P. CHR. ASBJÖRNSEN.
NOORSCHE VOLKSVERTELLINGEN.
VERTAALD DOOR
T. TERWEY.
HAARLEM,
KRUSEMAN & TJEENK WILLINK.
1875.
INHOUD.
Bladz.
De sage in den molen 4 Het kroost der Huldren 13 Een nacht in Nordmarken 24 De koning van den Egeberg 44 Van "Fjeld en Saeter" 53 De vertellingen van den doodgraver 65 Bertha Tuppenhaug's vertellingen 84 Een avond in de keuken van den landheer 97 De bewoners van Lunde 117 Een ouderwetsche kerstavond 123 Een zondagavond op een' saeter 137 Op de vogeljacht in Holleia 173 Eene tooverheks 196 Ter zee. I. De aalscholvers van Udröst 210 II. De nikkers op het "Zand" 217
De Noren loopen zeer hoog met het boekske, waarvan hier de fraaiste vertellingen den Nederlandschen lezer worden aangeboden. En ze hebben reden te over voor die waardeering. Terwijl toch aan den eenen kant de belangstelling gewekt wordt door den inhoud der sagen uit "het schemerdonker des volkslevens", staat men aan den anderen verrukt over "de warme teekening van land en volk", die den aantrekkelijken achtergrond der vertellingen uitmaakt. Zou dit dus reeds in staat zijn, de ingenomenheid te verklaren, waarmede Asbjörnsen's arbeid bij zijne landgenooten werd ontvangen, de dienst, welken hij ook met dit product der Noorweegsche litteratuur bewees, wettigt die genegenheid te meer.
De letterkunde van dit volk werd zich hare roeping eerst volkomen bewust, toen zij zich aansloot bij het volk zelf; toen zij het leven en streven van dat volk zich ten onderwerp koos. Had zij tot nog toe aan den leiband harer Deensche zuster geloopen, zij leerde op eigen beenen staan, toen hare dichters en prozaïsten een oog begonnen te krijgen voor de schatten, welke voor hunne kunst uit de natuur, de historie, het volksleven van hun eigen land konden gedolven worden. In wat het Noorsche volk zelf gedicht, gedacht en gedaan had, vond de litteratuur een' vasten gezonden bodem, waaruit zij als nationale kunst kon opwassen. Zoo oordeelden ook en daarnaar handelden twee mannen, die een' allerbelangrijksten invloed op de letteren van hun vaderland hebben uitgeoefend: Jörgen Moe en P. Chr. Asbjörnsen. De eerste verzamelde de volksdeuntjes, hier en ginds in omloop; te zamen gaven zij een aanzienlijk getal uitstekend vertelde--"Folke-eventyr"--volkssprookjes ten beste, en nadat Moe zich geheel aan zijn kerkelijk ambt--hij is "praest" te Drammen--en aan de geestelijke poëzie had gewijd, schreef de houtvester Asbjörnsen eene nieuwe verzameling Huldersprookjes en Volkssagen, schoon op gansch anderen trant, dan toen hij gemeenschappelijk met Moe arbeidde. Terwijl toch de "Folke-eventyr" streng objectief zijn gehouden en zoo getrouw mogelijk weergeven, wat de vrienden uit den mond des volks hadden opgevangen, geeft Asbjörnsen hier, terwijl hij zijne lezers deelgenoot maakt van de wijze, waarop hij aan de kennis zijner vertellingen is gekomen, eene schildering van natuur en volk, die, naar 't oordeel van een landgenoot, aan de dichterlijkste kleur eene betooverende getrouwheid paart.
Of de vriendelijke lezer het gunstig oordeel van des auteurs landgenooten zal deelen? Afgezien van het belang, dat de Noren als zoodanig in dit voortbrengsel hunner letteren moeten stellen, heeft de vertaler geen recht tot twijfel. Daar schuilt, meent hij, ook ten onzent genoeg belangstelling voor 't volksgeloof eener stamverwante natie; genoeg zin voor de poëzie van natuur en volksleven, om eene goede ontvangst dezer vertellingen te waarborgen.--Ge hebt Gerard Keller's Zomer in het Noorden gelezen en genoten? Welnu, hier wordt u stoffe geboden ter aanvulling uwer kennis door iemand, wiens lust het jarenlang was, te dwalen door de geurige dennebosschen, te zwerven langs de oevers der bergstroomen, te kouten aan den haard der eenzame saeters van zijn land. En zijn de voorstellingen, door Keller's boek in u gewekt, verflauwd;--men leest in onzen tijd zooveel;--neem zijn tweede deel nogmaals ter hand en gij vindt er beter opheldering van wat u vreemd mocht dunken, dan eene enkele aanteekening 't zou kunnen.
Toch niet over den inhoud der volkssagen, zegt gij, en de vertaler zal ronduit bekennen, dat het denkbeeld hem heeft toegelachen, elke vertelling te doen volgen door eenige opmerkingen, die duidelijk in 't licht stelden, hoe groot de verwantschap is geweest of nog is tusschen 't volksgeloof der Noren en Nederlanders. Maar hij heeft begrepen, dat de identiteit op dit punt, behoudens karakteristieke verschillen, tusschen de Germanen en Skandinaviërs door Grimm in zijne Deutsche Mythologie te klaar is bewezen, dan dat men dit feit nog als iets nieuws behoefde mede te deelen. En vervolgens duchtte hij niet zonder reden, dat eene uitvoerige aanwijzing der verschijnselen, die deze waarheid staven, kwalijk in overeenstemming mocht zijn met den bescheiden vorm, waaronder dit boekje optreedt.
De lezer, die in dit onderwerp belang stelt, zal bij Grimm, bij Simrock in zijn "Handbuch der Deutschen Mythologie", bij Van den Bergh in zijne "Volksoverleveringen", maar vooral in zijn "Kritisch Woordenboek der Ned. Mythologie", of uit J. W. Wolf's "Niederländische Sagen" kunnen zien, welke treffende familietrekken de overleveringen van beide volken vertoonen. Er is bijna geen enkele trek in de vertellingen van Asbjörnsen, die men niet hier of daar in Nederland terugvindt. Zelfs Holda--de vriendelijke--wier naam ons van de lippen glijdt, wanneer wij "hou en trou" zweren aan onzen vriend of onze "hulde" brengen aan de min, heeft ook ten onzent hare vereerders gehad; al belette haar karakter van berg- en woudgeest natuurlijk, dat zij in onze overleveringen eene rol zou spelen, zóó belangrijk, als zij met hare volgelingen, de Huldren, in de Noorsche volkssprookjes vervult. Schuilt er in onzen bodem geen schat van metalen, die in 't Noorden de volksfantazie kon doen ontvlammen, toch wist men ook bij ons te verhalen van schatten, hier en daar verborgen, en wier bestaan werd verraden door een geheimzinnig schijnsel. En droeg ook bij ons de kwaal, die wij "engelsche ziekte" noemen, geen daemonisch karakter, wij hadden toch even goed tooveressen, die lood smolten, dat plotseling afgekoeld in zonderlinge figuren den aard van verschillende krankheden openbaarde.
En zoo zouden wij kunnen voortgaan en doen opmerken, hoe ook het Nederlandsche volk zijne vertellingen bezat omtrent de gedaanteveranderingen van duivel of heksen in slangen, padden, hazen of zwarte katten; hoe ook bij ons "de duivel en zijn grootje" van tijd tot tijd feestvierden met hunne getrouwen; hoe ook hier de heksen de kunst verstonden op geheimzinnige wijs de koeien van hare melk te berooven, tot de beesten er het leven bij inschoten,--om toch ten slotte ons "woord vooraf" tot een' onbetamelijken omvang te doen uitdijen.
Den lezer, die onze meening deelt, dat volksoverleveringen en volkssprookjes niet bij voorkeur in de kinderkamer thuis behooren, heil!
Amsterdam, 25 Augustus 1875. T.
DE SAGE IN DEN MOLEN.
Wanneer 't mij in de wereld tegenloopt,--en ik kan niet klagen dat dit te zelden gebeurt,--heb ik er mij steeds wel bij bevonden, een zwerftochtje te ondernemen tot verlichting van mijn vrachtje bekommernis en tegenspoed. Wat mij op zekeren tijd in den weg stond, herinner ik me niet meer; maar 't staat me nog duidelijk voor den geest, hoe ik voor eenige jaren, op een' zomermiddag met de hengelroê in de hand, over de velden zwierf langs den oostelijken oever van den Akerself.
De frissche lucht, de geur van 't hooi en de bloemen, 't genot der beweging, het gekweel der vogels en het frissche windje langs de rivier, alles bracht mij in eene opgewekte stemming. Toen ik de brug bij Oset over was, begon de zon ter kim te nijgen: nu eens kleurde zij de avondwolkjes met haar' schoonsten gloed, alsof ze wou, dat deze zich zouden verlustigen in den geleenden tooi, wanneer zij zich spiegelden in de klare golven van het meer; dan weer brak zij door de wolken heen en zond een' stroom van licht uit, die gulden plekken schiep in de donkere bosschen aan de overzijde.
De avondwind voerde na den warmen dag een' verfrisschenden geur uit de dennenbosschen met zich en de ver weerklinkende, langzaam wegstervende tonen van den koekoek stemden den geest weemoedig. Werktuigelijk volgde mijn oog het aas, dat ik uitwierp en dat de stroom der rivier meevoerde. Zie, daar sprong een glinsterende visch; snorrend vloog het snoer van den hengel, en toen ik dezen stevig vasthield, boog hij zich als een hoepel: 't moest een forel zijn van de grootste soort. Nu was 't geen tijd meer om te dwepen met dennengeur en koekoekslied; 'k had al mijne tegenwoordigheid van geest hoog noodig om den visch aan land te brengen, want de stroom was snel en 't beest spartelde geweldig. Driemaal moest ik 't snoer op- en afwinden, voor 't mij gelukte mijn' buit met den stroom mede naar een' kleinen inham te krijgen, waar hij gelukkig aan land werd gebracht en een fraaie purper-gevlekte visch bleek te zijn van de verwachte grootte.
Ik bleef nog eenigen tijd visschen langs den westelijken oever der rivier, maar slechts jonge forellen hapten naar mijn aas en mijne gansche vangst bedroeg niet meer dan een tiental visschen. Toen ik bij den houtzaagmolen kwam, was de lucht geheel bewolkt. 't Was reeds tamelijk duister en slechts aan den noordwestelijken rand des horizons bespeurde men nog eene groene strook, die een' zwakken lichtglans wierp op de stille vlakte van den vijver. Ik sprong op het vlot des vijvers en wierp op nieuw uit, maar mijne vangst bleef luttel. 't Was bladstil, de wind scheen ter rust gegaan en slechts mijn aas deed het heldere water rimpelen.
Een opgeschoten knaap, die achter mij op den heuvel stond, ried mij, eene heele tros wormen aan den angel te hechten en daarmee stootsgewijs over de oppervlakte van 't water te slepen, en bood aan voor 't noodige aas te zorgen. Ik volgde zijn' raad, en de proef gelukte boven verwachting, want een forel van een paar marken beet weldra aan den haak en werd niet zonder moeite op den ongemakkelijken oever gebracht. Maar hiermee was 't ook uit; geen enkele beet werd meer bespeurd, geen enkele visch schoot door den stillen vijver; slechts de vleermuizen, die snorrend rondfladderden, brachten nu en dan, wanneer zij op insecten neerschoten, trillende kringen op de blanke vlakte te voorschijn.
Vóór mij lag de molen, van binnen duidelijk zichtbaar door 't vlammend haardvuur. Hij was in vollen gang; toch scheen het, of 't rad met zijne schoepen en staken niet door den wil of de hand van een' mensch werd bestuurd en geleid, maar of 't ten speelbal strekte voor de luimen van een' onzichtbaren molen- of stroomgeest. Maar ja, ten laatste vertoonden zich ook menschelijke gedaanten. Hier sloeg er een met een grooten haak naar een balk, die in den molen moest gebracht worden en zette de geheele vlakte in golvende beweging; een ander kwam voorzichtig met eene bijl in de hand naar buiten om een balk te effenen of de buitenste planken in den vijver te werpen, die krakend in de diepte stortten. Alles suisde en bruiste, knarste en kraakte, en nu en dan werd ook buiten den molen--als een reuzenzwaard in kamp met de geesten des nachts--eene blinkende zaag in beweging gebracht om de knoesten en oneffen uiteinden der balken af te zagen.
Uit het noorden kwam met den stroom der rivier eene kille vlaag, die mij deed voelen, dat ik nat en vermoeid was, en ik besloot daarom naar binnen te gaan en eene poos uit te rusten aan den haard van den molenaar. Ik riep den knaap, die nog aan den oever stond en verzocht hem de vischkorf te brengen, die ik had neergezet, en mij te volgen over 't vlot, welks gladde balken in 't water schommelden en bij elken stap, dien ik deed, onderdoken.
Bij den eenen haard in den molen zat een oud man met een grijzen baard; eene roode muts had hij tot over de ooren getrokken. De schaduw van den schoorsteen had mij in 't eerst belet hem te zien. Toen hij hoorde, dat ik een ommezien wenschte uit te rusten en mij te warmen, maakte hij schielijk van een knoestig stuk hout eene zitplaats bij 't vuur.
"Dat is een kostelijke visch," zei de oude, terwijl hij de laatste forel, die ik had gevangen in de hand nam, "en dat is een haakvisch; die weegt stellig anderhalf pond. Gij hebt hem vast in den vijver hier gevangen?"
Op mijn bevestigend antwoord begon de man, een aartsliefhebber van visschen naar 't scheen, te verhalen van de groote forellen, die hij dertig jaar geleden in den omtrek had gevangen, en slaakte daarbij--niet minder dan Sir Humphry Davy in zijne Salmonia--de hartroerendste klachten over 't afnemen der visch en 't toenemen van het zaagsel in de rivieren.
"De visch gaat weg," zei hij met eene stem, die boven al 't gedruisch uit klonk; "'t gebeurt nu zelden dat men zulk eene goudhaak als deze vangt, maar 't zaagsel neemt van jaar tot jaar toe. 't Is dan ook geen wonder, dat de visschen de rivier verlaten, want doen zij de kieuwen open om eene teug zuiver water naar binnen te halen, dan krijgen ze den heelen kop vol zaagsel en splinters. Dat vervloekte zaagsel!--God vergeve me de zonde--de zaag geeft ons brood, mij en mijn gezin; maar ik ben mij zelf niet langer meester, als ik denk aan de prachtige visschen, die ik voor jaren heb gevangen."
Intusschen was de knaap met mijn vischkorf binnen gekomen; hij scheen kwalijk te moede bij al 't geraas en gedruisch, dat in den zaagmolen heerschte. Voorzichtig liep hij over de losse vloerplanken, en op zijn gelaat las men duidelijk angst en vrees voor 't bruisen van het water op en tusschen de raderen onder zijne voeten.
"'t Is niet alles hier te zijn; ik wou dat ik goed en wel thuis was," zeide hij.
"Hoor je hier niet thuis?" vroeg ik.
"Wie ben je, waar kom-je van daan?" vroeg de oude man.
"Ik kom van Gamleby, en ik ben te Brække geweest met een' brief voor den schout; maar ik ben zoo bang in donker alleen te gaan," antwoordde de knaap, die zich den heelen tijd dicht in mijne nabijheid hield.
"Schaam je wat, groote jongen, voor zoo iets bang te zijn," zei de oude, maar voegde er troostend bij: "zoo aanstonds komt de maan op, en de knecht kan wel met je meegaan."
Ik beloofde den vreesachtigen knaap hem tot de Beierbrug te brengen, en dit scheen hem eenigermate gerust te stellen. Ondertusschen hield het malen op en twee der knechts gingen de zagen vijlen, een arbeid, die van zulk een krassend geluid verzeld gaat, dat 't iemand door merg en been dringt en des nachts, boven 't bruisen van den waterval uit, niet zelden tot in de naaste stad weerklinkt. 't Scheen, dat dit geraas de zenuwen van den knaap nog onaangenamer aandeed.
"Hè, 'k zou voor nog zoo veel hier geen nacht willen doorbrengen," zeide hij en staarde om zich heen, of hij aanstonds uit elken hoek van den molen een' nikker zou zien oprijzen.
"Ik heb hier al menigen nacht doorgebracht," zei de oude; "toch had ik 't er in den beginne ook niet op begrepen."
"Ik heb van mijne moeder gehoord, dat er zooveel hekserij in zoo'n molen gebeurt," viel de knaap angstig uit.
"Ik kan niet zeggen, dat ik er ooit iets van gezien heb," hernam de molenaar. "'t Water is wel eens plotseling gedaald of gerezen, wanneer ik 's nachts maalde, en soms ook hoorde ik wel kloppen in de buitenste delen, maar gezien heb ik niets. De menschen gelooven daar tegenwoordig niet meer aan," ging hij voort, terwijl hij een vragenden blik op mij sloeg, "en daarom durven de geesten niet meer voor den dag komen; de menschen zijn te wijs en hebben te veel boeken gelezen in onze dagen."
"Wel mogelijk," zeide ik; want ik merkte duidelijk, dat er meer stak achter den blik, dien hij mij toewierp, en ik had liever, dat hij mij oude histories vertelde, dan mij af te geven met 't bestrijden van zijne bewering, dat de verlichting in onzen tijd de onderaardsche geesten zou bang maken. "In zekeren zin kunt ge gelijk hebben. In den ouden tijd geloofden de menschen vaster aan elk slag van tooverij; nu houden ze zich of ze er niet aan gelooven, om verstandig en verlicht te schijnen, zooals gij zegt. Toch hoort men in de bergstreken nog wel, dat de geesten zich aan de menschen vertoonen, hen met zich voeren en zulke dingen meer. Ik zal je eens," voegde ik er bij, om hem goed op gang te krijgen, "ik zal je eens eene historie vertellen, die ergens gebeurd moet zijn, maar waar en wanneer, dat herinner ik me niet juist meer."
Daar was eens een man, die een' molen bezat, vlak bij een waterval, en daar huisde ook een molengeest in. Of de man hem, zooals men hier en daar pleegt te doen, geboterd brood en gerstebier gaf, om te maken dat zijn meel vermeerderde, weet ik niet, maar 't is niet waarschijnlijk, want telkens, als hij malen moest, greep de molengeest den spilbalk vast en deed den molen stil staan. Onze man begreep weldra, vanwaar dit kwam, en op zekeren avond, dat hij aan 't werk moest, nam hij een' ijzeren pot vol pek en teer met zich en lei daaronder vuur aan. Toen hij 't water over den wielbalk leidde, raakte deze een oogenblik in beweging, maar spoedig stond hij stil, zooals te verwachten was. De molenaar stak en sloeg naar den geest in de goot en rondom den balk, maar te vergeefs. Eindelijk opende hij de deur, die naar de goot en den wielbalk leidde, en daar stond de molengeest midden in de deur en gaapte hem aan met een' mond, zóó wijd, dat de onderkaak den drempel aanraakte en de bovenkaak aan den zolder reikte.
"Hebt gij ooit zulk gapen gezien?" zei de geest.
De man vloog op den pekpot toe, wierp hem den inhoud in den mond en zeide: "Hebt gij ooit zoo iets kokend heets geproefd?"
Toen liet de geest den balk los en stiet een vreeselijk gebrul uit. En sedert heeft men hem daar gehoord noch gezien, en nooit heeft hij de lui belet te malen.
"Ja," zeide de knaap, die met eene mengeling van angst en nieuwsgierigheid mijne vertelling had gevolgd, "dat heb ik ook hooren vertellen door mijne grootmoeder, en zij vertelde nog eene andere historie van een' molen."
Dat gebeurde een heel eind hier van daan en niemand kon daar zijn koren gemalen krijgen, omdat 't er vol was van hekserij. Maar nu woonde er ook eene arme vrouw, die op zekeren avond noodzakelijk wat koren moest malen, en zij bad daartoe den molen te mogen gebruiken.
"Neen, God beware je," zei de eigenaar, "dat gaat niet, dan mocht het eens met dubbel geweld gaan spoken." Maar de vrouw antwoordde, dat zij 't zoo hoognoodig had; want zij had geen korrel brijmeel in huis en geen brood voor hare kinders. Nu, eindelijk kreeg zij dan verlof naar den molen te gaan en dien nacht te malen. Toen ze daar kwam, warmde zij een' grooten pot met teer, die daar stond, bracht den molen in beweging en zette zich bij den haard om eene kous te breien. Na eene poos kwam er een vrouwmensch binnen en groette haar.
"Goeden avond," zei ze tot de vrouw.
"Goeden avond," zei deze en bleef zitten breien.
Maar zooals ze daar zat, begon degene, die binnen gekomen was, het vuur over den haard uit te spreiden. De vrouw rakelde het weer samen.
"Hoe heet gij?" vroeg de geest.
"Ik? Ik heet Zelf," zei de vrouw.
Dat leek haar een zonderlinge naam, en nu begon ze op nieuw het vuur uiteen te halen. De vrouw werd boos, begon te schelden en rakelde het op nieuw samen. Dat duurde zoo eene heele poos, maar toen 't de vrouw lang genoeg geduurd had, stortte zij den teerpot over de aardgeest uit. Die aan 't huilen en schreeuwen, en zoo ijlde ze naar buiten en riep:
"Vader, vader, Zelf heeft me gebrand!"
"Zoo, heb je 't zelf gedaan, dan moet je 't zelf ook maar lijden," hoorde men in den berg.
"'t Liep wondergoed af met die vrouw," zeide de grijze molenaar. 't Had kunnen gebeuren, dat de molen verbrand was en zij meteen; toen ik nog tehuis was, heb ik iets dergelijks hooren vertellen, dat daar in den ouden tijd moet zijn voorgevallen. Daar woonde een boer, die ook een molen had en deze brandde twee pinksteravonden na elkander af. Toen het derde jaar pinksteren naderde, was er een kleermaker bij hem, die kleeren maakte voor 't aanstaande hoogtij.
"Ik ben benieuwd, hoe 't ditmaal met den molen zal gaan," zei de man, "ik vrees, dat hij weer zal afbranden."
"'t Heeft geen nood," zei de kleermaker, "geef mij den sleutel, dan zal ik op den molen passen."
Dat leek den man niet kwaad toe, en toen 't avond werd, kreeg de kleermaker den sleutel en ging naar den molen; er was niets in, want hij was pas nieuw opgebouwd. De snijder zette zich midden op den vloer neder, nam een stuk krijt en trok een' wijden ring om zich heen en buiten om dien ring schreef hij 't Onze Vader: toen was hij nergens meer bang voor, zelfs voor den duivel niet. Te middernacht vloog de deur eensklaps open en daar kwamen eene menigte zwarte katten binnen, om er van te ijzen zoo leelijk. 't Duurde niet lang, of zij zetten een ijzeren pot op den haard en legden vuur aan, zoodat 't in den pot begon te bruisen en te borrelen, alsof hij vol kokende teer en pek was.
"Ha, ha," dacht de snijder, "zal dat zóó gaan?" en nauwelijks had hij dit bij zich zelven gezegd, of een der katten schoot op den pot toe en trachtte dien om te werpen.
"St, kat, je zult je branden!" riep de snijder.
"St, kat, je zult je branden! zegt de snijder," riep 't dier den anderen katten toe, en nu begonnen zij alle rondom den ring te dansen; maar een oogenblik later sprong de kat weer naar den haard en wilde den pot omver smijten.
"St, kat, je brandt je!" schreeuwde de snijder en joeg haar van den haard.
"St, kat, je brandt je! zegt de snijder," zei de kat tot de andere katten, en weer begonnen ze alle te huppelen en te dansen en op eens vlogen ze naar den haard en trachtten den pot onderst boven te werpen.
"St, kat, je brandt je!" schreeuwde de snijder en schopte haar, dat ze over elkander heen buitelden, en toen begonnen ze weer te dansen en te springen als te voren.
Daarop sloten zij een kring om de krijtstreep en begonnen in 't rond te dansen, al sneller en sneller, en eindelijk ging 't zoo gauw, dat alles voor den kleermaker scheen rond te draaien, en zij keken hem aan met oogen, zoo groot en zoo vurig of ze hem wilden verslinden.
Maar terwijl zij hiermee bezig waren, stak de kat, die eerst getracht had den pot om te gooien, den bek binnen den ring, als of zij lust gevoelde den kleermaker aan te vallen. Zoodra deze 't bemerkt, neemt hij zijn knipmes en houdt dit gereed. Weer steekt de kat den bek binnen den ring, maar, vlug als de wind, hakt de kleermaker haar dien af en toen vluchtten alle katten, zoo snel ze konden, al gillend en schreeuwend de deur uit. Maar onze kleermaker legde zich binnen den ring neder en sliep, tot de zon hoog aan den hemel stond en zijne slaapstee bescheen. Toen stond hij op, sloot den molen en ging naar de hoeve.
Toen hij 't woonvertrek binnentrad, lagen man en vrouw nog te bed, want 't was pinkstermorgen.
"Goê morgen," zei de kleermaker en gaf den man de hand.
"Goê morgen," zei de man en hij was blij en verbaasd, toen hij den snijder weer zag, dat kan men begrijpen.
"Goê morgen, moeder," zei de kleermaker en reikte de vrouw de hand,
"Goê morgen," zei de vrouw; maar zij zag er bleek en verward en verschrikt uit, en hare handen verborg zij onder de dekens;--eindelijk toch reikte zij hem de linker. Toen begreep de kleermaker, hoe alles samenhing, maar wat hij den man zeide en hoe 't sedert de vrouw verging, dat heb ik nimmer gehoord."
"De molenaarsche was licht zelf eene heks?" vroeg de knaap, die met gespannen aandacht had geluisterd.
"Jij vat het," antwoordde de oude.
't Was bijna niet mogelijk langer een woord te verstaan; want de molen was weer met zijn geraas en geschuur aan den gang. De maan was opgekomen en na de korte rust was mijne vermoeidheid geweken. Ik zei dus den oude vaarwel en verliet den molen in gezelschap van den bangen knaap. Wij volgden het pad over de heuvelen naar Grefsen. Witkleurige wolkjes zweefden boven de rivier en de moerassen beneden in 't dal. Boven den sluier van rook, die over 't stadje hing, verhief zich Akershus met hare torens, die helder uitkwamen tegen den waterspiegel van den fjord, waarin eene smalle landspits zich uitstrekte als eene groote slagschaduw. De hemel was niet geheel helder en er was weinig beweging in de wolken en de lucht; het maanlicht mengelde zich met den schemer van den zomernacht en deed de omtrekken van 't landschap op den voorgrond slechts flauw uitkomen. Maar boven den fjord straalde 't schijnsel der maan blank en klaar, terwijl de Asker- en Baerumtoppen, in donkerblauwe schaduwen gehuld, zich boven elkander hoog in de lucht verhieven en den verren achtergrond van 't landschap vormden.
Verkwikt door 't koele bad van den avonddauw spreidden de viooltjes en hare gezellinnen de levendigste geuren over de velden, maar uit de moerassen en van de beekjes stegen kille, doordringende luchtstroomen op, die mij soms deden huiveren.
"Oef, 't griezelt mij," riep mijn jonge metgezel dan uit. Hij waande, dat deze luchtstroomen werden uitgeademd door de geesten des nachts en meende eene heks of eene kat met vurige oogen te zien in elken heester, die door den wind werd bewogen.
HET KROOST DER HULDREN.
Wij hadden een bezoek afgelegd op Bjerke-hoeve. De landheer en grootmama roeiden zondags avonds weer naar huis, maar juffer Marie en de jongens hadden zoolang gevleid en gebedeld, tot zij verlof kregen den maandagmorgen aftewachten en over de bergen naar huis te keeren om "van 't vergezicht te genieten," zoo als 't heette; en ik, de huisonderwijzer, had mijne goede redenen om bij hen te blijven. De maandag morgen kwam; veel spoediger dan ons lief was. Verzeld van onze gastvrouw, de waardige moeder Bjerke en haar' zoon, wandelden wij door de bladerrijke boschjes, die tot de hoeve behoorden en in wier berkentoppen de kwikstaartjes en goudvinken hun' snellen welluidenden slag deden hooren. De vliegenvangers drentelden rond op de takken en bleven niet achter in 't groot concert, terwijl de tuinkoning, bescheiden in 't loof verborgen, zijne teedere tonen uit de dichte, donkere toppen overal heen zond. De ochtend was zoo stil en kalm; de berkeblaren bewogen zich nauwelijks, en toen wij 't pad tusschen de velden betraden, zagen wij, telkens als er een zonnestraal viel op het groen, hoe de paarlen van den morgendauw fonkelden op de klaverplantjes en de bladeren van den Mariadistel. De zwaluwen scheerden langs den grond; de distelvink zat wiegelend op een' heester of kweelde op den akker. Daar verrukte ons het lied van den leeuwerik, hoog in de blauwe lucht, die van alle kanten bezaaid was met lichte zomerwolkjes, welke ons beschermden tegen de brandende zon.
Toen wij aan gene zijde van den straatweg waren gekomen, deed zich een ander tooneel aan ons voor. 't Ging nu bergop; sparren en dennen welfden hunne koele bogen over ons heen. Nog klonken de trillers van den leeuwerik ons in 't oor; maar de tonen, die hier vernomen werden, waren slechts het schel gefluit der mees en 't regenvoorspellend geschreeuw van den Geertruidsvogel. Moede van 't klimmen rustten wij een ommezien uit op de vlakke, met mos bedekte klippen bij 't marschland der pastorie, dronken eene afscheidsteug met onze vrienden en verkwikten ons aan 't gezicht der blanke vlakte van 't Oiermeer, dat wij tusschen de toppen der sparren zagen schemeren.
De jongens waren al spoedig op 't moerasveld om braambeziën te zoeken en jubelden, telkens als zij een roodachtig plekje zagen. De juffer en ik volgden hen. Omkranst met sparren- en dennenhout strekte 't moeras zich een kwartmijl ver naar 't westen uit; de eentonigheid der groote vlakte werd slechts afgebroken door enkele groepen ranke biezen of hoopjes lichtgroene kalmus. Hier en daar verhief zich een heuvel, en op den top daarvan zag men soms nog eene geel geworden hut, die herinnerde aan 't vogelspel in 't voorjaar. Naar 't noorden, waarheen de weg ons voerde, hadden wij niet meer dan duizend schreden af te leggen. Aan den zoom der vlakte stond het bloeiende heidekruid, maar ginder wenkten ons de prachtige gouden bekers der moslelie, de gebaarde bloem der bitterklaver en de sierlijke kalla.
Getooid met wuivende rietpluimen, braambeziënbloemen en fijn gras, prijkte 't mostapijt met duizend schakeeringen en rees en daalde onder onze voeten, of 't op de golven der zee rustte. Ook wij dwaalden een oogenblik van den rechten weg af om braambeziën te plukken. Toen wij terugkeerden naar den top van een' der met sparren bewassen heuvels, zwaaide 't kolfriet zijne groote golvende stengels boven onze hoofden heen en weer; een snijdende wind blies ons in 't gelaat, en vlak boven ons stonden donkere wolkenmassaas met oneffen randen. Er dreigde eene regenbui; reeds voelden wij enkele droppels. Ik troostte mijne gezellin met de schuilplaats, die wij in 't oude wachthuisje zouden vinden, een overblijfsel uit den oorlogstijd, dat nauw een paar boogscheuten van ons verwijderd was. Toen wij den zoom der marschvlakte naderden, stortregende het, maar nu was 't bezwaar gering; wij voelden vasten grond onder onze voeten, het bosch beschutte ons en binnen een paar minuten zouden wij den heuvel hebben beklommen en in 't wachthuisje zijn. Maar 't bleek spoedig, dat we daar alles behalve veilig waren voor den regen. Het dak was ingestort; slechts een klein deel er van in den eenen hoek was overgebleven, zoodat we de vogelen des hemels boven ons konden zien vliegen. Doch in dit hoekje, onder dit stuk van het dak had een menschlievende jager of houthakker, tusschen de stijlen, van een paar planken eene bank gemaakt, maar even groot genoeg voor twee personen. Hier moesten we ons dus nederzetten, en nooit, docht me, had ik heerlijker zitplaats gevonden. De jongens klauterden met levensgevaar boven op de overblijfselen van den ouden schoorsteen in den anderen hoek, en stonden daar onder den grauwen hemel zoo lang te kibbelen, of zij negen of elf kerken zagen, tot ze eindelijk door den regen zelfs de naaste boomen niet meer konden zien.
Men zou kunnen vermoeden, dat ons bijeenzijn in den hoek wederzijdsche vertrouwelijkheid en openhartigheid moest aanbrengen. Doch dit was niet 't geval; ik zat stilzwijgend te staren op de vlakte van 't Oiermeer, dat zich door de deuropening vertoonde, als in een' doffen sluier gehuld; ik keek naar de knapen op den bouwval van den schoorsteen en naar mijne eigen beenen. Wanneer ik 't een oogenblik waagde een' zijdelingschen blik te slaan op mijne schoone gezellin, was 't om dien weer met dubbele snelheid af te wenden. Mijn toestand was deerniswaard en komiek tegelijk, die van een verliefden huisonderwijzer. Wij zaten daar als een paar hoenders op den stok. Grijp de gelegenheid aan! fluisterde ik mijzelven toe. Terwijl ik over 't moerasland liep, had ik in stilte weer de toespraak herhaald, die ik reeds bij een dozijn soortgelijke gelegenheden had denken te houden. Hoe zij luidde, herinner ik mij niet meer, maar dit weet ik, dat ze mij altijd in de keel bleef steken, als ik wilde beginnen. Nu was 't gewichtige oogenblik weer daar. De jongens waren naar beneden geklommen en tuimelden rond in de bessenstruiken. Ik achtte het noodzakelijk mijne verklaring te beginnen met een stout stuk, en werkelijk waagde ik 't den arm om haar middel te slaan; maar spoedig bleek 't, dat de juffer veel dapperder was dan ik. Zij sprong op en stond met een dreigend gebaar en toch glimlachend voor mij.
"Wat wilt ge van mij? Lieve hemel, weet gij wel wat ge waagt?" sprak zij. "Gij kent immers mijne afkomst? Gij weet toch, dat ik van de Huldren afstam en dat er heksenbloed door mijne aderen stroomt?"
"Beste juffer," zei ik, terwijl ik inmiddels een weinig tot bezinning was gekomen, "ik begrijp u niet,... ik wist niets," voegde ik er bij om toch iets te zeggen, "van zulk eene verdachte afkomst."
"Nu, 't is wel vreemd, dat mama, die u zooveel sprookjes en histories heeft verteld, u daarvan nooit iets heeft gezegd. Mijne grootmoeder of overgrootmoeder was eene echte Hulder. Luister slechts; maar als ge niet wilt dat ik doornat zal worden, moet ge mij toestaan vredig op de bank naast u te zitten.--Nu dan, mijne overgrootouders of bet-overgrootouders--dat weet ik niet recht--hadden op zekeren zomer de berghut betrokken. Zij hadden een' zoon, en deze was bij hen. Toen 't najaar kwam en zij de berghut moesten verlaten, zeide de jongeling, dat hij wilde achterblijven, want hij had lust om te zien, of 't waar was, dat de Huldren hun kwartier in de hutten opsloegen, wanneer ze ledig stonden. Zijn' ouders beviel dit niet; zij zeiden, dat hij niet aan de waarheid daarvan behoefde te twijfelen wanneer zoovelen 't vertelden. De zoon hield echter vol en eindelijk gaven ze hem hunne toestemming; zij lieten een' grooten schotel melkbrij achter en vertrokken.
Juist toen de jongeling in gepeins zat verdiept, begon er leven te komen op het erf rondom de hut. Hij hoorde bellen klinken, runderen loeien, zwijnen knorren, en daar was een gepraat, een geroep, een sturen en stellen, precies als wanneer men in 't voorjaar met 't vee naar de hut komt. Allengs werd het stiller, en een oogenblik later kwamen er twee vrouwen binnen. De jongste van haar was zóó schoon, dat men haarsgelijke onmogelijk zou vinden. Zij gingen aan 't redderen en ordenen en begonnen vervolgens melkpap te koken. Inmiddels hield de jongeling zich of hij sliep. De Huldren sloegen in den beginne geen acht op hem, maar op eens begon de jongste te schreien.
"Wel wat schort je, waarom schreit ge?" zei de andere.
"Ach, dien jongen daar vind ik zoo mooi, dat ik niet zonder hem kan leven, en toch zal dat zoo moeten zijn," antwoordde de jongste.
"Stil maar, we zullen een praatje met hem maken," zeide de moeder om haar te troosten. Zij gingen zitten eten, en nu deed de jongeling of hij ontwaakte, en groette beiden. Zij noodigden hem uit met haar te eten, maar hij bedankte en vroeg, of zij niet liever wilden eten van zijne roompap.
Ja, dat wilden ze gaarne, want gij moet weten, van roompap houden de Huldren 't allermeest. Zij aten nu te zamen en keuvelden over een en ander, tot de moeder sprak:
"Jij bent een knappe jongen en mijne dochter heeft een goed oog op je; als je wilt beloven met haar naar den predikant te gaan om haar te laten doopen, dan kun-je haar krijgen. Maar goed moet je voor haar wezen, dan zal een flinke bruidschat je niet ontgaan. Je zult alles krijgen, wat je noodig hebt in de hoeve en voor je bedrijf, ja, meer dan je behoeft."
Och ja, de jongeling meende, dat hij wel van haar zou kunnen houden, en zulk een aanbod werd niet elken dag gedaan. Hij beloofde dus naar den predikant te gaan om haar te laten doopen, en--goed voor haar zijn, dat zou hij zeker. Zij trokken toen naar huis; de dochter werd gedoopt, zij hielden bruiloft en leidden een gelukkig leven, naar men verhaalt.
Eens was hij wat bar tegen haar geweest en had tegen haar' zin gehandeld; 's nachts daarop hoorde hij een verschrikkelijk leven en geraas. Maar toen hij 's morgens in het voorhuis kwam, zag hij 't heele erf vol van allerlei benoodigdheden voor 't boerenbedrijf en de huishouding. Daar waren koeien en paarden, ploegen en hooisleden, nappen en emmers en alle mogelijke zaken.
Toen de oogsttijd weer naderde en de kool groot werd en de vrouw de slacht moest in orde brengen, had zij hakbord noch haktrog. Zij verzocht daarom haar' man de bijl te nemen en den berg op te gaan om den grooten den te vellen, die op den weg naar de berghut stond; daarvan moest hij haar een' haktrog maken.
"Ik zou haast denken, dat je zot waart, mensch," zei de man; "zou ik den besten boom in 't bosch vellen, om er een' haktrog van te maken? En hoe zou ik dien thuis krijgen in dezen tijd; de stam is zoo zwaar, dat geen paard in staat is hem voort te sleepen."
Toch bleef zij aanhouden; maar toen de man stellig bleef weigeren, nam zij de bijl, ging naar 't bosch, hieuw den denneboom om, nam hem op den schouder en bracht hem naar huis. Toen haar man dat zag, verschrok hij zóó, dat hij sedert haar nimmer dorst tegenspreken, of iets anders doen dan zij wenschte, en van dien tijd af waren zij de eensgezindheid zelf.
"Ziedaar de historie. Welk een sterk en lastig man mijn grootvader was, hebt gij zeker vernomen; mijn' vader, den landheer, kent gij," zei ze half dreigend, half schertsend: "gij kunt u dus voorstellen, wat u te wachten staat, wanneer ge mij ernstig boos maakt."
"Ge schijnt hier te willen blijven Marie," zeiden de knapen, die zich met een' blauwzwarten mond in de deur vertoonden, elk met een' verbazenden bessentak in de hand. "De regen heeft al lang opgehouden; kom, laat ons nu gaan."
Wij stonden op; het rijke loof der mossen, welke de vochtige wanden bedekten, glinsterde, door den regen verfrischt, in den helderen zonneschijn. Buiten, in 't bosch, scheen eene nieuwe vreugd op planten en vogels neergedaald. De kinderen van Linnaeus zonden ons hun' welriekenden adem tegen en de sparren goten hunne geuren over ons uit. Het bosch was vol van vogelenzang en gejubel; in elken top zat een lijster mij uit te lachen over mijne verliefdheid, de tuinkoninkjes zongen om strijd mee en verheugden zich in hun geluk; slechts een eenzaam roodborstje zat klagend in 't dichtste loover.
Terwijl wij door 't bosch gaande de berghelling afdaalden, lag Opper-Romerike vóór ons in den zonneschijn; boven de westelijke heuveltoppen hing nog de regen als een grauwe sluier, maar naar 't noorden was de lucht helder als een spiegel. De Mistberg, de lieveling dezer streek, hief zijn' ronden top als een azuren koepeldak ten hemel; heuvels en bosschen, kerken en landhoeven vertoonden zich aan onzen blik, en de jongens herkenden zelfs reeds den rooden stal der ouderlijke woning.
't Ging nu met spoed naar beneden; Marie hield een' wedloop met de jongens, ik kwam slenterend achteraan, staarde neerslachtig op 't waterlooze landschap en stilde mijn' dorst met sappige boschbessen. Weldra waren wij dicht bij de hoeve, maar toen wij den tuin naderden, stak de middagzon zoo brandend heet, dat wij een oogenblik de schaduw opzochten. Marie zette zich in 't gras neder onder den ouden eik, en wij volgden haar voorbeeld. Daar golfde plotseling een stroom van klanken boven onze hoofden. Verbaasd leende Marie het oor en staarde naar de donkere bladerrijke kroon, alsof zich daarin alle gevleugelde zangers des wouds hadden verborgen. Ik herkende die tonen; zij kwamen van een' zeldzamen gast in deze streek: 't was de goudleeuwerik die dit concert gaf. Hij was in den besten luim; zijn toon was doordringend als die van den valk en zoet als de zang van 't sijsje. De trillers van den leeuwerik, 't wijsje van de musch, het gekweel der zwaluw gaf hij ons beurtelings ten beste; hij kende de tonen van den lijster zoo goed, als die van elken anderen zanger in 't loof. 't Was eene ware potpourri van vooglenliederen, nu jubelend, dan treurig.
"Hoort ge dat?" riep Marie, terwijl zij opsprong en rondom den boom danste, "in die tonen herken ik mijn' Huldrenaard; ik voel, dat ik hier thuis behoor, evenals gij u te huis gevoelt in de stad en in de boeken, bij tooneelvertooningen en draaiorgels."
EEN NACHT IN NORDMARKEN.
Een Julidag, zoo doorschijnend helder als een dag in September, een zonnestraal boven de bergen van Baerum en de dennengeur, dien ik toevallig opsnoof, deden, in 't midden van den heeten zomer en in de duffe stad, mijn' zwerflust ontwaken en mijn heimwee naar bosch en veld. Ik moest en zou naar buiten om de frissche lucht van stroomen en dennen in te ademen. Doch slechts een paar dagen stonden te mijner beschikking. Tot een' langen tocht schoot dus de tijd te kort; een uitstapje naar Nordmarken, om daar te visschen, was al wat ik me mocht veroorloven. De toebereidselen waren spoedig gemaakt; aas en vischtuig waren in orde, en na eene wandeling van weinige uren was ik den Hammer voorbij, ging langs eene berghelling naar Kamphaugen en van deze hoeve verder naar de Björnsjö-rivier. In de diepte glinsterde de baai nu en dan tusschen de stammen der boomen en de open plekken van 't bosch. De vogels zongen uit volle borst en 't werd me zoo vroolijk en vrij, nu 'k weer ademen mocht in den zoeten woudgeur. 't Gedruisch van den waterval riep mij tot zich en spoedig was ik aan den mond der rivier. Hier stroomde zij helder, maar steil, over den kiezelgrond; uit eene woeste kloof, die van haar' uitloop uit het Björnmeer af eene kwartmijl lang hare diepe bedding vormt, ijlt ze als in gevleugelde vaart in de armen der baai. Zoolang de rotswanden en torenhooge steenklompen haar beklemmen, tuimelt zij met pijlsnelle drift in den donkeren afgrond neer. Nu eens vormt zij een' bruisenden waterval, wit van schuim; dan stuift zij met woeste sprongen hoog boven de zwarte rotsmuren uit, terwijl hare wateren in damp verdwijnen; dan weer--of hare onbesuisdheid haar rouwde--stroomt ze met donkere, loome golven voort. Maar slechts een ommezien rust zij uit, om met frissche krachten het dartel spel weer aan te vangen. En toch beteekent al haar gedruisch en gebruis in dezen tijd des jaars luttel bij 't geen zij in 't najaar te zien en te hooren geeft. Wanneer de dam wordt geopend; wanneer de schuimende wateren van 't Björnmeer worden losgelaten en het gevelde hout met den stroom wordt meegevoerd, dan overtreft haar koken en bruisen elke voorstelling; het gedreun van hare watervallen is als 't ratelen van den donder; boomen en rotsblokken sleurt zij mede en balken doet ze in stukken vliegen, als waren 't pijpestelen.
De rotshellingen aan de oevers van den stroom heffen zich steil naar boven met hare steenblokken, hare massa's omgewaaide stammen en hare donkere dennen, die ernstig nederzien op het wilde spel in de diepte en verfrischt worden door de dampwolken, die de waterval telkens hun in den grauwen, eerbiedwaardigen baard werpt.
En tusschen de elzen en beuken, die beneden aan den oever hunne takken boven de rivier uitbreiden, ziet de visscher, die hier heen is getogen om buit, slechts eene smalle slip van den blauwen hemel, meestal nog verduisterd door de dampen, die van den waterval opstijgen en langs de helling zweven. Wie hier wil visschen, moet voor water noch rotsen vervaard zijn, want vaak is de klove zoo eng, dat de oevers verdwijnen en men den stroom moet doorwaden, en soms wordt de bedding plotseling dieper en vormt eene donkere geul met steile wanden, waarin de stroom als een schuimende waterval op den visscher aanstormt. Dan moet hij tegen de steile wanden opklauteren, tusschen steenklompen door, die dikwijls onder zijne voeten uitwijken, zoodat hij, indien hij al niet naar beneden stort, tusschen hemel en aarde zweeft en zich met de handen moet vastklemmen, die opengereten worden en bloedige sporen achterlaten op den steen, dien hij heeft aangegrepen. En kent hij niet elken steen en elken struik, dan bevindt hij zich spoedig in den wanhopigen toestand, dat hij op noch neer kan; "dat hij in den berg is geraakt," zooals 't bij de jagers heet.
Ik sprong van den eenen steen op den anderen, terwijl de hengelroê mij tot staf en balanceerstok diende; ik waadde en klauterde en was recht vroolijk. In de heldere wielingen en onder de glasgroene golven, welke de rivier vormde op die plaatsen, waar zij met mindere woestheid voortstroomde, sprongen de jonge forellen vroolijk op en neer; in de diepe geulen schoten groote visschen als gouden strepen heen en weder, snapten 't aas onder 't water weg, deden 't snoer suizend van de roede glijden en sleepten 't mee naar het diep, waaruit ze echter spoedig naar boven getrokken en op het droge gebracht werden.
Toen ik uit de kloof trad, waar de rivier uit het Björnmeer ontspringt, verwijlde ik een oogenblik op den dam. De zon neeg ter kim en haar licht speelde tusschen de boomtoppen, terwijl 't donkerblauw des hemels, de gloeiende avondwolkjes en de sombere dennen, die 't meer omsluiten, zich afspiegelden op het heldere watervlak. Insecten gonsden door de lucht en hielden hun elvendans boven 't water, waaruit, al borrelend en plassend, prachtige visschen op hen toe schoten. Boven het bosch, naar 't noorden, stond eene loodkleurige wolkbank met geelbruine randen. Lauwe luchtstroomen kwamen mij te gemoet en beklemden de borst in de eenzaamheid des wouds; in de verte klonk eene fluit, wellicht ook de echo daarvan; in de avondstilte naderden hare tonen mijn oor, zwevend, wegstervend, verlokkend en klagend tevens.
Ik ging het bosch door langs den meeroever, om te onderzoeken, of er op eene der vooruitspringende plekken ook iemand te vinden was, die mij naar Bonna zou kunnen overzetten, de eenige plaats, waar hier menschen wonen. Weldra traden twee mannen het bosch uit. 't Voorkomen des eenen hield het midden tusschen een' patriarch en een' bedelaar; hij bezat eene reusachtige gestalte, borstelige wenkbrauwen en een' langen, eerwaardigen grijzen baard. Op 't hoofd droeg hij eene blauwe wollen muts en over zijn versleten wambuis hing een zak van schapenvel, met een' rooden wollen band vastgemaakt. De ander was een visscher, dien ik reeds meermalen op mijne zwerftochten door deze streken had aangetroffen. Van ouder tot ouder had zijn geslacht hier geleefd en gearbeid; in vroegere dagen had het in eeuwigdurende veete geleefd met de "boschfinnen," die volgens de sage tot in het midden der vorige eeuw zich ophielden in verschillende vlekken van Nordmarken en in de groote bosschen, die zich van hier en den Holtsfjord tot 't Gudbrandsdal en Valders uitstrekken.
Maar de oude Elias is niet altijd visscher geweest. In zijne jeugd was hij een kloek zeeman, die evenmin een' storm als 't donderen der kartouwen vreesde. Hij lag voor Göteborg in 1788; hij was bootsmansmaat op de Prövest, den 2den April 1801. Hij heeft de geuren der oranjeboschjes aan de kusten der Middellandsche zee ingeademd en de palmboomen van Indië aanschouwd. In Nordmarken heet hij Elias, de visscher, of Elias, de Zweed, naar' zijn eersten tocht. Nu is hij gebrekkig en wordt grootendeels onderhouden uit de armenkas. Maar de breede schouders en de krachtige armen tuigen nog van zijn verleden, en wanneer zijn tong los komt en hij aan 't vertellen raakt over kapitein Larsen, zijn' bevelhebber, over de zee, over den 2den April en zijne vischtochten in Nordmarken, dan komt er leven in die oogen, dan spant zich elke spier van dat ingevallen en behaard gelaat. Oud en jong luistert gaarne naar zijne vertellingen en Elias is overal een welkome gast, zelfs bij die kleinzielige schepselen, die hem zijn geluk bij 't visschen misgunnen. Want vóór alles is hij met hart en ziel visscher, en zijne ervaring, zijne veeljarige kennis van de gewoonten en levenswijze der visschen in deze rivieren en wateren maken, dat zijne pogingen in den regel met een zeldzaam geluk worden bekroond. In den besten vischtijd ziet men Elias, den visscher, zelfs nu nog, in zijn vier-en-tachtigste jaar, iedere week met eene reusachtige mand vol visch op den rug naar de stad gaan. Maar één zwak heeft hij; al te vaak tracht hij de klove tusschen 't voorheen en thans te doen verdwijnen onder de wateren der Noorsche Lethe. Wanneer hij van de stad terugkeert, zijn zijne schreden wankelend en is zijn hoofd zwaar, en schoon zijne woning niet ver is--de kleine hut op een' heuvel ter linkerzijde van den weg, even voor men aan de Skjærvenbrug in 't Mariadal komt--gebeurt het maar al te dikwijls, dat hij aan den kant van den weg zijne slaapstee vindt.
"Welkom, mannen!" zei ik.
"Goên avond," was 't bescheid van beiden, terwijl zij op de hengelroê leunden.
"Goên avond, Elias; moeten we elkaar al weer hier vinden?"
"Ja, 't gaat met mij als met eene donderwolk," zeide Elias, "men vindt mij altijd, waar ik 't minst verwacht word."
"Denkt ge hier van nacht te visschen?" vroeg ik.
"Wij meenen het ten minste te probeeren," zei Elias, "'t is nog wel wat vroeg in 't jaar, maar als er regen en wind komt, kan 't licht meeloopen.
"Ja, dat denk ik ook, Elias."
"Hebt ge eene goede vangst gehad in de rivier?" vroeg Elias met een' nieuwsgierigen blik op mijne vischkorf.
"Och, ik heb wel wat gevangen, maar er is niet veel bij, dat meer dan twee marken weegt," zei ik en opende het deksel.
"Er is meer dan anderhalf pond; kijk, dat is een prachtig stuk, en die ook... drommels, 't zijn mooie visschen," zei Elias.
"Vischt hij met vliegen?" vroeg de ander.
"Jij raadt het," zei Elias, terwijl hij te vergeefs een paar malen zijne hengelroê uitwierp: "jij raadt het; ik heb naast hem gestaan aan de Hakklo en kreeg niet eens tuk, terwijl hij met een half pond ging strijken, en dat schielijk ook."
Ik vroeg, waar zijn kameraad vandaan was en vernam, dat hij zich des zomers op de bergen van Hadeland ophield. Hij moest nu naar stad om zout te koopen; maar hij zou ook graag wat brandewijn en tabak willen opdoen, en daartoe trachtte hij zich de middelen te verschaffen door de vischvangst.
Tegen 't invallen der duisternis brak 't onweder los; het donderde en bliksemde in de verte; de donkere wolkenmassa's breidden zich steeds verder uit, hare omtrekken werden telkens minder scherp, en eindelijk hingen de regenwolken als een grijs gordijn boven de bergen.
Vóór onweer en regen uit streek een frissche wind over 't water. Nu was 't de rechte tijd om te visschen. Enkele groote visschen hapten toe en werden nu en dan gevangen, maar meestal schoten ze 't aas voorbij.
"Zij hebben nog den rechten zin niet om toe te bijten, daarom is het zoo dikwijls mis," zeide Elias, terwijl hij bezig was een visch op 't droge te trekken.
Bij de eerste regendroppelen sprongen de visschen slag op slag naar het aas; maar toen de bui terdege los brak en 't aanving te hagelen en te stortregenen, was 't geheel voorbij.
"Morgen zullen we 't misschien beter treffen," zei de Hadelander.
"Wat dunkt je van 't weer," zei ik na eenige oogenblikken. "Boven de bergen klaart het op."
"Als de lucht daar helder wordt, komt er nog meer regen; maar 't kan wel een' enkelen dag droog blijven," antwoordde de Hadelander. "Luister maar, die kerel ziet ook naar regen uit," voegde hij er bij, toen in de verte een akelig geschreeuw weerklonk, juist of iemand in doodsgevaar om hulp riep.
"Is dat de nikker?" vroeg ik.
"In Jezus naam, zeg dat niet,--'t was de watervogel." [1]
Wij gaven 't visschen voorloopig op en besloten vuur aan te leggen, want we waren doornat. De oudjes zochten takken en twijgen bij een, ik verschafte vuur, en spoedig vlamde op den top des heuvels een vuur, dat, geholpen door mijne teerkost, niet naliet zijn' opwekkenden invloed op mijne genooten te openbaren door een levendig gesprek over de visscherij, de gewoonten der forellen in Nordmarken en der visschen in de rivieren van Hadeland. Elias weidde met voorliefde uit over de vischtochten, die hij in zijne jonge jaren in Nordmarken had gemaakt, als hij van eene reis tehuis was gekomen.
"Toen kon men hier nog eens visch vangen," zeide hij, terwijl hij zijn kort pijpje aanstak, "maar 't gaf ook niet zoo'n gesukkel met 't water, en 't was niet gevaarlijk, al raakten er 's nachts een paar balken uit den dam, zoodat de visch in de rivier kon komen. Ja, ja, bij den dam was 't in dien tijd eene beste plaats om te visschen, want hij stond toen voorbij de twee bergen en de diepe geul, waar ge weet, dat hij nu staat. Ik ving daar op één' nacht acht pond, en daar was er geen onder, die minder dan drie marken woog. Maar nu weten de visschen niet meer hoe ze 't hebben; nooit kunnen zij vrij hun gang gaan."
"'t Moet vast prettig geweest zijn hier te visschen in dien tijd," zeide ik, "maar 't gebeurde toch ook weleens, dat gij slib vingt?"
"Maar zelden, dat ik niets ving; iets kreeg ik altijd," antwoordde hij. "'t Is waar, éénmaal was ik bijna platzak thuis gekomen, maar toch liep 't nog goed af. Dit ging zoo verwonderlijk toe, dat ik er nooit iets van heb begrepen. Zóó ben ik nooit weer uit visschen geweest."
"Wat gebeurde er dan?" vroeg ik.
"Vertel ons dat, Elias," zei de Hadelander; "je kunt voor 't oogenblik niets beters doen."
"Dat geloof ik ook," zei Elias.
"'t Was in 1806. Ik lag destijds in Christiania, maar de orders waren zoo streng, dat geen matroos langer dan één' dag verlof kon krijgen en niet verder mocht gaan dan eene halve mijl van de stad, of hij moest het kapitein Larsen melden. Ik zette mij in 't hoofd in Nordmarken te gaan visschen, ik meldde mij aan en sneed uit met wat teerkost in den eenen en eene flesch brandewijn in den anderen zak. 't Ging slecht. In de Björnsjö-rivier kreeg ik geen enkele maal tuk. Toen ik bij den dam kwam, lag daar eene boot; ik roeide er mee naar Smalström, maar ook daar was geen enkele visch te zien. Zoo toog 'k noordwaarts naar de Hakklo.
"Onderweg ontmoette ik Per Piber, een van de beste visschers hier destijds. "Je hoeft niet verder te gaan, Elias," zei hij, "ik ben noordop naar de Katnose geweest, maar heb haast geen graatje gevangen. Kijk maar hier," zei hij en haalde zijn' korf voor den dag. Daar zullen misschien een dozijn kleine dingen in geweest zijn, zoo lang als mijn vinger.
"Kom ik over den hond, zoo kom ik over den staart, beste Per," hernam ik en schonk hem een paar borrels. Ja, God beware me, ik nam er zelf ook een. "'t Mocht gebeuren, dat ze bij mij toehapten, al deden ze 't niet bij jou," voegde ik er bij.
"Zeker," zei Piber. "Zoo scheidden wij.
"Dadelijk zocht ik de diepste plaats in de Katnose op, want krijgt men daar geen tuk, dan krijgt men 't nergens. Neen, 't wou niet lukken. Ik maakte mij daarom een nachtleger gereed, nam nog eene teug uit de veldflesch om mij te verwarmen, en sliep een gat in den dag. Nog eens beproefde ik 't in de Katnose, doch daar was geen visch te zien en ik moest onverrichter zake terugkeeren. Maar toen ik bij 't wagenhuis op Sandungen kwam, zag ik daar een meertje, dat men 't wagenhuismeertje noemde. Ik had altijd hooren vertellen, dat men daar nooit iets ving, schoon er visschen zwommen, zoo dik als balken. Maar 't was een Huldermeertje en niemand dorst er in die dagen visschen. "Je kunt 't probeeren, Elias," dacht ik, "misschien zal de Huldervisch toebijten, als de andere niet thuis zijn." Ik liep over den lossen veengrond heen, en wierp mijn aas uit bij de kleine beek, die naar Sandungen stroomt en wier water, wanneer de dam afgesloten is, zich onder den lossen bodem door in 't meertje stort. Op eens beet een visch toe en schoot onder den drijvenden grond; hij leek zoo zwaar als een gebakerd wicht, en ik merkte wel, dat 't geen forel was. Toen ik hem boven bracht, bleek 't een baars van acht marken. Een weinig verder op zag ik eene menigte rimpels in 't water. Daar wierp ik uit. Nauwelijks was 't aas in het water, of een visch beet aan; maar dat gaf een gespartel en geplas van belang, en ik had heel wat te doen, voor ik hem boven kreeg. 't Was dan ook eene forel van tusschen de zeven en acht marken, van de kostelijke soort, die men alleen bij Sandungen vindt, vet en breed, met een kleinen kop en zoo geel als was, maar over den rug donkerder dan de visch, die men er gewoonlijk vangt. Ik bleef daar natuurlijk en haalde den een na den ander op, van vier, vijf, zes marken en zwaarder. Maar terwijl ik bij toeval eens omkijk, daar liggen achter mij twee prachtige visschen en een derde er dwars overheen. Ik wist niet, wat ik daarvan moest denken: of een visscher ze er had neergelegd of hoe ze er gekomen waren; ik zag toch niemand. Een eind verder, waar ik weer beweging in 't water bespeurde, wierp ik op nieuw uit. De visschen beten toe, en spoedig had ik wel twee pond gevangen. Maar terwijl ik omzie, liggen daar alweer vijf groote, prachtige visschen achter mij. Ja, ik begreep wel volstrekt niet waar ze vandaan kwamen, maar ik nam ze toch op en legde ze in de vischben bij de drie, die ik eerst had gevonden. Doch daar verhief zich eensklaps zulk een hevige storm en 't kletterde en kraakte zoo vreeselijk, dat ik niet anders dacht, of 't heele bosch zou zoo aanstonds op mij neerstorten. "Neen, 't is hier niet richtig," dacht ik, "ik zal veiliger plek moeten opzoeken," en zoo nam ik de acht visschen en legde ze op een' boomstam naast elkander, opdat de eigenaar ze kon wegnemen, of een vogel of ander dier ze kon opeten. Ik ging naar Sandungen, dat weinige schreden verder lag. Maar eer ik hier kwam, was er geen wind meer te bespeuren, en 't spiegelgladde watervlak weerkaatste bergen en wolken. Toen begreep ik, dat er een Hulder buiten was geweest."
Aan deze vertelling knoopte nu de Hadelander verschillende verhalen vast over Huldervijvers en wateren met dubbelen bodem, waarin de visschen den Huldren behooren en alleen op St. Jan boven mogen komen,--maar op eens brak hij zijne vertelling af met den uitroep:
"In Jezus' naam, wat is dat voor licht daar ginds? Dat ziet blauw!"
Elias meende, dat het niet ver van den Smalström was. Mij scheen 't licht meer rood dan blauw, en ik vermoedde, zooals later ook bleek, dat een paar visschers zich daar hadden gelegerd en een vuur aangelegd. 't Gesprek kwam naar aanleiding hiervan op schatten en schatgravers en 't blauwe licht, dat boven verborgen schatten gezien wordt. Elias vertelde, dat zijn grootvader of overgrootvader--ik herinner mij niet meer, wie van deze twee geloofwaardige personen 't was, maar ik geloof de eerste--een' zilverader had gezien op den bodem van een' helderen vloed, zoo dik als een boomstam, en hieruit ontsponnen zich verschillende vertellingen, die ik zoo goed mogelijk wil trachten weer te geven.
Zijn grootvader dan, vertelde Elias, bracht hout van Nordmarken naar 't Sörkedal. 't Liep reeds naar den zomer, zoodat sneeuw en ijzel verdwenen waren. Hij had zijn dochtertje bij zich. Toen zij tusschen Vindern-Saeter en Blankvandsveld gekomen waren, gleed 't kind uit. "Kijk, vader, daar ligt nog ijzel," zei ze. Hij keek waar ze uitgegleden was, maar bemerkte aanstonds, dat 't zilver en geen ijzel was. Hij hieuw er met de bijl in.
"Ja, je hebt gelijk, kind; 't is zonderling, dat de ijzel 't zoo lang kan uithouden," zeide hij en deed of hij niets merkte. Van dit oogenblik af reed hij dikwijls naar de stad en bracht dan telkens veel geld mee.
Maar als hij daarheen ging, koos hij noch 't pad voorbij Maridalshammer, noch door 't Sörkedal; hij ging zijn' eigen weg, dwars door bosch en veld en over de bergen heen. Eens was hij weer in de stad en had een beetje te veel gedronken;--'t was in de oude hoeve van Ramstad bij Graensen--daar zat hij op te snijden!
"Als ik maar wou, kon ik mijne paarden wel met zilver beslaan," zei hij.
Daar zaten veel luiden en sommigen schreven die woorden op. Maar vóór bestevaar thuis kwam, was hij dood en sedert dien tijd heeft niemand een spoor van zilver gezien, schoon men in 't omliggende veld druk ging spitten en graven.
"Ik heb hooren zeggen, dat die kerel zijn leven lang naar schatten heeft gezocht," merkte de Hadelander aan, terwijl hij een' drogen tak op 't vuur legde.
"Gij zoudt zeker meer van hem kunnen vertellen, als gij wildet," voegde ik er bij.
"Niemand gelooft meer aan die dingen in onze dagen," antwoordde Elias; "maar ik kan nog wel wat vertellen.