkundige Hasselquist. Linnaeus had zijn spijt te kennen gegeven dat de natuurlijke geschiedenis van Palestina tot dusver nog zoo weinig bekend was. Hoewel een zwak en nietig persoon, weinig opgewassen tegen de vermoeienissen eener groote reis, besloot Hasselquist toch die leemte te gaan aanvullen. Twee jaren lang bereidde hij zich voor. Hij las de beste werken, die er over het Oosten geschreven waren en leerde de talen der landen, die hij bezoeken wilde en won zich ondertusschen aller deelneming en liefde. In Stockholm en Gothenburg werden sommen gelds aangeboden, om daarmede in de onkosten der reis te voorzien. Hij scheepte zich in naar Smyrna en kwam daar den 26sten November 1749 aan. Een jaar lang bleef hij daar; maar onophoudelijk maakte hij langere en kortere uitstapjes naar Magnesia, den Sipylus, Egypte, Alexandrië, en ondertusschen liet hij niet na een groot aantal verslagen van zijne ontdekkingen en opmerkingen naar de Akademie's van Upsala en Stockholm op te zenden. Beide deze geleerde instellingen beloonden hem door hem tot eereposten te benoemen en de eerste verleende hem den titel van doctor. In Maart 1751 verliet Hasselquist Caïro en maakte lange reizen door Palestina, waar hij botaniseerde en zeer wetenswaardige bijzonderheden verzamelde over de sprinkhanen. Een zware hoest, die maar niet wijken wilde en herhaalde bloedspuwingen deden hem daarbij geweldig lijden. Het werd nu tot herstel van zijn gezondheid gebiedend noodzakelijk geacht dat hij naar zijn vaderland terugkeerde; maar de natuurkundige meende nog niet genoeg gedaan te hebben voor de wetenschap; welk een rijke verzameling van planten en hoevele belangrijke exemplaren van allerlei voorwerpen hij ook bijeen had, hij moest Cyprus nog bezoeken en te Smyrna een nieuwen oogst verzamelen. Maar zijn krankte overmocht zijn veerkracht en hij stierf op nauwlijks dertigjarigen leeftijd, ver van zijn vaderland, ver van allen, die hij liefhad.
Spreekt men van groote daden, mannen als Victor Jacquemont hebben ze verricht. Edele moed en diep gevoel, volharding en teederheid, liefde voor de wetenschap en geduld kenmerkten dezen uitnemenden jongen man, die op een leeftijd van eenendertig jaren ver van den huiselijken haard gestorven is. Jacquemont landde in Mei 1829 te Calcutta, ten einde een landstreek te onderzoeken, die de wetenschap nog maar weinig bekend was. Hij doorkruiste drie jaren lang zoowel de vlakten als de bergstreken van Indië, hield zijn verblijf te Kashmir en strekte zijne reizen uit over de lage streken en de hoogvlakten van den Himalaya. Terwijl hij voortdurend zijn best moest doen den naam van Franschman met eere op te houden te midden van de weelderige hoven der Aziatische grooten, en dat wel met een traktement van zesduizend francs per jaar, vergat hij de wetenschap geen oogenblik. Geen vermoeienis of tegenspoed kon hem tegenhouden en zoo, van een paar spahi's vergezeld, nu voorttrekkende, dan zich ophoudende om het een of ander aan te teekenen, kampende tegen allerlei bezwaren, heeft hij een voorraad bouwstoffen verzameld, ruimschoots voldoende om de geleerden gedurende eenigen tijd aan het werk te houden. De ijverige kruidkundige heeft niet veel vrucht van zijn arbeid gezien. Twee jaren lang stond hij bloot aan de aanvallen eener krankte, die hem ten grave sleepte. Te Bombay is hij overleden. Met voorbeeldeloozen moed en zelfbeheersching onderging hij de martelingen van zijn kwaal. Tot in zijne laatste oogenblikken was hij volkomen kalm. Hij vond zelfs de kracht om een brief te schrijven aan zijn broeder Porphyre, waarin hij hem en zijn vader troostte. Zoo stierf deze moedige strijder op het veld van eer.
Ook op een ander gebied, op dat der sterrekunde, zijn helden opgestaan en martelaars gevallen. Daar hebt gij den abt Jean Chappe d'Auteroche. Deze, een der jongste leden van de Fransche Academie, werd door dit lichaam naar Tobolsk in Siberië gezonden, om den doorgang van Venus waar te nemen, die er op den 6den Juni van het jaar 1761 te zien zou zijn. Hij kwam vrij gemakkelijk te Petersburg: maar vandaar naar Tobolsk was de reis vrij wat moeielijker. In twaalf dagen moest de sterrekundige meer dan drieduizend kilometers per slede afleggen, en dat onder allerlei hindernissen. Het vervoer zijner werktuigen kostte hem duizend vreezen. Maar, dank zij zijn geestkracht en ijver, bereikte hij nog bijtijds de plaats zijner sterrekundige waarnemingen. Den 5den Juni verschool de zon zich achter een dikken wolkensluier en gedurende den nacht werd deze onheilspellende sluier niet opgelicht. Onze abt verkeerde in de grootste spanning. »Op dit hemelverschijnsel toch," zoo kon hij getuigen, »werd nu al een eeuw gewacht; het verlangen aller sterrekundigen strekte er zich naar uit. In Frankrijk terug te komen en het doel van mijn reis gemist te hebben, het loon te derven van zooveel vermoeienis als alleen de hoop van goed te slagen mij deed trotseeren; in mijne waarnemingen gestoord te worden; op het beslissend oogenblik door een wolk en den kostelijken duur van het verschijnsel en de gelegenheid om het te bespieden met iedere minuut te zien inkrimpen, ziedaar een lijden, dat men moet ondervonden hebben om het te begrijpen."
Met zonsopgang dreven de wolken weg. Had Chappe slechts het allereerste gedeelte van het verschijnsel gemist, hij kon het verder rustig opnemen.
De sterrekundige had echter op zijn reis niet alleen naar de sterren gekeken. Zes jaren na zijn terugkomst in Frankrijk, gaf hij een verhaal uit van zijne ontmoetingen en deelde daarbij allermerkwaardigste bijzonderheden mede omtrent Aziatisch Rusland. Hij maakte openbaar wat de groote Catharina zoo zorgvuldig verborgen hield, onthulde de ellenden van het barbaarsch bestuur harer landen en bepleitte welsprekend de zaak der onderdrukte bevolking. De keizerin, die den sterrekundige haar hooge bescherming verleend had, voelde zich bitter gegriefd. Zij wreekte het door, op hare beurt, een werk uit te geven. De Semiramis van het Noorden liet te Amsterdam een fransch werk drukken: »Tegengif of onderzoek omtrent het slechte boek, getiteld: Reis door Siberië in 1761 door Chappe d'Auteroche." Men had, na het lezen van dezen titel, niet noodig te vragen, wat wel de strekking van dit geschrift mocht zijn en in welken geest het geschreven was. Was het niet geschreven door een vrouw van ongemeene geestesgaven, ja, maar die door vleierij verblind was? 't Was dan ook bijtend en vinnig genoeg.
»Zijn observatorium," zegt de vorstin, »was nog geen kwart mijl van de stad verwijderd, en zoowel de stad als hare voorsteden werden uitgenoodigd hem te bezoeken. Er kwam zooveel bezoek dat het wel een wonder wezen zal, wanneer zijne waarnemingen juist zijn. Want zoolang zijne waarnemingen heetten te duren, werden zij afgewisseld door allerlei gesprekken, vragen, antwoorden en gelach; ja, de geleerde ontzag zich niet het hof te maken aan de dames of beuzelde met den heer Paulowtski over de Apocalypse en het einde der wereld."
Dat was niet billijk van de groote Semiramis. Men mag met reden twijfelen aan de onfeilbaarheid van den geleerde, maar zijn ijver en toewijding, zijn liefde voor de wetenschap, zijn boven alle verdenking verheven.
In 1769 zou het hemelverschijnsel, dat Chappe in Siberië was gaan zien, in Californië zichtbaar zijn. Chappe, wiens geestdrift nog geenszins was uitgedoofd, maakte zich gereed, toch nog eens voor de wetenschap zich op te offeren, en trok naar Californië, een landstreek, die toen ter tijde onbekend was en voor volkomen woest en onbeschaafd doorging. Californië behoorde destijds aan Spanje. Chappe vertrok den 18den September 1768 van Cadix en werd vergezeld van twee officieren in den dienst van Karel III. De overtocht duurde zevenenzeventig dagen. Na de grootste vermoeienissen doorstaan, de zwaarste beproevingen geleden te hebben, wist de gelukkige onderzoeker zijne instrumenten in het onbeschaafde land te stellen en werden zijne onderzoekingen met een gunstigen uitslag bekroond. Den 6den Juni 1769 was de lucht zeldzaam zuiver en geen enkel deel van het grootsche verschijnsel ontsnapte aan zijn waarneming.
Ten tweede male dus was Chappe d'Auteroche geslaagd, maar Californië werd destijds met zware epidemische koortsen geteisterd. Ook hij werd er door aangetast; hij kwam het gevaar te boven; maar nauwelijks hersteld, wilde hij de eclips van den 18den Juni waarnemen, en bracht den nacht met observeeren door, ten gevolge waarvan hij den volgenden dag weder instortte en stierf. Hij stierf te midden zijner sterrekundige berekeningen. Het papier waarop hij schreef, viel hem uit de hand, en hij was niet meer. »Ik weet dat ik nog maar eenige uren levens vóór mij heb," zei Chappe; »maar ik ga tevreden heen; ik heb mijn taak volbracht!"
De hervormer, de man die nieuwe wegen zoekt, die licht wil ontsteken, die domme vooroordeelen wil vernietigen, die den bodem der menschelijke kennis wil bebouwen en er nieuwe denkbeelden op zaait, zal gansch andere, maar niet minder ernstige bezwaren ondervinden. IJverzucht, nijd, haat zullen zich tegen hem kanten, de onwetendheid, tegen hem opgehitst, bedreigt hem telken stond. Galilei wordt vervolgd, Palissy wordt gevangen gezet, Ramus wordt in den St. Bartholomeüsnacht vermoord, Steven Dolet komt in de vlammen van de Inquisitie om. Deze en dergelijke ongelukken hebben gewoonlijk hem getroffen, die zijn tijd vooruit is geweest, te vroeg gekomen is met zijne plannen en uitvindingen en, volgens de kernachtige uitdrukking van Casimir Delavigne, het onverschoonbaar ongelijk heeft van maar al te zeer gelijk te hebben.
De natuurkundige en de scheikundige, die de natuur ondervragen en hare geheimen uitvorschen door de proeven, die zij met haar nemen, loopen weer andere gevaren. De aard van hun onderzoek stelt hen niet zelden bloot aan de schadelijke werking van de bestanddeelen, die zij onderzoeken of van de krachten, die zij zelven door allerlei verbindingen in het leven roepen.
Den 6den Augustus 1753 zou Richman, de geleerde secretaris van de Academie van wetenschappen te Petersburg, de elektriciteit van de wolken onderzoeken. Hij stond bij den metalen stang, die hij in zijn studeervertrek had opgericht en welks punt boven het dak uitstak. Hij had een teekenaar bij zich, Solokow genaamd, die een afbeelding maken zou van de proeven. Er hingen zware onweersluchten. Richman nadert den stang met een elektroscoop, en oogenblikkelijk vliegt er een vuurbol, van de grootte van een vuist, uit te voorschijn, die den ongelukkigen geleerde nedervelt. Solokow werd mede ter aarde geworpen en kwam langzamerhand bij. Richman was een lijk. De bliksem, die bij het hoofd was ingeslagen, was door het gansche lichaam, in zijn lengte, heengevlogen en bij den linkervoet weer uitgekomen. Enkele bloeddruppels vertoonden zich aan het voorhoofd, en aan den voet had de ongelukkige een blauwe plek daar waar de schoenzool doorgebrand was. De teekenaar had over zijn gansche kleeding lange brandplekken, alsof ze in aanraking was geweest met gloeiende ijzerdraden.
Den 30sten December 1840 was Hervy, een jong chemicus aan de school voor artsenijkunde, bezig met het vloeibaar maken van koolzuur en bezigde daartoe het toestel van Thilorier. Alles gaat goed totdat er een geweldige knal gehoord wordt. De spanning van binnen is grooter geweest dan de metalen wanden verdragen konden, het gansche toestel vliegt uit elkaar en Hervy, deerlijk verminkt, met afgeslagen beenen, bezwijkt drie dagen later.
De man, die de maatschappij zal voorzien van een nieuwe beweegkracht en die haar in toepassing wil brengen op een nieuw door hem uitgevonden werktuig, heeft terstond de gansche horde tegen zich van hen, die door den sleur worden gedreven; slaven, blinden, die zich opmaken om tegen hun eigen vrijverklaring te strijden. Denis Papin ziet de schuitenvoerders van den Rijn zijn stoomschuit in stukken slaan. Jacquard wordt door de burgers van Lyon bedreigd en 't is niet alleen het gemeen, dat het talent aanblaft, neen, verlichte menschen en zelfs de eerste vernuften laten zich soms tot zulke deerniswaardige handelingen verleiden.
Fulton stelt aan het Directoire voor torpedo's te laten maken en die bij de verdediging in te voeren. Volney en Laplace worden door den eersten Consul gekozen, om te zamen een commissie van onderzoek te vormen. Fulton verschijnt vóór hen en legt zijn plannen bloot; te Brest worden proeven genomen en als die niet terstond gelukken, ontzegt Bonaparte hem zijn verdere bescherming.
Arago is niet wijzer geweest dan Napoleon. De groote sterrekundige heeft de spoorwegen voor een hersenschim gehouden, en later heeft Babinet niet geschroomd het leggen van een telegraafkabel dwars door den Oceaan eene dwaasheid te noemen.
Ook de ambtsplicht heeft zijne offers; de geneesheer te midden der besmetting, de mijnwerker in het hart der aarde moeten den dood in het aangezicht weten te zien.
Het schouwspel van al deze martelaren van den vooruitgang, van al deze krijgsknechten, die voor edele doeleinden lijden of vallen, is wel in staat om medelijden op te wekken; maar het is verheffend tevens. Zoo doet ons ook de heldenmoed goed, die onze voorvaderen betoonden in den strijd. Door het leven en de daden van al die helden en martelaren der wetenschap moeten wij opgewekt worden om, evenals zij, voort te gaan kennis boven rijkdom, wetenschap boven gemak, moeite en teleurstelling boven ledigheid te stellen. Wij moeten van hen leeren onvermoeid voort te werken, geduld te paren aan geestdrift en voortvarendheid aan nauwgezetheid.
»Met de studie," heeft August, in Thierry gezegd, »komt men moeielijke dagen door, zonder hun last te gevoelen; men schept zijn eigen levenslot. Schoon blind en lijdend, zonder hoop op herstel en zonder verademing, kan ik zelf dit getuigenis afleggen--en wie zal mijn getuigenis verdenken?--dat er in de wereld iets bestaat, dat meer waard is dan zingenot, meer waard dan fortuin, meer dan de gezondheid zelve: namelijk de dienst der wetenschap."
Ook is er nog een andere reden om welgemoed te zijn--en wel deze: dat de martelaren minder talrijk worden, daar vooroordeel en onkunde afnemen. De vervolgingen, die in vroeger tijden zooveel martelaars deden ontstaan, hebben opgehouden. 't Is waar onze Livingstone's zullen door de koorts worden vervolgd op het terrein van hunne heldendaden; maar geen Columbus zal geketend worden door den haat en het onrecht. »Onze vaderen hebben het ijzeren tijdvak doorworsteld," zei Bernardin de Saint Pierre, »maar het gouden ligt voor ons."
Twee eeuwen geleden stierf Riquet, de ontwerper van het Zuiderkanaal, dat dwars door Frankrijk heen den Atlantischen Oceaan en de Middellandsche Zee verbindt. Hij stierf geruineerd. Nog altijd verdient dat groote werk onze bewondering. »Riquet, die," zooals Daguesseau zegt, »geen ander hulpmiddel dan een leelijken ijzeren passer tot zijn dienst had, legde zich met zijn geheele ziel op het werk toe, wijdde er een leven aan van geloof en volharding. Hij stierf van uitputting op het oogenblik, waarop het kanaal voltooid stond te worden. Het werk had niet minder dan 17 millioen livres gekost, Riquet had er zijn gansche fortuin bij verspeeld. »Mijn onderneming," schreef hij in 1667, »is het kostbaarste mijner kinderen. Ik wacht er niets van dan wat eer en uw goedkeuring." Het gaat de Lesseps, Dirks en anderen gelukkig beter. Ook wordt Darwin niet vervolgd. Zij en allen, die de wetenschap dienen, leven thans omringd van de achting hunner tijdgenooten en hunne portretten prijken in onze geïllustreerde tijdschriften.
Zoo zullen wij dan voornamelijk ons tot het verleden te wenden hebben.
Daar vinden wij die bezielde en bezielende martelaars, de helden die onze bewondering opwekken en onzen ijver.
Is er iets schooners dan de natuur, dan de kunst, dan de wetenschap, zoo is het de man, die tegenspoed verdraagt.
HOOFDSTUK II.
DE VEROVERING VAN DEN AARDBOL.
Christophorus Columbus schreef op het einde zijner dagen aan den Koning van Castilië; »Van mijn jeugd af voer ik ter zee en ik ben er mee voortgegaan tot heden. Dezen weg moeten zij kiezen, die de geheimen dezer wereld willen leeren kennen."
De groot Genuees had gelijk. De geheimen dezer wereld, de waarheden der wetenschap hebben hun oorsprong in de kennis der natuur. Zoo moeten wij dan in onze herinnering allereerst aan die mannen een eereplaats geven, die hun leven hebben gewijd aan het veroveren van den aardbol.
En geen treffender voorbeeld kunnen wij daarvan kiezen dan het voorbeeld van den heldhaftigen man, die ten koste van een hardnekkigen strijd tegen de ongenade van het lot en de vooroordeelen der menschen een gansch halfrond aan onze planeet als toevoegde.
Christophoro Colombo werd geboren te Genua omstreeks 1436. Hij was de zoon van een wollenkaarder en had twee broeders, Bartholomeus en Jacob. Na te Genua een degelijke opvoeding ontvangen te hebben, begon hij op zijn veertiende jaar zich als zeeman te bekwamen. Hij deed een tocht naar Tunis en in 1477 een reis naar IJsland. Hij had zich toen reeds te Lissabon gevestigd en trad daar in het huwelijk met Felipa Monis de Palestrello, de dochter van een zeevaarder. Geen plek ter wereld kon hem zoo bekoren als deze, want sedert een eeuw verbaasde Portugal de wereld met zijne ontdekkingstochten. Reeds rijpten stoute plannen in zijn brein. Hij bestudeerde nauwkeurig al de nieuwe wegen die de zeevaarders voor het verkeer geopend hadden en vatte weldra het grootsche voornemen op dier onderneming, die zijn naam de onsterfelijkheid zou geven. Zijn doel was geenszins, zooals men soms heeft gemeend, een nieuwe wereld te vinden; maar wel om, dwars over den Atlantischen Oceaan Indië op te sporen en westwaarts opzeilende het Oosten te ontmoeten.
Dit plan dat geenszins nieuw was, vervulde destijds vele gemoederen. De wijze Toscanelli en anderen hadden er al over gedacht, maar Columbus wijdde er zich geheel aan en maakte er zijn onherroepelijk levensdoel van.
Columbus was arm en zijn werk onmetelijk. Allereerst wendt hij zich tot zijn vaderstad, maar de stad Genua staat hem de middelen niet toe, die hij van noode heeft, wil hij zijn plan verwezenlijken. Hij draagt zijn plan vervolgens voor aan den koning van Portugal Joan II, die het deed onderzoeken door een commissie van twee beroemde aardrijkskundigen. Deze lieden hielden het denkbeeld van den zeevaarder voor een hersenschim en hemzelven voor een zonderling. De koning echter kon dit oordeel niet billijken en gaf zich een tijd lang over aan den invloed van een man van vooruitgang en kennis, Pierre de Noronha, die te recht begrepen had dat men, om de rijkdommen van Portugal te vermeerderen, zeeën moest oversteken en nieuwe wegen zoeken en nieuwe volken hechten aan de kroon.
Maar Joan II, weifelend van aard en zwak van wil, koos weldra de partij van Columbus' vijanden en wees niet alleen het aanbod af van den kundigen man, die voor Portugal een nieuwen zeeweg zou zoeken, maar pleegde jegens hem het zwartste verraad. De trouwelooze vorst knoopte onderhandelingen met Columbus aan, vroeg zijne kaarten te zien, liet hem zijn plan ontvouwen in tegenwoordigheid van zijne raadslieden, en toen hij al zijne geheimen bezat, ontzag hij zich niet een kleine vloot uit te rusten, die in de door Columbus aangewezen richting den Atlantischen Oceaan opvaren en den argeloozen zeevaarder berooven zou van de vrucht zijner overpeinzingen.
Nauwelijks was de kleine vloot vier dagen ver den Oceaan ingevaren of de zeelieden, door storm beloopen, werden door schrik overmand en keerden met schade en schande in de haven terug.
Toen besloot Christophorus Columbus een land te verlaten, waar hij niets dan de bitterste teleurstellingen ondervond. Ten tweeden male begaf hij zich naar Genua. Hij hernieuwde er zijne voorstellen, maar vond even weinig gehoor als vroeger. Hij liet zich echter door niets ter wereld ontmoedigen. Nog eens klopte hij aan bij de grooten, de hand ophoudende--maar ook het hoofd, als iemand die in 't belang der menschheid de ontdekking eener nieuwe wereld komt afbedelen.
Hij verkeerde nu in den uitersten nood; de groote sollicitant had slechts lompen om zich te kleeden. Daarbij verloor hij zijn gade en moest zelf zijn jongen, een knaap van elf jaren, verzorgen. Eens zwierf hij, in beklagenswaardige omstandigheden, door de omstreken van Palos de Mogues, een stad in Andalousië en kwam bij toeval voor de poort van een Franciscaner klooster. Hij klopt aan en vraagt een weinig brood en water. De prior Juan Perez de Marchena noodt den vreemdeling bij zich, ondervraagt hem, wordt getroffen door de waardigheid van zijn houding en is een en al verbazing, wanneer Columbus hem zijn geschiedenis verhaalt, zijn plannen ontvouwt en zijn verwachtingen mededeelt.
De gastvrijheid van den prior ging over in een warme vriendschap en, dank zij dezen machtigen beschermer, kreeg hij toegang tot het hof van Spanje en gehoor bij Ferdinand en Isabella.
Columbus begeeft zich nu naar Cordova, waar de koning verblijf houdt en met kracht de vijandelijkheden voorzet tegen de Mooren. Na maanden lang gewacht te hebben, werd hij eindelijk toegelaten. Bescheiden, maar vrijmoedig vertoont hij zich, wetende dat hij een gunstelings des Hemels is, uitverkoren om diens groote doeleinden te verwezenlijken. Ferdinand echter ziet in de plannen van Columbus een middel om ter zee met Portugal te wedijveren en neemt het besluit, bevoegde beoordeelaars over deze plannen te raadplegen.
De door den koning in Salamanca samengeroepen raad bestond uit geleerde monniken en grootwaardigheidsbekleeders der Kerk, mannen, niet weinig vooringenomen tegen iemand, die zich verstoutte iets te weten of hun eenige inlichtingen te geven. Deze lieden verwaardigden zich den armen gelukzoeker een willig oor te leenen.
Columbus had ten overstaan van deze heeren niet op wetenschappelijke vragen maar op bijbelteksten te antwoorden en op tegenwerpingen als deze: dat de leer der tegenvoeters onvereenigbaar is met het geloof. Waren er aan gene zijde van den Oceaan bewoonde landen, dan, zoo beweerde men, kon men niet langer aannemen dat alle menschen van Adam afstamden; immers hoe zouden diens nakomelingen in zoo oude tijden de zee zijn overgestoken. Men gaf hem te kennen dat, volgens het N. Testament, de aarde plat was en den vorm had van een grooten schijf; men zeide verder dat de aarde, ware zij bolvormig, onbewoonbaar zou zijn beneden de keerkringen, wegens de overmaat van warmte, die daar heerschen zou. Zoo zag Columbus zich opnieuw aan de ellende ten prooi en bovendien zag hij zich behandeld als een gek en een verdoemde.
Zich niet latende ontmoedigen, schreef de toekomstige wereldontdekker aan den koning van Engeland; vervolgens in Mei 1489 zocht hij Ferdinand en Isabella weder op, die van hun tocht tegen Malaga naar Cordova teruggekeerd waren. Er was sprake van dat de samenkomsten betreffende Columbus' plannen zouden hervat worden; maar jaren lang bleef de beslissing uit, totdat eindelijk, in den winter van 1491, de raad van Salamanca een verslag uitbracht, hetwelk het ontwerp van den zeevaarder voor ijdel en onuitvoerbaar verklaarde, terwijl het verder heette: een groot vorst paste het niet op zulke zwakke gronden, als bij deze gelegenheid te berde waren gebracht, zich in zoodanige groote ondernemingen te steken.
Wij zullen de verdere stappen van den onvermoeiden man niet volgen; wij willen niet verhalen hoe hij zich ook tot den Franschen koning Karel VIII wilde wenden; liever spoeden wij het oogenblik te gemoet, waarop zijne volharding en zijn ijver ten laatste bekroond werden. In Februari 1492 kreeg Columbus op nieuw gehoor bij koningin Isabella en wel door tusschenkomst van Louis de Saint-Angel, ontvanger der kerkelijke inkomsten van Arragon, tevens een van des zeevaarders warmste aanhangers. Eenige vrienden, die medegekomen waren, bepleitten zijn zaak met zooveel aandrang dat de koningin zich liet overhalen en beloofde zich persoonlijk met de uitvoering te zullen belasten.
Zoo dan mocht Columbus eindelijk, na twintig jaren van volhardenden strijd, in zee steken met den titel van admiraal en met de belofte van onderkoning of gouverneur te zullen zijn van al de landen, die hij ontdekken mocht. Drie schepen werden uitgerust, met wakker volk aan boord. 't Waren zonderling gebouwde schepen, met hooge voor- en achtersteven, gelijk wij ze dikwijls op oude platen hebben gezien. Men ijst bij de gedachte dat met zulke schepen en zulke eenvoudige hulpmiddelen zulk een gewaagde tocht over gansch onbekende zeeën ondernomen werd; maar men voelt dan ook des te meer bewondering voor den man, die op vijftigjarigen leeftijd--een leeftijd, waarop zoo menigeen zijn loopbaan heeft volbracht--de zijne eerst begint en door de ontdekking van een tweede halfrond een nieuw tijdperk zal openen voor de geschiedenis der menschheid.
Columbus verliet den 3den Augustus 1492 de haven van Palos, en na zoo lang gestreden te hebben tegen de onkunde der menschen had hij nu te strijden tegen de bijgeloovige vrees der schepelingen, de angsten die de groote Oceaan hun veroorzaakte; en daarbij had hij al de zorgen en moeiten en onzekerheden te torsen van een eerste proefreis.
Den 12den October 1492, na zeventig dagen varens, bespeurde hij voor de eerste maal land, het kustland van Indië, zooals hij waande. Op een eiland, dat hij San Salvador noemde, trad hij het eerst aan wal. De inboorlingen ontvingen en begroetten hem met vreugdebetuigingen en plechtig nam hij, namens den koning en de koningin van Spanje, het land in bezit. Later ontdekte hij nog drie eilanden. Den 28sten October landde hij op Cuba, een maand later op Hispaniola (Haïti). Hij bouwde daar het fort Natividad, waar hij een bevelhebber met eenige manschappen achterliet, en toen keerde hij naar Spanje terug.
Deze gedenkwaardige reis en deze gansche onderneming is zeker een der grootste heldendaden, die de menschheid heeft verricht ter ontdekking van nieuwe wegen en ter verovering van nieuwe wereldstreken.
De schok, dien deze ontdekking in de harten en op de verbeelding teweegbracht, was verbijsterend. Men rekende er niet meer op dat de drie schepen zouden terugkeeren. Met vele vreezen had men de zeelieden zien vertrekken, die dezen gewaagden tocht hadden ondernomen. De groote Oceaan, die door de Arabieren als de »donkere zee" was aangeduid, had zich niet anders voorgedaan aan den geest, dan als een grenzelooze afgrond. Nauwelijks had men dan ook vernomen dat Columbus weergekeerd was en land gevonden had, of de geestdrift steeg ten top. Toen de admiraal te Barcelona aankwam, waar de koning en de koningin hem opwachtten, zag hij een talrijk en deftig gezantschap naderen, hetwelk hem de stad binnenleidde. Zes Indianen, die Columbus had meegenomen, openden den optocht. Daarna volgde een verzameling levende papegaaien en nog onbekende opgezette dieren van allerlei soort, planten, aan welke men geheime krachten toekende, en gouden kronen, die een denkbeeld moesten geven van den rijkdom der nieuw gevonden wereldstreken. Columbus zelf zat te paard en een soort van eerewacht omstuwde hem. De straten waren opgepropt van menschen, op de balcons en voor de vensters zaten en stonden tal van dames, en de daken zelfs waren bezet. Men voerde den held in een groote zaal, waar hij den koning en de koningin omringd vond van een schitterend gevolg. Toen hij binnentrad stonden Ferdinand en Isabella op. Columbus boog de knie, kuste de vorstelijke handen en deed hun het verhaal van zijn reis. De eerbied en de bewondering, die men voor den edelen man gevoelde, vermochten nauwelijks de aandoening te beteugelen, die het verhaal bij allen opwekte. Toen hij echter zijn verhaal geëindigd had, knielde de gansche vergadering neder en vereenigde zich aller stem tot een plechtig Te Deum.
Ook de soberste zielen werden dronken van de zonderlingste en meest overdreven droomen en verwachtingen. Ieder had den mond vol van het ontdekte goudland, ieder droomde van een nieuw paradijs, een wonder- en tooverland. En Columbus zelf hield het er voor dat de schatten dier streken inderdaad onuitputtelijk waren.
Hij stond nu op het toppunt van glorie en voorspoed, doch het genot, dat hij nu ondervond was ook zoo goed als het eenige loon, dat hem zijn leven lang ten deel viel.
Den 25sten September 1493 ondernam hij zijne tweede reis. Hij was nu commandant van zeventien schepen. Een groot aantal edelen maakten de reis mee, en in het geheel bedroeg de bemanning der vloot 1200 koppen. Nu werden Guadeloupe en Jamaica ontdekt en St. Dominique en Cuba doorreisd.
Columbus kwam in 1496 in Spanje terug. Hij bracht 225 passagiers en 30 Indianen met zich te huis. Maar deze thuiskomst verschilde veel van de vorige. De Spanjaarden, die met hem wederkeerden, waren ontmoedigd, ter neergeslagen en verbitterd tegen hem. Heengegaan met de onzinnigste verwachtingen en weergekeerd in ziekelijken en ellendigen toestand, hielden zij niet op de bitterste klachten te uiten tegen den man, die hen op zulke groote rijkdommen had doen hopen. Waar was dat tooverland, dat paradijs, dat beloofde land? In plaats van voorspoed hadden de landontdekkers slechts beproevingen gevonden. Zij hadden van niets te gewagen, dan van strijd tegen de inlanders, van moeite en ontbering. Te vergeefs was het dat Columbus de geestdrift trachtte aan te wakkeren; er was nu eenmaal asch gestrooid op den gloed; de bewondering was vervangen door smaad.
De Spaansche koning en de koningin begroetten den admiraal met belangstelling, maar tegelijk met zekere koelheid, en toen hij het voorstel deed een derden tocht te ondernemen, werd hij maar al te duidelijk gewaar dat de geheime tegenwerking en de laaghartige ijverzucht zijner vijanden al vruchten begonnen te dragen.
Den 30sten Mei 1498 vertrok hij weder met zes schepen. Nog eens hadden zijn onvergelijkelijke wilskracht en zijn kloeke en onbedwingbare geest het pleit gewonnen. Hij ontdekte nu Trinidad, betrad het vasteland van Amerika, en vond de golf van Para, de eilanden Conception en Assumption. Maar hij had te strijden met opstand onder degenen, die hij te Sint Dominique had achtergelaten, en onder velerlei moeite en tegenwerking, die hij van de zijde zijner landgenooten ondervond, deed hij vijf schepen naar Spanje vertrekken, en met deze verzond hij brieven aan den koning, in welke hij zijne klachten en grieven blootlegde.
Tengevolge van de kuiperijen aan het hof vaardigde Ferdinand naar St. Dominique geen overheidspersoon en rechter af, zooals Columbus verzocht had, maar een beul, don Francisco de Bobadilla, voorzien van brieven van volmacht, waarin hij tot gouverneur der ontdekte gewesten aangesteld en met een onbeperkt gezag bekleed werd. Te St. Dominique aangekomen trad Bobadilla er als heer en meester op, vestigde zich in het huis van den admiraal en gaf hem een afschrift van de brieven, waarbij hem (Bobadilla) het oppergezag werd verleend. Vervolgens deed hij den admiraal, zonder hem te hooren, in een vesting opsluiten, te gelijk met zijne broeders, die in de nieuwe wereld waren achtergebleven. Aan zekeren Alonzo de Villejo werd de taak opgedragen hem naar Spanje over te brengen. Columbus onderwierp zich, zonder een klacht te slaken; zoowel hij zelf als zijne broeders werden als misdadigers, met ketenen beladen, naar een schip gevoerd, dat spoedig zee koos. Villejo, die medelijden had met zijn gevangene, wilde zijne ketenen los maken, maar de admiraal verzette zich hiertegen. »Ik wil ze dragen," zeide hij, »als een bewijs van het loon, waarmee men de diensten betaalt, die ik het land bewezen heb." »Deze boeien," zoo verhaalt ons Fernando Colombo, »heb ik steeds in mijns vaders kamer zien hangen en hij beval ons dat wij ze bij hem zouden leggen, als hij begraven werd."
Toen de zeereiziger in Spanje aanlandde, gebood de Koning, die zich waarschijnlijk schaamde over Bobadilla's gedrag, dat de gevangenen vrijgelaten zouden worden.
Columbus was nu diep ter neer geslagen. De wereld walgde hem. »De wereld heeft mij meer dan duizendmaal slag geleverd," schreef hij, »en ik heb altijd weerstand weten te bieden, tot op dezen dag, nu ik mij niet verdedigen kan, noch met de wapenen, noch met beleid. Met welk een uitgezochte barbaarschheid hebben zij mij in de diepte doen nederzinken!" Maar staande gehouden door dien godsdienstigen zin, die het kenmerk uitmaakt zijner eeuw, vervuld van het denkbeeld om later het Heilige Graf te bevrijden, vatte de onvermoeide man het plan op tot een vierde reis, die nu werkelijk, zooals hij meende, Spanje rijk zou maken.
Hij vertrok van Cadix op den 9den Maart 1502, vergezeld van zijn broeder Bartholomeus. Op deze reis ontdekte de zes-en-zestig-jarige het eiland Guanaga, zeilde de kusten van Honduras en Mosquito langs, bereikte Porto Bello op de landengte van Panama, zette op Veraguas voet aan wal en ontdekte de rijke goudmijnen dezer gewesten. Hij trachtte verder een volksplanting te vestigen aan de rivier de Belen; maar de meesten van die hij er achterliet werden door de inboorlingen vermoord, en toen hij de overigen ter hulp snelde werden zijne schepen door storm beloopen en zoo goed als uit elkander geslagen.
Zijn gestel, door ouderdom, moeite, zorg en lijden ondermijnd, was tegen deze nieuwe beproevingen niet opgewassen. Wel slaagde hij er in de ongelukkigen te bevrijden en streed hij nog een tijd lang tegen geweldige stormen en gedurigen opstand van zijn volk; maar krankte en uitputting wierpen hem neder. Dank zij de tegenwoordigheid van geest, door zijn broeder betoond, ontsnapte hij het gevaar van door zijne eigene schepelingen vermoord te worden. In dien treurigen toestand viel hij te St. Dominique binnen, en den 7den November 1505 keerde hij naar Spanje terug. Hij was negen-en-zestig jaren oud.
In Spanje aangekomen, vernam Columbus dat zijn »goed gesternte", de koningin Isabella, overleden was. De koning wilde hem geen recht verschaffen. Doch de dood was niet verre meer. Een wreedaardige krankte sleepte hem onder het lijden van vele martelingen ten grave. Den 20den Mei van het jaar 1506 ontsliep hij met de woorden: »Vader, in uwe handen beveel ik mijn geest."
Zoo stierf deze martelaar. Hebben zijn tijdgenooten het hunne gedaan om zijn roem te verkleinen, de toejuiching van het nageslacht heeft reeds lang het brommen van den haat en den nijd gesmoord. Het groet met geestdrift den veroveraar, die den sluier heeft opgelicht, waarachter, duizenden van jaren, een halve wereld in 't verborgen sluimerde. Humboldt is de tolk van dien geestdrift, waar hij uitroept: »Columbus heeft zich verdienstelijk gemaakt ten opzichte van de gansche menschheid, wijl hij een oneindig aantal nieuwe dingen aan haar nasporing heeft onderworpen. Het menschelijk denken heeft zich door zijn ontdekking uitgebreid. Aan den aanvang van een nieuwen tijdkring, op de grens waar de oude wereld en de nieuwe elkander ontmoeten, staat deze edele en kloeke geest, de eeuw beheerschend, die hem den stoot gaf en die op haar beurt van hem het leven kreeg."
Nu er dan alzoo een begin gemaakt was, ging men ijverig voort den boeg naar de nieuwe wereld heen te wenden, maar nog steeds kostte die voortgaande beweging moeite en verdriet. Welk loon ontving Fernando Cortez voor de uitstekende diensten, die hij bewees? Hetzelfde loon, dat Columbus gewonnen had. De veroveraar van Mexico werd blootgesteld aan al de pijnigingen van een ellendig rechtsgeding. Aan het einde van zijn roemrijke loopbaan, leidt hij aan het hof van Karel den Vijfde een droevig bestaan. Voltaire vertelt dat hij geen gehoor bij den keizer kunnende krijgen en hem toch willende spreken, met geweld door de menigte drong, die het keizerlijke rijtuig omringde. Op de vraag van Karel wie dit mocht zijn, zou hij geantwoord hebben: »Ik ben de man, die u meer koninkrijken heeft geschonken, dan uw voorouders u steden hebben nagelaten."
Nadat Amerika ontdekt was, maakte de Portugees Fernam Magalhaens voor het eerst de reis om de wereld. Ook hij had hierbij veel te strijden, reeds vóór hij uitzeilde. Portugees van geboorte, en door zijn vaderland miskend, had hij in Spanje troost gezocht. Hij vond dien bij Karel V; maar de ambtenaren van het ministerie van koloniën waren kwalijk gezind jegens hem. Den 22sten October 1518, toen hij bezig was zijn vloot van het noodige te voorzien, werd het volk tegen hem opgeruid, omdat hij het wapen van Castilië verwijderd en door dat van Portugal vervangen zou hebben, terwijl hij alleen zijn eigen wapenbord aan boord had gebracht. Het scheelde weinig of hij werd gedood.
Karel V gaf zijn ongenoegen te kennen over deze bejegening, en zorgde dat de tocht spoedig kon aangevangen worden. Maar onder welke treurige vooruitzichten begon deze eerste reis om de wereld! Magalhaens moest, om aan den wensch van den koning te gemoet te komen, onder zijne schepelingen een man opnemen, die bijna evenveel gezag had als hijzelf. Dit was Juan de Carthagena, die den titel van »Inspecteur Generaal" droeg en gezagvoerder was over het derde schip der vloot. Hij was door een machtig geestelijke aanbevolen en haatte Magalhaens. Nog een ander vijand moest hij aan boord van zijn eigen schip dulden, en wel een landgenoot, Estevan Gomez. Zoo vond de groote zeereiziger zich omringd, niet van trouwe vrienden en medearbeiders, op wie hij rekenen kon, maar van naijverige mededingers, die een stillen wrok tegen hem koesterden.
Nauwelijks was de vloot uitgezeild--dit geschiedde den 20sten September 1520--of Juan de Carthagena begon het gezag van den opperbevelhebber te ondermijnen. Hij sprak Magalhaens op vrijpostige wijze, als zijn gelijke, aan en werd van dag tot dag aanmatigender. Eens zelfs waagde hij 't, in tegenwoordigheid van eenige matrozen, Magalhaens met dreigende woorden aan te vallen. Toen begreep deze dat hij handelen moest. Hij greep zijn tegenstander in de borst en sloeg hem in de boeien, als den minsten matroos.
Men was toen nog op de kust van Guinea. Magalhaens stak den Oceaan over, wendde den boeg naar Brazilië en kwam in December 1520 in de baai van Rio de Janeiro. Vervolgens zeilde hij langs de Amerikaansche kust voort, in de hoop van dien doortocht te vinden, dien hij in het Zuiden verwachtte en die later voor altijd zijn naam zou dragen. Het koude seizoen was in aantocht en Magalhaens wilde in de haven van San Julian overwinteren; maar nu begon de bemanning te morren. Te midden van de kale, sombere, koude gewesten, waarin zij zich bevonden, werden velen moedeloos en gaven hun verlangen te kennen, om den boeg naar Spanje te keeren. Magalhaens stond als een rots. Geen bidden, geen dreigen vermochten hem aan het wankelen te brengen. Hij gaf te kennen dat hij liever sterven wilde, dan met schande naar Seville wederkeeren, en met zijn veerkracht en moed wist hij de weerbarstige schepelingen te bedwingen.
Het openlijke gemor nam een einde; maar in stilte bleef de tegenwerking woelen en weldra brak zij geweldig los, onder voorgang van een paar officieren, Luiz de Mendoza en Gaspard de Quesada. Een bloedig tooneel volgde. Magalhaens, aan zich zelven overgelaten, moest, zou hij niet als slachtoffer vallen, de oproerigen vellen. Hij besloot tot het laatste, en zond op Luiz de Mendoza een welvertrouwd man af, Gonzalo Givet de Espinoza. Deze overhandigde den officier een brief, waarin de opperbevelhebber hem voor zich daagde. Luiz de Mendoza weigerde te verschijnen en spotte met dit bevel. Maar toen wierp Espinoza zich op hem en stiet hem zijn dolk in den hals.
Magalhaens ging met zooveel kracht, bekwaamheid en stoutheid op den ingeslagen weg voort, dat hij de oproerige bemanning der Victoria en Trinidad spoedig tot gehoorzaamheid dwong. Gaspard werd onthoofd. De lijken der samenzweerders werden, ten aanschouwen van al het volk, aan wal gebracht, en daar las één der officieren hun vonnis.
Toen deze daad van hoog gezag volbracht was--eene daad, die, hoe verdedigbaar ook, de nagedachtenis van den bevelhebber niet tot eere strekt--werd San Julian verlaten. Na den opstand van menschen te hebben doorstaan, had hij met dien der elementen te doen. Met veel moeite en onder groote gevaren bereikte hij Vuurland en ontdekte de zeestraat, die zijn naam draagt en den doortocht, waarvan hij gedroomd had. Den 27sten November 1520 zette hij koers naar het Noord-Oosten en dreef in die groote wijde zee, die toen zoo kalm was, dat men hem de Stille Zuidzee noemde. Hier ontdekte hij de Marianen en zette eindelijk op het eiland Zebou voet aan wal, om er de schepen van leeftocht te voorzien. De vorst van dit eiland ontving de vreemdelingen met alle teekenen van toegenegenheid. Magalhaens zocht de inboorlingen tot het Christendom te bekeeren en bouwde zelfs een kerk, maar hij beging de groote fout van den vorst van Zebou aan te stellen tot hoofd en leenheer van al de andere vorsten van het eiland. Deze wilden niets weten van die europeesche aanmatigingen; één van hen, de koning van Mactan, bracht een leger op de been van niet minder dan zesduizend man, en verzette zich daarmee tegen de vreemde indringers.
Magelhaens moest nu krijg voeren. Met een handvol volks trok hij tegen den koning van Mactan op; maar vond het gehucht, waar deze zijn residentie had, verlaten en stak het in brand. Nu kwamen de Indianen opzetten en begroetten de Spanjaarden met steenen en pijlen, en dat wel met zooveel hevigheid en met zulk een overmacht, dat Magalhaens den terugtocht aannam en de schepen opzocht. Juist zou hij zich met de zijnen in de sloepen begeven, toen een steenworp hem het been verbrijzelde en hem neervelde. Een Indiaan maakte met een speer een eind aan zijn leven. (27 April 1521.)
Zoo stierf Magalhaens; maar zijn taak was volbracht. De groote vraag hoe de reis te maken om de wereld was opgelost.
Hoe nader wij komen aan den nieuweren tijd, des te meer zien wij deze ontdekkingen den stoot geven tot nieuwe onderzoekingstochten.
Eerst opent Amerika, van het noorden tot het zuiden, der wereld een breede baan; straks doemt het groote vasteland van Australië op, met de eilanden der Stille Zuidzee, en ook het geheimzinnig Afrika, het groote vraagstuk van zoovele eeuwen, opent zijne poorten voor de beschaafde wereld. Eindelijk zijn het slechts de twee polen, die, ten zuiden en ten noorden door ondoordringbaar ijs versperd, het menschelijk onderzoek tarten.
De Poolstreken, die als het ware de spil der aarde aan hare uiteinden omgeven, maken thans een punt uit van volhardend onderzoek. Engeland, Zweden en Nederland stoomen en zeilen er heen om land en zee te onderzoeken. Met name is het de Noordpool die men meer en meer zoekt te naderen. En heeft thans Nordenskjöld een weg gevonden noordwaarts naar China. Eeuwen reeds geleden is deze met zelfverloochening en moed gezocht.