NEDERLAND EN DE ISLÂM
DOOR
DR. C. SNOUCK HURGRONJE
Hoogleeraar a. d. Rijks-Universiteit te Leiden.
2e VERMEERDERDE DRUK
N. V. BOEKHANDEL EN DRUKKERIJ
VOORH. E. J. BRILL LEIDEN
1915
VOORREDE.
Bijna vier jaren geleden leidde ik de eerste uitgave van dit thans voor de tweede maal verschijnende werkje met de hieronder volgende woorden bij den lezer in:
"Op uitnoodiging mijner mede-curatoren der Nederlandsch-Indische Bestuursacademie sprak ik in Maart 1911 voor de aan die Academie studeerende ambtenaren de vier voordrachten uit, die hier in druk eenen grooteren kring van lezers aangeboden worden. Deze omstandigheid moge ter verklaring dienen van hetgeen sommigen hier te kort, anderen weder te wijdloopig behandeld mochten vinden".
"Gerekend is immers op toehoorders, voor wie de Islâm èn door hunne vroegere opleiding, èn door hunne ambtelijke ervaring geen onbekende grootheid was, maar voor wie toch ook weer, daar de gelegenheid tot diepere studie van de Mohammedaansche cultuur hun had ontbroken, eene beknopte herinnering aan het vroeger geleerde of waargenomene niet onwelkom kon zijn. Verder mocht bij hen in den regel bekendheid door eigen aanschouwing met het leven van Indonesische Mohammedanen ondersteld worden. Toch heb ik gemeend voor mijn betoog de aandacht te mogen vragen ook van anderen, die hetzij voor de voornaamste vraagstukken der koloniale politiek, hetzij voor de problemen, die de Islâm aan de Westersche wereld ter oplossing voorlegt, eenige belangstelling over hebben".
"De richting, waarin ik de oplossing van het Islâm-probleem voor Nederland vond, werd natuurlijk gewezen door het beginsel, dat naar mijne overtuiging in het algemeen de verhouding moet bepalen tusschen moederland en koloniën, tusschen de aan Westersch gezag onderworpen volken en degenen, aan wie de geschiedenis het gezag over hen in handen heeft gegeven. Daar tegenwoordig in ons vaderland alle politieke partijen te dezen aanzien in hoofdzaak ééne lijn trekken, heb ik het onnoodig geacht, daarover opzettelijk uit te weiden. Al mogen de opvattingen in het bijzondere nog verschillen, er is eenheid in het noodigste, namelijk in de erkenning van de ethische koloniale politiek als de eenig mogelijke".
"Nu zijn mij echter van zeer geachte zijde naar aanleiding mijner voordrachten een paar vragen gesteld, die mij nopen, mijn algemeene uitgangspunt bij het onderzoek der hier door mij behandelde vraagstukken, gelijk bij alle andere, die de koloniale politiek betreffen, wat scherper te formuleeren".
"De vragen kwamen in hoofdzaak hierop neer, of dan niet het verwerven en behouden van koloniën bovenal voordeelen voor het moederland ten doel moest hebben, en of niet de door mij en anderen bepleite krachtige bevordering van de associatie der Inlandsche maatschappij aan onze beschaving op den duur tot het verlies onzer koloniën zou leiden".
"Het zij mij vergund, met allen eerbied ook voor opvattingen, die aan de tijden der Compagnie en van het cultuurstelsel doen denken, mijne zienswijze zonder verder betoog apodictisch uit te spreken".
"De exploitatie-theorie behoort tot een verleden, dat wij niet terugwenschen en dat wij, al wenschten wij het, niet uit den dood kunnen doen verrijzen, zelfs niet in een nieuwen vorm. Zelfs al zou men eenzijdig voordeel voor het moederland als hoogste doelwit van het koloniale bestuur ook in onzen tijd willen laten gelden, dan toch zou een staatsman, die wat ver voor zich uit ziet, dat voordeel nergens anders kunnen ontdekken dan in eene toekomst, waarin de inboorlingen der koloniën door ons op de hoogste plaats gebracht zijn, die hun aanleg hen in staat stelt, in te nemen. Heeft die verheffing der inheemsche bevolking, die zijzelve zoekt en dus ook vinden zal, onder onze krachtige leiding plaats, dan hebben wij de grootst denkbare kans, dat het moederland er in uitbreiding evenveel bij winnen zal als de vroeger overheerschten, nu geassocieerden, in hoogte".
"Wat de aardbol over een eeuw te zien zal geven, dat laat zich noch van het standpunt der ethische, noch van dat der exploitatie-politiek waarnemen. Vraagt men mij echter, onder welk der beide régimes het verlies van Oostersche wingewesten binnen de honderd jaren waarschijnlijker is, dan zeg ik zonder eenige aarzeling: niets kan zulk verlies zekerder verhaasten dan zelfzuchtige koloniale staatkunde van de soort, die ons uit de annalen der Oost-Indische Compagnie en van het cultuurstelsel van al te nabij bekend is, en welker doodvonnis door het hooggerechtshof der geschiedenis geruimen tijd geleden bekrachtigd werd".
De redactie van de "Revue du Monde Musulman" liet deze voordrachten voor haar tijdschrift in het Fransch vertalen, en stelde die vertaling ook afzonderlijk verkrijgbaar onder den titel "Politique Musulmane de la Hollande". Maar ook in ons land hadden zij zich niet te beklagen over gebrek aan belangstelling, en de hoofdgedachten, die eraan ten grondslag lagen, vonden in wijden kring instemming.
Dit laatste was voor den schrijver bijzonder aangenaam, en het alleraangenaamst trof het hem, dat die instemming kwam uit kringen van zeer uiteenloopende staatkundige en godsdienstige richting. Het is werkelijk dringend noodig, dat wij voor de vervulling onzer nationale pedagogische taak jegens de Mohammedaansche onderdanen van den Nederlandschen staat eene gedragslijn vinden, die voor de beweging van die verschillende richtingen ruimte laat. Indien dit onmogelijk bleek, dan waren de dagen van ons bestaan als koloniale mogendheid geteld. Die gemeenschappelijke gedragslijn, de grootst gemeene deeler van aller wenschen, die dan door ieder voor zich met een eigen factor vermenigvuldigd mag worden, is te vinden, wanneer men gezamenlijk ernstig er naar zoeken wil, niet, wanneer ieder, star voor zich uit kijkend, zijn eigen stokpaardje blijft berijden, onder voortdurend aanbotsen tegen de andere ruiters. De grootste voldoening gaven mij de bewijzen van sympathie, die ik uit de kringen van zendelingen en zendingsvrienden mocht ontvangen, omdat, zooals ik in mijne vierde voordracht opmerkte, het besef van de taak, die ons volk ten aanzien der Inlandsche maatschappij te vervullen heeft, dáár het levendigst is. Het spreekt wel van zelf, dat diegenen onder hen, die zelf practisch op dat gebied werkzaam zijn, en aldus ervaring opdoen van allerlei bezwaren, waarover de zendingsvrienden in het moederland vaak luchtig heen redeneeren, meer neiging vertoonen dan deze laatsten om met vollen ernst te luisteren naar voorstellen betreffende een compromis, waartoe het in de werkelijkheid, zooals zij wél weten, toch altijd komen moet. Daarom had de waardeering, die ik juist van hunne zijde ruimschoots mocht ondervinden, voor mij dubbele waarde, en hielp zij mij om de ook niet ontbrekende wanklanken zonder ontmoediging te vernemen. Dit werd mij trouwens in het bijzonder gemakkelijk gemaakt door zulke besprekers, die blijk gaven, dat hun godsdienstig denken door politieke partijschap in bedenkelijke mate geinfecteerd was. Zoo bijv. een schrijver in "Stemmen des Tijds", die niet alleen dikwijls eene geheel scheeve voorstelling van mijn bedoeling gaf, maar naief genoeg was om te verklaren, dat hij bij eerste lezing mijner voordrachten gemeend had, dat "wij het werk met vereende krachten konden doen", maar dat hij vervolgens door de debatten in de Tweede Kamer tot een juister inzicht werd gebracht. Duidelijker kan men niet uitkomen voor de verpolitieking zijner inzichten over de groote vraagstukken van "Oost en West", die ons volk zich ter oplossing voorgelegd ziet.
Wie zich bij de behandeling dier problemen niet weet te verheffen boven het kleinzielige partijleven van onze vaderlandsche politiek, die blijve er af; zijn arbeid, hetzij voor de Christelijke, hetzij voor de nationale zending in onze koloniën, is van tevoren met onvruchtbaarheid geslagen.
Juist toen ik gereed was met het aanbrengen van enkele verbeteringen en aanvullingen voor de tweede uitgave mijner voordrachten, gaven de jongste gebeurtenissen op het groote wereldtooneel mij aanleiding tot het schrijven van een Gidsartikel over de wijze, waarop Duitschland onlangs begonnen is te trachten, het Mohammedaansche fanatisme aan zijne belangen dienstbaar te maken. Het kwam mij voor, dat bedoeld opstel, met een paar kleine toevoegingen, als vijfde hoofdstuk van dit boekje niet misplaatst zou zijn. Mijn ondertitel "Vier Voordrachten, gehouden in de Nederlandsch-Indische Bestuursacademie" moest dan natuurlijk vervallen, maar "Nederland en de Islâm" mocht het geheel ook nu blijven heeten, want ook voor de Nederlandsche Islâmpolitiek is het van hoog belang, zich rekenschap te geven van de wegen, waarin groote mogendheden van Europa het politieke leven van de Mohammedanen pogen te leiden en van de houding, die ons ten aanzien dier pogingen past.
Eerst na het afdrukken van dit hoofdstuk is mijne aandacht gevestigd op eene vergissing, die mij eene uitdrukking van Becker onjuist deed interpreteeren. Bladz. 133, regel 12-14 moet als volgt gelezen worden: Becker heeft tot voor korten tijd deze "Betonung des Kalifats als einen Fehler aus Unkenntnis beurteilt", enz. Ik had ten onrechte de woorden "aus Unkenntnis" als bepaling van beurteilt in plaats van bepaling van Fehler opgevat.
Sommigen mijner Duitsche vrienden--ik teeken uitdrukkelijk aan, dat anderen mij hunne geheele of gedeeltelijke instemming met mijne uiteenzetting betuigden--hebben de bedoeling van dit artikel misverstaan, en daarin een verholen partijkiezen tegen Duitschland als oorlogvoerende partij willen zien. Dat zulk eene bedoeling mij geheel ten onrechte toegedicht werd, behoef ik aan onbevangen lezers niet uitdrukkelijk te verzekeren. De weinige regels, die (op bladz. 102-3) in het algemeen over dezen ellendigen wereldstrijd handelen, geven duidelijk genoeg te kennen, dat ik te dien aanzien geheel neutraal denk, niet omdat ik burger ben van een neutralen staat, maar omdat ik mij oprecht en van harte onbevoegd verklaar, de eene partij voor meer of minder schuldig te houden aan de ontbranding dan de andere. Overigens heb ik mij streng bepaald tot mijn onderwerp, de bespreking van het gebruik, dat Duitschland in den laatsten tijd tracht te maken van de voor den Islâm vroeger zoo gewichtige ideeën van het chalifaat en van den heiligen oorlog.
De behandeling hiervan lag op mijnen weg, en ik mocht mij daaraan niet onttrekken, zoowel omdat ik mijn leven goeddeels gewijd heb aan de studie van den Islâm, vooral ook in zijne beteekenis voor onze dagen, als ook, omdat elke poging om het bijna gebluschte vuur der middeleeuwsche politieke idealen van den Islâm weer te doen opflikkeren ook voor de Mohammedaansche bevolking der Nederlandsche koloniën gevaarlijk kan worden. Zooals ik bij vele gelegenheden betoogd heb, het panislamisme is niet in staat, aan den Islâm zijne middeleeuwsche positie van eene door de overige wereld gevreesde wereldmacht te hergeven. Maar wat het wel vermag, dat is tijdelijk en plaatselijk beperkte stoornissen te weeg te brengen, ten nadeele van de Mohammedanen zelve en van de Europeesche naties, die Mohammedaansche onderdanen hebben. Zulke stoornissen uit te lokken, het allengs uitstervende Mohammedaansche fanatisme tot ontwaking te prikkelen, dat acht ik misdadig, en mijne Duitsche vakgenooten, die zich over dit vraagstuk uitlieten, dachten er steeds evenzoo over. Dat sommigen hunner in de laatste maanden opeens van meening veranderd zijn, kan niemand meer betreuren dan ik, die aan de Duitsche wetenschap zooveel te danken heb en die in geen vreemd land meer beproefde vrienden heb dan in Duitschland. Ik ben er zeker van, dat wij hier te doen hebben met een voorbijgaand ziekteproces, veroorzaakt door de ook in andere oorlogvoerende landen waar te nemen verstoring van het moreele en intellectueele evenwicht. Zoolang echter het herstel nog niet is ingetreden, behooren wij dat proces nauwlettend gade te slaan, en voor onszelve op voorzorg bedacht te zijn. Niets zou mij aangenamer zijn, dan dat zich spoedig de behoefte aan eene derde uitgave van dit boekje deed gevoelen, en dat dan inmiddels de orkaan, die thans ook op geestelijk gebied aan het woeden is, gestild en zoo een herdruk der bespreking dezer afdwaling overbodig geworden was.
Leiden, Januari 1915.
INHOUD.
Bladz.
Voorrede V-XII
HOOFDSTUK I.
De verbreiding van den Islâm. Inzonderheid in den Oost-Indischen Archipel.
De Islâm kwam eerst na volledige ontwikkeling van zijn stelsel in den Archipel 1 Karakter van Mohammeds godsdienst 2 Beteekenis der Hidjrah 3 Gewelddadige islamiseering van Arabië 4 De Islâm wil de geheele wereld aan zich onderwerpen 4 Noch missionaire arbeid noch economische oorzaken bewerkten de macht van den Islâm 5 De godsdienstige factor gaf den stoot en geweld was het voorname middel 7 Het systeem van den Islâm getuigt hiervan 7 Gebied van den Islâm en gebied van den oorlog 8 Nederlandsch-Indië gebied van den Islâm 8 De heilige oorlog 9 De leer van den heiligen oorlog berust niet op misverstand 9 De schriftgeleerden en de volksmassa zijn het hierover eens 11 De andere opvatting is ver in de minderheid 12 Geweld als bekeeringsmiddel in het Christendom en in den Islâm 12 Zachtere methoden van bekeering worden ook toegepast 13 De bekeering uiterst gemakkelijk gemaakt 14 Geene priesterschap noch geordende heidenmissie 15 Leekenpropaganda 15 Moslimsche propaganda vergeleken met Christelijke 16 Aan de geestelijke opvoeding van de massa der Moslims is weinig gedaan 17 Het oude heidendom blijft overal voor een goed deel de cultuur beheerschen 18 In Oost-Indië drong de Islâm vreedzaam binnen 19 De verbreiders kan men niet met Christelijke zendelingen vergelijken 19 De Regeering bevordert de propaganda als Zij Mohammedaansche ambtenaren in heidensche streken invoert 20 Eenmaal gevestigd, breidde de Islâm zich ook in Oost-Indië gewelddadig uit 21 De eerste invoerders waren Indiërs; Arabische invloed begon pas later te werken 21 Samenvatting 22 Het leven overal in slechts geringe mate naar het stelsel hervormd 23 De graad van het in de autoriteiten van den Islâm gestelde vertrouwen beste maatstaf voor de Moslimsche belijdenis 23 De graad van bekendheid met leer en wet vormt geenen maatstaf 24 De Regeering kan Hare taak geheel vervullen zonder schending der godsdienstvrijheid 25
HOOFDSTUK II.
Kenschetsing van het stelsel van den Islâm.
Aanpassing van den Islâm aan de cultuur der door hem veroverde volken 26 De vreemde elementen met behulp van fictie bij de voorschriften van den Profeet ingelijfd 27 De leer van de onfeilbaarheid der Moslimsche gemeente 28 Belangrijke ontwikkeling van het stelsel na de derde eeuw der Hidjrah zoo goed als uitgesloten 28 Het stelsel spitst zich in geloofsleer en wet 30 De dogmatiek na hare vaststelling van ondergeschikt belang voor de practijk 31 Alleen enkele eschatologische voorstellingen verwekken soms beroering 31 Het staatsgezag en de uitlegging der wet bleven niet lang in ééne hand 32 De wet theoretisch erkend, practisch veelszins terzijde gesteld 33 Onderscheid in waardeering van de verschillende deelen der wet 33 De zuiver godsdienstige bestanddeelen 34 Voor de practijk weinig beduidende bestanddeelen 34 Bepalingen, die als moreele voorschriften werken 35 Ontduiking van voorschriften bewijst niet, dat zij kracht van wet hadden 36 Werkelijk geldende hoofdstukken der wet 37 Personen-, huwelijks-, familie- en erfrecht 37 Vrome stichtingen 38 Geloften 39 Voorschriften over de rechtspraak 39 Bepalingen over de verhouding tot niet-Mohammedanen 40 De ontwikkelingsgeschiedenis der wet verzet zich tegen codificatie 40 Qoerân en Soennah 41 Losmaking der wet van hare bronnen 42 De onfeilbare gemeente heeft geen vast orgaan 42 Poging tot codificatie in Algerië 43 De adviezen zijn minder gunstig dan zij schijnen 44 Ten onrechte beroept men zich op voorgangers 45 Codificatie onder niet-Mohammedaansche leiding bovendien verdacht 46 De toepassing der wet volgt methoden, die van de Westersche afwijken 46 Sommige Fransche adviseurs achten codificatie daarenboven ongewenscht 47 Ook in Nederlandsch-Indië werd de wensch naar codificatie vernomen 47 Bij de overige bedenkingen komen nog gemoedsbezwaren 48 Codificatie zou den invloed van volksrecht verminderen 49 Beteekenis der mystiek in den Islâm 49 Hervorming van het stelsel is van de mystiek niet te verwachten 50 De mystieke broederschappen 51
HOOFDSTUK III.
De Nederlandsche Koloniale Regeering en het stelsel van den Islâm.
De Nederlandsche Regeering kan niet buiten Islâmpolitiek 53 Jegens het dogma en de zuivere godsdienstige voorschriften der wet moet zij neutraal zijn 54 Ook ten aanzien der bedevaart zou belemmerend ingrijpen onverstandig zijn 56 Politieke beteekenis van den hadj 58 Economische gevolgen van den hadj 59 Het huwelijks-, familie-, personen- en erfrecht van den Islâm eischt eerbiediging 59 De Regeering houde echter den weg ter evolutie wijd open 61 Codificatie derhalve ongewenscht 62 De instelling der priesterraden op Java en Madoera was eene fout 62 Bemoeienis der Regeering met zulke onderwerpen principieel gewenscht 63 Moskeefondsen 63 Mohammedaansche huwelijken; godsdienstonderwijs 64 Hoe de rechtspraak der priesterraden te verbeteren 65 Waarom wij de aandacht vooral bij Java en Madoera bepalen 66 Uit staatkundig oogpunt belangrijke bestanddeelen 67 De chalief bestuurder der Mohammedanen, geen kerkvorst 68 Geen vorm van panislamisme aannemelijk voor eene Europeesche mogendheid met Mohammedaansche onderdanen 69 Vrijheid van godsdienst voor Mohammedaansche onderdanen met afwijzing van elke vreemde inmenging 70 Wie de geestelijke leidslieden der Indonesische Moslims waren 71 Bestrijding der kunstmatige verlevendiging van eschatologische verwachtingen 72 Vermijding van al hetgeen naar inbreuk op de godsdienstvrijheid zweemt 72 Ongunstige beoordeeling der Nederlandsche Islâmpolitiek in de panislamitische pers 73 Klachten der in Oost-Indië gevestigde Arabieren 74 Ongunstig oordeel van sommige zendingsvrienden over de Islâmpolitiek der Regeering 75 Slotsom 76
HOOFDSTUK IV.
Nederland en zijne Mohammedanen.
De dusver bereikte slotsom leidt niet tot positieve resultaten 78 Opvoeding en onderwijs zijn in staat, de Moslims van het Islâmstelsel te emancipeeren 79 Gunstige voorwaarden voor de werking dier middelen in Oost-Indië, vooral op Java 80 Gebrek aan krachtige leiding van den gunstigen stroom 80 Voorbeelden van betreurenswaardige onbeslistheid 81 In associatie der Inlanders aan onze cultuur ligt de oplossing der Islâmquastie 83 De openbare meening in Nederland behoort in die richting krachtig te spreken 83 De eenigen, die blijk geven het te beseffen, zijn de zendingsvrienden 84 De Moslimsche Inlanders wenschen wel politieke en nationale, geen religieuze associatie 85 Hoe ver kan de associatie gaan? 85 Bezwaar tegen gesubsidieerde Christelijke scholen met gedwongen deelneming aan het godsdienstonderwijs 87 Ons onderwijs en onze opvoeding moeten vooreerst de hoogere klassen der Inlandsche maatschappij in het oog vatten 89 De onlangs opgerichte desascholen 90 Studie van begaafde Inlanders in Nederland 91 Europeesch onderwijs voor Inlanders, die tehuis blijven 91 Opvoeding buiten de school 92 De zending zou hiertoe kunnen medewerken 92 De Inlandsche vrouw en hare opvoeding 93 Aan hooger ontwikkelde Inlanders moet een belangrijk aandeel in den staatsdienst verzekerd worden 94 Kleinmoedige bezwaren tegen de associatie 95 Stuiting der beweging niet mogelijk 96 Samenvatting onzer beschouwingen 96 De associatie der Inlandsche maatschappij aan onze cultuur ontneemt aan het panislamisme alle kracht 99 Andere heilzame gevolgen der associatie 100 Weerlegging der bezwaren tegen nationale associatie 100
HOOFDSTUK V.
Duitschland en de heilige oorlog.
De godsdienstvrijheid volgens Turksche intellectueelen 102 Contrast dier meening met de wet van den Islâm 103 De grondslagen van het program van den heiligen oorlog 104 Middeleeuwsch karakter van dat program 105 Wijziging der beschouwing onder vreemden invloed 106 Chalifaat en Djihâd 108 Het chalifaat der Turksche soeltans 109 Beteekenis van den chaliefentitel voor de Osmanen 110 Panislamitisch streven van Abdoelhamied 111 Geene organisatie van het panislamisme 112 De chalief geen kerkvorst 113 De Turksche omwenteling en het panislamisme 113 Djihâd en heilige oorlog 115 Duitsche vlugschriften over de houding van Turkije. Hugo Grothe 116 Misverstand bij Grothe 116 Betrekkingen tusschen Duitschland en Turkije 117 Duitschland de redder van Turkije 118 De door Grothe gewenschte Djihâd 119 De fetwa over den heiligen oorlog 120 Het manifest van den Soeltan 122 De groote demonstratie 122 Becker's voorstelling der zaak 123 De aard der Duitsche vriendschap voor Turkije 125 Duitschland en zijne Mohammedanen in Afrika. 126 De thans door Duitschland gewenschte verhouding komt neer op het protectoraat over Turkije 127 Duitsche oordeelen over Turkije en den Islâm voorheen en thans: Marquart, Hartman, Becker 128 Becker's recente wijziging van inzicht. Bezoeken van Keizer Wilhelm aan Turkije 131 De rede op het graf van Saladijn 132 Oorzaak der poging van Duitschland tot wederopwekking van Moslimsch fanatisme 134 Nederlandsch-Indië en de heilige oorlog 136
I.
DE VERBREIDING VAN DEN ISLÂM.
INZONDERHEID IN DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL.
De Islâm kwam eerst na volledige ontwikkeling van zijn stelsel in de Archipel.
Omstreeks 1200 na Christus begon het Mohammedanisme in eenigszins belangrijke mate zielen te winnen op Soematra, op Java en vervolgens op de meer Oostelijk gelegen eilanden. De val van Madjapait in de eerste helft 16de eeuw bezegelde de islamiseering van heel Java, en het was eveneens in den loop der zestiende eeuw, dat voor de voornaamste andere eilanden, waarin de Islâm doordrong, het pleit beslist werd.
Hieruit volgt, dat de Islâm zijn vollen wasdom reeds ver te boven was, toen hij zich voor het eerst in dit Verre Oosten vertoonde. Om het Mohammedanisme der Indonesiërs in zijne eigenaardigheden te verstaan, hebben wij ons dus slechts weinig te verdiepen in de wordingsgeschiedenis van den Islâm als godsdienst en als beschavingsvorm, maar mogen wij ons voornamelijk bepalen tot de beschouwing van het stelsel zooals dat ongeveer drie eeuwen na de Hidjrah zijnen in de hoofdzaken definitieven vorm had verkregen, en van het leven der Mohammedaansche volken zooals dat zich, mede maar niet alleen onder den invloed van het stelsel, na dien tijd vertoonde.
Klaar dient ons daarbij voor oogen te staan, dat die Islâm tot den godsdienst van Mohammed stond als de door een leven van druk verkeer onder allerlei volken gerijpte wereldburger tot het stijve boerenjongentje, dat hij was in zijne jeugd.
Karakter van Mohammeds godsdienst.
Mohammed heeft voor zijne prediking nooit aanspraak gemaakt op oorspronkelijkheid. Integendeel: hij beroemde zich erop, dat hetgeen hem, den ongeletterden profeet, door Allah geopenbaard werd, volkomen overeenstemde met den inhoud der oudere openbaringen. Hij dacht zich de menschenwereld verdeeld in groepen, die hij, zonder klare voorstelling van den grondslag der verdeeling, oemmah's noemde, volken of gemeenten zouden wij zeggen, die door woonplaats, taal en uiterlijke kenmerken van elkaar verschilden. Aan sommige van die oemmah's, zooals bijv. die der Joden en die der Christenen, had Allah uit hun eigen midden profeten gezonden om hun Zijne leer en wet te openbaren. Andere, zooals die der Arabieren, waartoe Mohammed zelf behoorde, wandelden nog in de duisternis, zonder zich zelf daarvan bewust te zijn, daar zij het licht niet kenden. Mohammed heeft zich ten slotte door Allah geroepen gevoeld, dat licht in Arabië te doen schijnen.
Historisch beschouwd, doet zijne openbaring zich aan ons voor als samengesteld uit de gegevens, die hij gaandeweg, toen hij eenmaal over de waarde van het leven was gaan nadenken, uit vrij troebele, Joodsche en Christelijke bronnen had bijeengegaard. Hij verwerkte die op zijne wijze, zoodat zij pasten in het simpele geheel zijner voorstellingen, en eindelijk projecteerde hij het resultaat van dat proces uit zijn binnenste naar boven, zoodat het zich aan zijn zesde, profetische zintuig vertoonde als iets objectiefs, als iets, dat uit den hemel tot hem kwam, woorden Gods, die in gerijmd proza, in verhevener stijl dan die van het dagelijksch gesprek, hem de hoogste waarheid openbaarden.
De leer der opstanding uit de dooden en het daarop volgende gericht, dat Allah zou houden over heel de menschheid, met paradijs en hel op den achtergrond, die leer vormde het middelpunt van zijn geloof. Tevens lag daarin de scherpste tegenstelling met de wereldbeschouwing der Arabieren, tot wie hij de boodschap van Allah moest brengen, want deze hield zich alleen met het aardsche leven bezig, kende geen eeuwig geluk noch eeuwige verdoemenis aan gene zijde van het graf.
Een groot aardsch potentaat duldt niet, dat een deel zijner onderdanen zich als van hem onafhankelijk gedragen of andere heeren naast hem erkennen; nog veel minder gedoogt Allah, de schepper, wetgever en rechter der geheele menschheid, dat menschen leven zonder islâm, d. i. onderwerping, aan Hem en Hem alléén uit te spreken en in daden te betoonen.
Hij verlangt van hen eerbiedige huldiging in vastgestelde vormen van eeredienst, de çalât, in naam en vorm gebootst naar het model, dat Mohammed van Joden en Oostersche Christenen had waargenomen. Voorts wil Hij, dat Zijne schepselen op bepaalde tijden zullen vasten, en dat zij milddadigheid zullen beoefenen als eene hoofddeugd, zoowel om den nood van anderen te lenigen als om hunne eigene losheid van het aardsche te toonen. En in hunne verhoudingen tot elkander behooren zij wetten en regelen te volgen, die Allah hun geeft en die met menig geliefkoosd gebruik van Mohammeds rasgenooten in onverzoenlijken strijd waren.
Beteekenis der Hidjrah.
De twaalf jaren lang onverdroten voortgezette prediking van openbaringen in dezen zin stuitte bij Mohammeds stamgenooten af op hun even onverzettelijken, sceptischen spot; een paar familieleden, eenige misdeelden, enkele voor hoogere indrukken vatbare mannen van beteekenis vormden de geheele gemeente der geloovigen. Toen keerde hij met zijne getrouwen toornig zijner vaderstad den rug toe, haar overlatend aan Gods wrekende gerechtigheid. Hij deed hidjrah, d. i.--niet vlucht, zooals vele Europeesche schrijvers het weergeven, maar--afsnijding van alle banden, die hem met de ongeloovigen onder zijne stamgenooten verbonden, en hij vestigde te Medina eene nieuwe gemeenschap, die niet aan eenheid van bloed, maar aan eenheid des geloofs hare kracht ontleende.
Die afsnijding was naar Arabische begrippen op zichzelve reeds eene daad van vijandschap tegen Mohammeds stamgenooten. Toen nu zijn arbeid te Medina in korten tijd geleid had tot de vorming van eene talrijke gemeente, en deze door nieuwe, wetgevende openbaringen zoowel als door Mohammeds persoonlijke leiding voorloopig voldoende vastheid van organisatie had verkregen, ontwikkelde zich uit die vijandschap een oorlogstoestand, waarin welhaast heel Arabië werd meegesleept. Op den duur bleef het succes aan de zijde van Allahs Gezant; acht jaren na de Hidjrah werd Mekka door hem veroverd, en in de twee levensjaren, die Mohammed daarna nog restten, wist hij de onderwerping van het Arabische schiereiland aan zijn gezag bijna te voltooien.
Gewelddadige islamiseering van Arabië.
Gedurende die jaren van strijd breidde zich met Mohammeds macht tevens het programma uit van hetgeen hij door middel van geweld trachtte te bereiken. Eerst was het louter de verdediging van de belangen der gemeente, die weldra ook met offensief optreden gepaard mocht gaan; ten slotte een aanvallende krijg tegen allen, die met meer of minder recht tot de vijanden der gemeente, dus van het rijk Gods, werden gerekend. Na 630, het jaar der verovering van Mekka, verschilde het feitelijk niet meer van eenen strijd tot onderwerping van geheel Arabië aan de tucht van Allah en Zijnen Gezant. Voor de heidensche Arabieren kon die onderwerping alleen door volledigen islâm, erkenning van Mohammed als bode Gods, plaats hebben. Voor de Joden en de Christenen, op wier getuigenis van de waarheid Mohammed zich in den aanvang van zijn optreden beroepen had, kon zulk een eisch niet gelden. Daar zij Mohammed teleurgesteld hadden door tegen in plaats van vóór zijne goddelijke zending te getuigen, maakte hij zich van hen onafhankelijk door hun vervalsching van hunne eigene leer en schrift te verwijten en eindigde met van hen te verlangen, dat zij zich aan zijn gezag zouden onderwerpen, al wilden zij zijne openbaringen niet aanvaarden.
De Islâm wil de geheele wereld aan zich onderwerpen.
Of nu Mohammed tegen zijn levenseinde zoover gegaan is, om de hem opgedragen missie te beschouwen als gericht ook tot de niet-Arabische wereld, of zelfs tot de menschheid in haar geheel, is moeielijk met zekerheid uit te maken. Voor ons doel is dit betrekkelijk onverschillig, daar het vaststaat, dat zijne gemeente na zijnen dood spoedig en zonder veel aarzelen dien weg opgegaan is, en in latere jaren geen geloovige eraan getwijfeld heeft, dat de wonderbaarlijke verovering in ééne eeuw van de landen tusschen Gibraltar en de grenzen van het Chineesche rijk geschied was op bevel van Allahs Gezant.
Lang heeft men zich in Europa van dien zegetocht van den Islâm door een groot deel der wereld voorgesteld, dat hij was uitgevoerd door benden van woedende fanatieken, die met den Qoerân in de eene, het zwaard in de andere hand, slechts de keus lieten tusschen den dood en de aanneming van het Mohammedaansche geloof. Van verschillende zijden is die voorstelling van den gang der zaak bestreden; het krachtigst en met bijzonder veel talent door T. W. Arnold, hoogleeraar eerst te Aligarh in Britsch-Indië, thans te Londen, in zijn werk "The Preaching of Islam, a history of the propagation of the Muslim faith".
Noch missionaire arbeid noch economische oorzaken bewerkten de macht van den Islâm.
Met eene bij Engelsche geleerden niet alledaagsche belezenheid in Oostersche zoowel als Westersche bronnen betoogt die geleerde, dat de Islâm zijne belangrijkste triomfen als godsdienst te danken heeft, niet aan de zegepraal zijner wapenen, maar aan de groote missionaire kracht, die hem eigen is en die hem in staat stelt, in hoogere mate dan andere wereldgodsdiensten, zonder eenig geweld in korten tijd vele adepten te winnen.
Terwijl nu Professor Arnold bij de bekeering der volken tot den Islâm aan den godsdienstigen factor toch altijd de eerste plaats blijft toekennen, hebben zich in den laatsten tijd geleerden doen hooren, die deze zoo niet wegcijferen, dan toch vrij gering aanslaan. Zij willen de geweldige uitstrooming van menschen uit het Arabische schiereiland in de zevende eeuw en de plotselinge verovering van oude cultuurlanden door die halfbarbaren zoo goed als geheel uit economische oorzaken verklaren, even natuurnoodwendig als de zwelling der rivieren na de smelting der Alpensneeuw. Mohammeds godsdienst zou daarbij niet veel meer dan een begeleidend verschijnsel geweest zijn. De Italiaansche prins Caetani en de hoogleeraar Becker (vroeger te Hamburg, thans te Bonn) zijn wel de talentvolste woordvoerders dezer theorie. De gesteldheid van den Arabischen bodem dwingt telkens opnieuw de bewoners van dat waterarme land eenen uitweg daarbuiten te zoeken. Chronisch kookt de Arabische ketel over, en de omliggende landen worden dan aan de overstrooming ten prooi, tenzij zij krachtig genoeg zijn om met geweld het deksel gesloten te houden. Mohammeds prediking was slechts eene aanleiding, en het politieke verval van de twee toenmalige wereldrijken, het Perzische en het Oostromeinsche, hadden de gunstige bedding voor den stroom bereid, die vervolgens zonder moeite ook nog verder zijnen weg vond.
Beide beschouwingen, de missionaire en de economische, als ik ze zoo eens mag noemen, hebben de verdienste van de aandacht te bepalen bij feiten, die men vroeger dikwijls heeft voorbijgezien. Zoo is het onweersprekelijk waar, dat de eerste Moslimsche veroveraars met veel meer ijver streefden naar uitbreiding van het gebied van den Islâm dan naar vermeerdering van het aantal der bekeerlingen tot hunnen godsdienst, dat de belastingen, die de getolereerde schriftbezitters opbrachten, hun vaak minstens even welkom waren als hunne erkenning der goddelijke zending van Mohammed. Vele Mohammedaansche staatslieden waren geneigd om de aan de schriftbezitters gewaarborgde tolerantie uit te strekken, niet alleen tot de Perzische vuuraanbidders, maar ook tot Hindoes en anderen, die men met de noodige welwillendheid tot de openbaringsvolken kon rekenen. Men vindt in de middeleeuwen in Mohammedaansche landen groote en welvarende gemeenten van niet-Mohammedanen (vooral Joden en Christenen), die eene mate van bescherming genieten, zooals men die destijds in Christelijke landen aan andersdenkenden niet verleende. De bekeering tot den Islâm van de massa der bevolking in Perzië of in Christelijke landen als Egypte en Syrië vond langzamerhand, en geruimen tijd na de verovering plaats, volgens de missionaire beschouwing door de innerlijke kracht der Mohammedaansche zending, volgens de economische alweder door motieven van economischen aard.
De godsdienstige factor gaf den stoot en geweld was het voorname middel.
Men kan echter vol recht laten wedervaren aan alle feiten, die door de voorstanders der beide theorieën naar den voorgrond gebracht zijn, zonder eene dier toch al te eenzijdige verklaringen te aanvaarden, zonder de geheel eenige beteekenis der door Mohammed gewekte religieuze beweging voorbij te zien, en ook zonder te ontkennen, dat geweld tot de ongehoord snelle uitbreiding van den Islâm zeer belangrijk heeft bijgedragen. Eene onbevangen beschouwing der historische feiten is al voldoende om dit in te zien.
Zoo moge men de bekeering der massa van de Christenbevolkingen van Syrië, Egypte en Noord-Afrika tot den Islâm eene vrijwillige noemen, zij was dan toch door de verovering hunner landen voorafgegaan en voorbereid. Na de annexatie bij het Moslimsch gebied genoten zij wel eene met middeleeuwschen maatstaf gemeten vrij groote tolerantie, maar de vrijheid hunner levensuitingen was dan toch zeer beperkt en in alles moesten zij zich de minderen van de ingedrongen overheerschers toonen. Al gingen sommige Mohammedaansche bestuurders zeer ver in de begunstiging van Joodsche of Christelijke individuën, het meerendeel der belijders van deze getolereerde godsdiensten had veel te lijden van het misbruik, dat het Mohammedaansche plebs maakte van zijne kunstmatige maatschappelijke meerderheid.
Zeker was het voor de Moslimsche propaganda eene begunstigende omstandigheid, dat de Oostersche kerk in een allerjammerlijksten toestand van geestelijk verval verkeerde, zoodat sommige Europeesche geleerden in den Islâm met zijne eenvoudige leer zonder clerus of dogmatische haarkloverij eene welkome geestelijke verlossing hebben gezien voor de Monophysieten, Nestorianen of hoe verder de Christelijke secten van het Oosten heeten. Maar het is dan toch duidelijk, dat zij die verlossing nooit gezocht zouden hebben, wanneer niet directe en indirecte dwang hen uit de kerk naar de moskee gedreven had.
Het systeem van den Islâm getuigt hiervan.
Het sterkst en ondubbelzinnigst uit zich die dwang in het stelsel van den Islâm zooals dat ongeveer sinds de derde eeuw van de Hidjrah bestaat en door de geheele Mohammedaansche wereld is erkend. Men vindt het uiteengezet in de gezaghebbende leerboeken over de wet. De wijze, waarop de Islâm zich behoort uit te breiden, wordt daar aangegeven in de hoofdstukken over den heiligen oorlog en verwante onderwerpen.
Gebied van den Islâm en gebied van den oorlog.
De aarde heeft men volgens die leer te beschouwen als verdeeld in gebied van den Islâm en gebied van den oorlog.
Het gebied van den Islâm staat onder het gezag van het hoofd der geheele Moslimsche gemeente, den imâm (leider) of chalief (opvolger), namelijk van den Gezant van Allah in diens hoedanigheid van bestuurder der geloovigen. De bewoners van dit gebied zijn òf Mohammedanen òf getolereerde schriftbezitters, die onder allerlei beperkende en vernederende voorwaarden de bescherming van leven en have door den Moslimschen staat genieten.
Nederlandsch-Indië gebied van den Islâm.
Theoretisch rekent men tot de "dâr al-Islâm" ook zulke landen, van welke men aanneemt, dat zij vroeger onder Mohammedaansch gezag gestaan hebben, al worden zij thans door niet-Mohammedanen bestuurd. Zoo gelden dus Britsch- en Nederlandsch-Indië, voor zoover zij door Mohammedanen bewoond worden, als gebied van den Islâm. Ten onrechte hebben W. Hunter en andere Britsche staatslieden zich hierover verheugd, daar zij meenden, dat deze leer opstanden van Britsch-Indische Moslims tegen het Engelsche gezag tot onwettige woelingen stempelde. IJdele illusie! Werden die Oostersche wingewesten, evenals bijv. Engeland en Nederland zelf, door de Moslimsche wet bij het gebied van den oorlog ingedeeld, dan zou als regel, zij het niet geheel zonder uitzonderingen, gelden, dat vijandige handelingen van Mohammedanen tegen zulke landen slechts mochten ondernomen worden krachtens machtiging van het hoofd der Moslimsche gemeenschap. In gebied van den Islâm daarentegen zijn niet-Moslimsche overheerschers abnormale verschijnselen, die men slechts dulden mag zoolang men zich buiten staat acht ertegen te reageeren.
Het gedeelte der aarde, dat buiten het gebied van den Islâm valt, is in zijn geheel gebied van den oorlog, dat wil zeggen bestemd om met den spoed, dien de omstandigheden toelaten, door middel van geweld tot gebied van den Islâm gemaakt te worden. Voor volslagen heidenen kan die onderwerping slechts geschieden in den vorm van bekeering tot het geloof aan Allah en Zijnen Gezant; degenen, die eenen door den Islâm erkenden godsdienst belijden, mogen volstaan met erkenning van het Moslimsche staatsgezag als hunne overheid.
De heilige oorlog.
Dit zijn de hoofdlijnen van het systeem; men ziet, dat van de legende van den Moslim met het zwaard in de eene, den Qoerân in de andere hand toch dit overblijft, dat de Mohammedaansche wet de alleenheerschappij van hetgeen zij voor de waarheid houdt door den sterken arm verzekerd wil zien, dat de ware zending in den geest der wet bestaat in de onderwerping van andersdenkenden door de Moslimsche legermacht. Verdienstelijk maken zich ongetwijfeld Mohammedaansche kooplieden of kolonisten in heidensche landen, waarin Moslimsche legers nog niet konden doordringen, door als pioniers langs vreedzamen weg aanhangers voor hun geloof te winnen, en even prijzenswaard wordt het geacht, wanneer anderen onder de gedulde Joden, Christenen, enz. bekeerlingen trachten te maken. Dit alles neemt niet weg, dat het middel bij uitnemendheid tot verbreiding des geloofs naar de letter en den geest van de heilige wet gezocht moet worden in maatregelen van geweld. Die wet beschouwt alle niet-Moslims als vijanden der groote monarchie van Allah, wier weerstand tegen Zijne alleenheerschappij door de Mohammedanen gebroken moet worden.
De leer van den heiligen oorlog berust niet op misverstand.
Het staat ons niet vrij, met Prof. Arnold in strijd met de uitspraken der Moslimsche wetgeleerden van alle eeuwen, te beweren, dat dit stelsel niet het ware is, dat het berust op onjuiste opvatting van eenige Qoerânverzen, dat de ware Islâm uitbreiding van het geloof alleen door overtuiging verlangt. Wel stemt eene kleine groep van moderne Mohammedanen met die aanpassing van den Islâm aan nieuwerwetsche begrippen in, maar zij vertegenwoordigen al evenmin de leer van den godsdienst, waarin zij geboren werden, als de modernisten die der Katholieke kerk.
Meer waarde zou men geneigd kunnen zijn toe te kennen aan het argument, dat, zoo ergens, dan zeker in den Islâm, theorie en practijk, stelsel en leven vaak wijd uiteenloopen. Inderdaad hebben menigmaal Moslimsche bestuurders tegenover niet-Mohammedanen in en buiten hun gebied eene veel transigentere houding aangenomen dan die het systeem hun voorschreef. Aan den anderen kant ging het mindere volk zich jegens de getolereerden vaak te buiten op eene wijze, die de Mohammedaansche wet streng afkeurt. Maar van veel meer beteekenis dan zulke afwijkingen ter rechter of ter linker zijde is het onbetwistbare feit, dat de leer van den heiligen oorlog en hetgeen daarbij behoort zich volkomen logisch ontwikkeld heeft uit beginselen, die wij van de verovering van Mekka door Mohammed af tot in de derde eeuw der Hidjrah toe zien voortwerken. Zonder sprongen of tegenstellingen, zonder sporen van principieele ontleening van buiten sluit zich hier het volgende steeds bij het voorgaande aan.
Mohammed is in de laatste jaren van zijn leven op niets meer bedacht dan op middelen om het aantal der geloovigen uit te breiden, waarbij natuurlijk steeds minder op bewijzen van innigheid des geloofs kan worden gelet. De door hem onderworpen Arabieren vallen dan ook na zijnen dood voor een groot deel weder af, maar Aboe Bakr, die hem als hoofd der gemeente opvolgt, beschouwt, geheel in Mohammeds geest, de wederonderwerping dier ontrouwen als eerste en voornaamste taak der geloovigen, en onder zijne leiding wordt die taak op schitterende wijze volbracht. En daarop volgt onmiddellijk de verovering van een belangrijk deel der wereld door de nu definitief geïslamiseerde Arabieren. Geheel evenwijdig met dezen loop der zaken beweegt zich de theorie der wetgeleerden, die vooral in de eerste eeuw van den Islâm het deelnemen aan den heiligen oorlog bijna tot een hoofdplicht voor alle geloovigen willen maken en geen heerlijker einde van een vroom leven kennen dan den dood op het slagveld als getuige des geloofs, als martelaar (sjahîd). Drongen in de eerste eeuwen onzer jaartelling vele Christenen naar eene gelegenheid om zich de kroon van het passieve martelaarschap te verwerven, vele malen grooter was het aantal der oudste Islâmbelijders, die als actieve geloofsgetuigen met ijver den dood op het slagveld zochten in den strijd met hen, die het gezag van Allah en Zijnen Gezant weerstonden.
Deze overdrijving der waarde van het oorlogsbedrijf kon evenmin duurzaam zijn als de zegevierende tochten van den Islâm door de wereld; toen die veroveringen hare voorloopige grenzen bereikt hadden, kwam weldra in de school de kalmere beschouwing tot heerschappij, volgens welke de vrome ook door levenslange uitoefening van een vreedzaam bedrijf aanspraak op den eerenaam van geloofsgetuige kan verwerven. De heilige oorlog bezonk in het stelsel als eene solidaire verplichting der gemeente in haar geheel, waaraan slechts zoovele geloovigen behoefden deel te nemen als de omstandigheden volgens het oordeel van het staatsbestuur telkens vereischten. Maar de oorlogstoestand mocht dan toch niet als geëindigd worden beschouwd voordat het door Allah gewezen doel: onderwerping der gansche wereld aan den Islâm, bereikt zou zijn.
De schriftgeleerden en de volksmassa zijn het hierover eens.
Over de hoofdzaken van deze leer bestaat tusschen de wetgeleerden der verschillende scholen en perioden geen verschil van meening, en zij is meer wellicht dan eenig ander deel der wet populair geworden ook bij de leeken, bij de groote onwetende schare zelfs. Zij is het kort begrip van de actie van den Islâm naar buiten in het glansrijkste tijdperk, dat hij beleefd heeft, omgezet in een voor alle tijden geldend voorschrift. Zij vleit in hooge mate de ijdelheid der menigte: men behoeft slechts de dubbele geloofsbelijdenis te hebben uitgesproken om zeker te zijn, dat men behoort tot de gemeenschap, aan welke Allah de heerschappij over de wereld heeft beloofd. Zij werkt na, ook sedert de wereldgeschiedenis den spot is gaan drijven met hare hoovaardige pretentie: in de scholen der wetgeleerdheid blijft men haar voordragen omdat zij, gelijk de geheele wet, als van onfeilbaar gezag geldt voor alle tijden, en het gemeene volk blijft daaraan kracht ontleenen voor zijne ijdele verwachtingen, gepaard met haat jegens "ongeloovigen".
De andere opvatting is ver in de minderheid.
De Jong-Turken en andere modern gevormde Mohammedanen hebben wel eens gewenscht, dat zij die geheele leer van den djihâd konden opbergen in het museum hunner staatkundige antiquiteiten, en vele niet modern ontwikkelde wereldwijzen deelen om zuiver practische redenen dien wensch. Toch kan niemand hunner de verhouding van den Islâm tot andere godsdiensten principieel op nieuwe grondslagen trachten te vestigen zonder het vertrouwen van de meerderheid te verbeuren en met veler instemming beschuldigd te worden van ongeloof.
Toen in 1908 de aanvoerders der Jong-Turksche revolutie in hun eerste élan de woorden: "vrijheid, gelijkheid en broederschap" in hunne vanen schreven, werd hun weldra met instemming van de massa der bevolking door de schriftgeleerden beduid, dat die gelijkheid alleen mocht bestaan in gelijke aanspraken op bescherming van rechten, welke rechten zelve echter voor de belijders der verschillende godsdiensten niet gelijk waren; en de broederschap, die heeft men later, als al te aanstootelijk, maar geschrapt.
Geweld als bekeeringsmiddel in het Christendom en in den Islâm.
De billijkheid gebiedt, dat wij ons hierbij herinneren, hoe ook in de Christenwereld, met name in de middeleeuwen, staatsmacht en godsdienst bedenkelijke bondgenootschappen gesloten hebben. Christenvorsten en -volken hebben met geweld heidenen bekeerd, ongeloovigen en ketters ter eere Gods gefolterd en gedood, Joden op onmenschelijke wijze behandeld. Maar nooit heeft men uit de Christelijke heilige schriften voor alle tijden geldende voorschriften afgeleid, die zulke practijken sanctioneerden. Het is het ongeluk van den Islâm geweest, dat hij gemeend heeft eens voor altijd met onfeilbaar gezag regelen te moeten geven, die alle handelingen der geloovigen tot in de geringste bijzonderheden bepaalden, en dat hij deze onmogelijke taak kwam te vervullen juist in een tijdperk, waarin onverdraagzaamheid zoowel in het Westen als in het Oosten heerschappij voerde. De leer, dat men voor hetgeen men als de waarheid beschouwt met geweld aanhangers moet winnen, bleef dus als eene erfelijke ziekte aan het eene geslacht na het andere der belijders van den Islâm eigen.
Zachtere methoden van bekeering worden ook toegepast.
De geheele opvatting van godsdienstige zending wordt in den Islâm door deze leer beheerscht. Zeker, men vindt onder Mohammedanen zeer uiteenloopende geestelijke typen, en daaronder ook zulke, die zich uit deernis met de toekomstige eeuwige ellende der heidenen geroepen voelen, hun de waarheid te prediken; maar het type van den Moslimschen propagandist vertoonen dezulken niet. De echte ijveraar voor de uitbreiding van het Mohammedaansche geloof beschouwt het veeleer als zijne taak, als een trouw soldaat van zijnen God, diens rijk op aarde te helpen vergrooten door verdelging van Zijne vijanden en vermeerdering van het aantal Zijner trouwe onderdanen. Dit laatste kan, behalve door geweld, ook door overreding gebeuren. De wet wijst ook daarin den weg. Zij wil in aansluiting weder aan hetgeen Mohammed deed in zijne laatste levensjaren, dat men ongeloovigen door wereldsch voordeel verlokke tot Islâm, tot onderwerping aan Allah en Zijnen Gezant; zelfs is een deel van zekere staatsinkomsten (van de zakât genoemde godsdienstige belasting) uitdrukkelijk voor dit doel aangewezen. Met een niet ongerechtvaardigd beroep op Mohammeds handelwijze ten aanzien van de voorname Qoeraisjieten na hunne gedwongen bekeering tengevolge der verovering van Mekka, leert de wet, dat men vooral bekeerlingen van hoogen rang en stand door wereldsch voordeel blijvend aan den Islâm moet trachten te binden, ook om door dit voorbeeld aantrekkend te werken op hunsgelijken en op degenen, over wie zij gezag hadden. De geloovige, die door persoonlijke bemoeienis menschen voor den Islâm weet te winnen met behulp van prikkeling en bevrediging hunner begeerlijkheid naar rijkdom of eer, maakt zich daardoor uitermate verdienstelijk, en niemand denkt eraan, hem vermenging van materieele en geestelijke dingen te verwijten.
Soortgelijke middelen van propaganda zijn in vroeger en later tijd in de Christelijke wereld niet zelden aangewend. Het verschil is echter weer, dat die methode in den Islâm in de periode van haren bloei met onfeilbaar geacht gezag voor altijd tot wet is verheven.
De bekeering uiterst gemakkelijk gemaakt.
Het spreekt wel van zelf, dat in den gedachtengang, die deze wijze van uitbreiding van den Islâm beheerscht, het stellen van belangrijke eischen van voorbereiding aan degenen, die tot de gemeente willen toetreden, uitgesloten is. Men zou daardoor de bovenal gewenschte vermeerdering van het aantal der Moslims in gevaar brengen.
In de eerste tijden is er wel eenige aarzeling geweest in de beantwoording der vraag, met welk minimum van naleving der wet men nog als Mohammedaan kon gelden. De wet stelt in hare positieve en negatieve geboden lang niet lichte eischen aan het individu, maar men was het er al vroeg over eens, dat de geloovige trots vele zonden van nalatigheid en overtreding mocht hopen op Allahs genade, en dat in ieder geval de straf, die hij in de hel zou hebben te boeten, eens een einde zou nemen, waarna hij het paradijs zou beërven. Het kwam er dus maar op aan, te weten, door welke daden men afvallig werd. Ten slotte heeft deze opvatting gezegevierd, dat alwie de belijdenis, dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed Allahs gezant is, heeft uitgesproken met volle bewustheid van hetgeen hij deed, als Moslim beschouwd moet worden, en dat hij dit blijft, zoolang hij die belijdenis niet heeft herroepen noch een van de geboden van Allahs wet voor ongeldig heeft verklaard, ook al volbrengt hij geen van alle. De bedenking, dat men aldus gevaar loopt, schijngeloovigen te kweeken, wordt weerlegd met de herinnering, dat alleen aan Allah het oordeel toekomt over de echtheid van iemands geloof, terwijl de menschen elkander slechts naar uiterlijke kenmerken kunnen beoordeelen. Het uiterlijke kenmerk nu van hen, die tot de gemeente van Mohammed behooren, is het uitspreken der geloofsbelijdenis, niet gevolgd door woorden of daden, die deze uitspraak van kracht berooven.
Heeft men dit geheele stelsel der Moslimsche propaganda wel begrepen, dan heeft men tevens den sleutel tot het geheim der vaak bewonderde missionaire kracht, die in den Islâm woont, en die hem tot een zoo gevreesd mededinger maakt voor de Christelijke zending, vooral waar beiden onder volken van lage beschaving werken. Den menschelijksten aller openbaringsgodsdiensten heeft een Duitsch oriëntalist den Islâm genoemd. Inderdaad tracht hij als zendingsgodsdienst een menschelijk doel met geheel menschelijke middelen te bereiken.
Geen priesterschap noch geordende heidenmissie.
Ieder Moslim, hoe onwetend hij overigens zij, kan te allen tijde iederen ongeloovige, die Mohammedaan wil worden, den weg wijzen om onverwijld en zonder ceremoniën in den Islâm te worden opgenomen. Sacramenten kent de Islâm niet, derhalve evenmin priesters of andere gewijde of geordende personen, die deze hebben uit te deelen. Zendelingen van beroep zijn er ook niet. De uitspraak, dat ieder Mohammedaan op zijnen tijd een zendeling is, moge overdreven zijn, als men daaronder wil verstaan, dat allen vervuld zijn van fanatieken ijver tot verbreiding van hun geloof, zij is waar in dezen zin, dat niemand door de gemeente of eenig ander lichaam voor de missie wordt afgevaardigd, maar dat de meesten als de gelegenheid zich biedt, gaarne medewerken om leden te winnen voor de gemeenschap, waartoe zij behooren.
Leekenpropaganda.
Voor kolonisten of kooplieden, die zich duurzaam of tijdelijk vestigen in een land met heidensche bevolking, is dit zelfs geboden door eigenbelang. Zij willen daar een eigen milieu hebben, in de eerste plaats een eigen gezin, maar dan verder een eigen wijderen kring, hoe wijder hoe liever. Dit alles gaat niet zonder het maken van bekeerlingen. Met eene heidensche vrouw mag de Mohammedaan niet trouwen, in een anderen godsdienst dan de Islâm zijne kinderen niet laten opvoeden. De vreemdeling maakt dus der vrouw zijner keuze den overgang tot zijne gemeenschap zoo gemakkelijk mogelijk en tracht ook de hem verzwagerden te winnen. Zoo gaat het verder, en er ontstaat weldra een groep van geloovigen van eenigszins gemengd bloed, die zich door wereldkennis, ontwikkeling van den geest en onderling verband voordeelig onderscheidt van de overige bevolking. De niet bekeerde bevolking ziet tegen de bekeerden op; door den Islâm aan te nemen voelen die heidenen zich, ook maatschappelijk, omhoog gaan.
Moslimsche propaganda vergeleken met Christelijke.
Hier hebben wij weder eene omstandigheid, die gedeeltelijk verklaart, waarom de Mohammedaansche propaganda sneller pleegt te slagen dan de Christelijke. In den Islâm volgt de grootst mogelijke assimilatie onmiddellijk op de bekeering; de Christelijke zendeling, hoe vol toewijding ook, blijft met zijne rasgenooten voor de primitieve bevolking, waaronder hij werkt, vreemdeling. Met recht vestigt professor Arnold hierop bijzonder de aandacht, en dit doen de meesten, die den voortgang van den Islâm bijv. in Midden-Afrika waargenomen hebben. Een Engelsch zendeling aldaar, die dezen ban wilde breken en met eene negerin trouwde, verwekte zulk eene ergernis met deze toepassing der eenheid in het geloof, dat hij zich genoodzaakt zag, de kolonie te verlaten.