Opening the book…

Produced by The Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net

+------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan | | het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven | | als cursief. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als | | ~uitgespatieerd~. Tekst in een kleiner lettertype is als | | #kleiner lettertype# weergegeven. | | | | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | | De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven | | als »aanhalingstekens«. | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van | | dit e-boek op https://www.gutenberg.org | | | +------------------------------------------------------------+

JUDITH

[Decoratieve illustratie]

TOONEELBIBLIOTHEEK
Onder leiding van L. Simons

HET BOEK IS DE UNIVERSITEIT ONZER DAGEN.

UITGEGEVEN DOOR:
DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN
GOEDKOOPE LECTUUR·AMSTERDAM

[Decoratieve illustratie]

FRIEDRICH HEBBEL

JUDITH

TREURSPEL IN VIJF BEDRIJVEN
(1839-1840)

UIT HET DUITSCH VERTAALD DOOR
NICO VAN SUCHTELEN

MET INLEIDING

VOORBERICHT.

Van Friedrich Hebbel is dit het tweede werk, dat wij thans in eene vertaling het licht doen zien. In onzen eersten Jaargang W. B. verscheen in de vertaling van den heer Louis Landry zijn burgerlijk treurspel Maria Magdalena met twee korte inleidingen.

Judith, dat we hier doen volgen in de vertaling door de Tooneelvereeniging gebruikt, dateert van 1840. De lezer, die meer over den schrijver en zijn werk wil weten, zij voorts verwezen naar De Ploeg 5e Jaarg., Afl. Mei en Juni: Dr. Léon Polak, Friedrich Hebbel's kunst en Levensbeschouwing.

REDACTIE T. B.

PERSONEN.

IN HET EERSTE BEDRIJF.

Holofernes Louis van Gasteren. De Opperpriester Joh. Schmidt. Een Heraut Carel Rijken. Een Soldaat Fré Williams. 1ste Hopman H. K. Teune. 2de Hopman Jac. van Hoven. Gezant van Lydië Joh. Brandenburg Jr. Gezant van Mesopotamië G. J. van Staalduynen. Achior Jaap van der Poll.

IN HET TWEEDE BEDRIJF.

Judith Julia Cuypers.
Mirza Lize Hamel.
Ephraïm Joh. Timrott.

IN HET DERDE BEDRIJF (EERSTE TAFEREEL).

Judith Julia Cuypers.
Mirza Lize Hamel.

IN HET DERDE BEDRIJF (TWEEDE TAFEREEL).

Judith Julia Cuypers.
Mirza Lize Hamel.
Ephraïm Joh. Timrott.
Ammon Joh. Brandenburg Jr.
Hosea Alex Frank of Vincent Berghegge.
Ben Jac. van Hoven.
Samuël G. Pilger.
Z'n kleinzoon Carel Rijken.
Een Priester Joh. Schmidt.
Assad G. J. van Staalduynen.
Daniël Adolf Bouwmeester.
Samaja H. K. Teune.
Josua Fré Williams.
Achior Jaap van der Poll.

IN HET VIERDE BEDRIJF.

Judith Julia Cuypers.
Holofernes Louis van Gasteren.
Mirza Lize Hamel.
1ste Hopman H. K. Teune.
2de Hopman Jac. van Hoven.
3de Hopman Alex Frank of Vincent Berghegge.

IN HET VIJFDE BEDRIJF (EERSTE TAFEREEL).

Judith Julia Cuypers.
Holofernes Louis van Gasteren.
Mirza Lize Hamel.
1ste Hopman H. K. Teune.
2de Hopman Jac. van Hoven.
3de Hopman Alex Frank of Vincent Berghegge.
Een Dienaar Carel Rijken.
Ephraïm Johan Timrott.

IN HET VIJFDE BEDRIJF (TWEEDE TAFEREEL).

Judith Julia Cuypers.
Mirza Lize Hamel.
Ephraïm Johan Timrott.
Ammon Joh. Brandenburg Jr.
Hosea Alex Frank of Vincent Berghegge.
Ben Jac. van Hoven.
Een Priester Joh. Schmidt.
Josua Fré Williams.
Een Moeder Marie Faassen.
Een Bewaker Carel Rijken.

Bewakers, Burgers, Soldaten en Volk.

#De eerste opvoering van dit stuk vond plaats te Amsterdam den 4den November door de N. V. Tooneelvereeniging met bovenstaande rolverdeeling.#

EERSTE BEDRIJF.

#(Legerkamp van Holofernes. Op den voorgrond, rechts, de tent van den veldheer. Tenten, gewoel van soldaten. De achtergrond wordt begrensd door een gebergte, waarop een stad zichtbaar is).#

(De veldheer Holofernes treedt met zijn hoplieden uit de open tent. Er weerklinkt muziek. Na een poos geeft hij een teeken, waarop de muziek verstomt).

~Holofernes.~ Het offer!

~Opperpriester.~ Voor welken god?

~Holofernes.~ Wien werd gisteren geofferd?

~Opperpriester.~ Volgens u bevel hebben wij geloot en het lot viel op Baal.

~Holofernes.~ Dan heeft Baal vandaag geen honger. Offert aan eenen, dien gij allen kent en toch niet kent.

~Opperpriester~ (met luider stem). Holofernes beveelt dat wij aan een god zullen offeren dien wij allen kennen en toch niet kennen!

~Holofernes~ (lachend). Dat is de god dien ik het meest vereer. (Er wordt geofferd).

~Holofernes.~ Trawant!

~Trawant.~ Wat beveelt Holofernes?

~Holofernes.~ Wie van mijn soldaten zich over zijn hopman heeft te beklagen, trede voor. Roep het uit!

~Heraut~ (door de rijen der soldaten gaande). Wie zich te beklagen heeft over zijn hopman, moet vòòrtreden. Holofernes wil hem hooren.

~Een soldaat.~ Ik klaag mijn hopman aan!

~Holofernes.~ Waarvan?

~De soldaat.~ Ik had bij de bestorming van gisteren een slavin buitgemaakt, zòò mooi, dat ik schuchter voor haar was en haar niet durfde aan te raken. De hopman komt tegen den avond in mijn tent, terwijl ik afwezig ben; hij ziet het meisje en stoot haar neer omdat ze zich tegen hem verzet.

~Holofernes.~ De beschuldigde hopman is des doods! (tot een ruiter) Vlug! Maar de aanklager ook. Neem hem mee. Doch de hopman sterft het eerst.

~De soldaat.~ Gij wilt mij doen dooden met hem?

~Holofernes.~ Omdat je mij te brutaal bent. Ik liet het bevel uitvaardigen om jelui op de proef te stellen. Als ik jouwsgelijken toestond je hoplieden aan te klagen, wie zou dan mij beveiligen voor de klachten der hoplieden zelf?

~De soldaat.~ Om uwentwil heb ik het meisje gespaard. Ik wilde haar ù geven.

~Holofernes.~ Als een bedelaar een kroon vindt, weet hij heel goed dat zij den koning toekomt. De koning is er hem niet bijster dankbaar voor als hij haar brengt. Maar ik wil je goede bedoeling beloonen, want ik ben hedenmorgen goed geluimd. Je moogt je bedrinken aan mijn besten wijn, voor je gedood wordt. Voort! (De soldaat wordt door den ruiter weggeleid naar den achtergrond).

~Holofernes~ (tot een der hoplieden). Laat de kameelen toomen!

~Hopman.~ Het is reeds geschied.

~Holofernes.~ Had ik het bevel dan al gegeven?

~Hopman.~ Neen, maar ik kon verwachten dat ge het dadelijk geven zoudt.

~Holofernes.~ Wie ben je dat je het waagt mij de gedachten uit het hoofd te stelen! Ik wil dat niet, dat voorkomende, opdringerige gedoe! Mijn wil is één en jullie daad twéé, niet omgekeerd. Onthoud dit!

~Hopman.~ Vergeving! (af).

~Holofernes~ (alleen). Dàt is de kunst: zich niet laten raden, eeuwig een geheim blijven! Het water verstaat die kunst niet: voor de zee bouwde men dijken, voor rivieren groef men een bedding. Het vuur verstaat haar ook niet; dat is zóó ontaard dat koksmaatjes zijn natuur al door en door kennen en nu heeft het voor iederen schooier zijn kool gaar te koken. Zelfs niet eens de zon verstaat haar; men heeft haar baan bespied en schoenlappers en kleermakers meten den tijd naar hun schaduw.--Maar ik versta haar! Ze spionneeren rond mij heen en gluren door de kieren en reten van mijn ziel naar binnen en probeeren uit ieder woord van mijn mond een looper te smeden op mijn hart. Maar mijn Heden past niet op mijn Gisteren; ik ben niet een van die dwazen die in laffe ijdelheid voor zichzelf knielen en altijd den eenen dag tot den nar van den anderen maken; ik hak den Holofernes van heden getroost in stukken en geef hem den Holofernes van morgen te eten. Ik zie het leven niet als een bloot, vervelend voederen, maar als een voortdurend òm- en herscheppen van het bestaan. Ja, onder al dit armzalig volk komt het mij soms voor, alsof ìk alleen bestond; alsof zij slechts daardoor tot het besef van zichzelf konden komen, dat ik hen een arm of been afhouw. Ze merken het ook meer en meer. Maar inplaats van dichter tot mij te komen en tot mij op te klimmen, trekken zij zich schuw terug en ontvluchten mij, als een haas het vuur dat zijn knevel zou kunnen schroeien. Had ik maar een vijand, éénen slechts, die het waagde mij te weerstaan! Ik zou hem willen omhelzen; ik zou, als ik hem in heeten strijd in 't stof geworpen had, mij op hem willen storten en met hem sterven! Helaas! Nebucad Nezar is niets dan een verwaand cijfer, dat den tijd verdrijft door zich steeds maar met zichzelf te vermenigvuldigen. Wanneer ik mijzelf en Assyrië niet meetel, blijft er niets over dan een met vet opgevulde menschenhuid. Ik zal de wereld voor hem onderwerpen, en als hij haar hééft, zal ik haar hem weer afnemen!

~Een hopman.~ Er kwam zoo juist een bode aan van onzen grooten koning.

~Holofernes.~ Breng hem dadelijk bij mij! (voor zich). Nek, zijt ge nog lenig genoeg? Nebucad Nezar zorgt er wel voor dat ge het buigen niet verleert!

~Bode.~ Nebucad Nezar, voor wien de aarde zich kromt en wien macht en heerschappij gegeven is van opgang tot ondergang, biedt zijn veldheer Holofernes den groet des Gezags.

~Holofernes.~ Deemoedig wacht ik zijn bevelen.

~Bode.~ Nebucad Nezar wil niet, dat voortaan andere goden naast hem worden vereerd.

~Holofernes~ (trotsch). Waarschijnlijk heeft hij dit besluit genomen, toen hij het bericht van mijn laatste overwinningen ontvangen had.

~Bode.~ Nebucad Nezar beveelt, dat men hèm alleen zal offeren en de altaren en tempels der andere goden met vuur en vlam verdelgen.

~Holofernes.~ Één in plaats van zoo velen; dat is een groot gemak. Maar niemand heeft het gemakkelijker dan de koning zelf. Hij neemt zijn blanken helm in de hand en verricht zijn gebed voor de eigen beeltenis. Alleen moet hij oppassen voor buikpijn, dat hij geen grimassen maakt en zichzelf doet schrikken. (luid) Nebucad Nezar heeft zeker de laatste maanden geen kiespijn gehad!

~Bode.~ Wij zijn de goden daarvoor dankbaar.

~Holofernes.~ Hemzelf, wilt ge zeggen.

~Bode.~ Nebucad Nezar beveelt dat men hem iederen morgen bij zonsopgang een offer brenge.

~Holofernes.~ Vandaag is het helaas reeds te laat; wij zullen bij zonsondergang aan hem denken.

~Bode.~ Nebucad Nezar beveelt ten slotte nog u, Holofernes, dat ge uzelf zult sparen en uw leven niet aan elk gevaar bloot stellen.

~Holofernes.~ Ja vriend, als zwaarden maar iets behoorlijks konden uitrichten zonder mannen! En bovendien, kijk, door niets breng ik mijn leven zoozeer in gevaar als door drinken op de gezondheid des konings en daarmede zou ik toch onmogelijk kunnen uitscheiden.

~Bode.~ Nebucad Nezar zeide dat geen van zijn dienaren u kon vervangen en dat hij nog veel voor u te doen had.

~Holofernes.~ Goed; ik zal mijzelf liefhebben, omdat mijn koning het beveelt. Ik kus zijn voetschabel! (Bode af). Trawant!

~Trawant.~ Wat beveelt Holofernes?

~Holofernes.~ Er is geen god buiten Nebucad Nezar! Roep het uit!

~Heraut~ (door de rijen der soldaten loopend). Er is geen god buiten Nebucad Nezar! (Een opperpriester gaat voorbij).

~Holofernes.~ Priester! Hebt ge gehoord wat ik liet uitroepen?

~Priester.~ Ja.

~Holofernes.~ Zoo ga en sla den Baal stuk, dien we meeslepen. Het hout schenk ik u.

~Priester.~ Hoe kan ik stuk slaan wat ik aanbeden heb?

~Holofernes.~ Laat Baal voor zichzelf opkomen! Een van beiden: Ge slaat den god stuk of ge hangt uzelf op.

~Priester.~ Ik zal hem stuk slaan. (voor zich) Baal draagt gouden armbanden.

~Holofernes~ (alleen). Vervloekt zij Nebucad Nezar! Vervloekt zij hij, omdat hij een groote gedachte had; een gedachte, die hij niet tot eere brengen, maar alleen verknoeien en belachelijk maken kan. Wèl heb ik het reeds lang gevoeld: de menschheid heeft maar één groot doel; een god te baren uit zichzelf; en die god dien zij baart... hoe zal hij toonen, dat hij god is, dan door zich in eeuwigen strijd tegenover haar te stellen; door alle dwaze aandoeningen van medelijden, van huiveren voor zichzelf, van terugduizelen voor zijn ontzaglijke taak, te onderdrukken; door haar tot stof te vermorselen en haar nog in het doodsuur een jubelkreet af te dwingen!--Nebucad Nezar weet het zich gemakkelijker te maken. Een heraut moet hem tot god stempelen, en ik moet der wereld het bewijs leveren dat hij het is! (De opperpriester gaat weer voorbij). Is Baal verbrijzeld?

~Priester.~ Hij staat in laaien brand! Moog hij 't vergeven!

~Holofernes.~ Er is geen god buiten Nebucad Nezar! U beveel ik de gronden daarvoor te ontdekken. Iederen grond betaal ik met een ons goud en ge hebt drie dagen tijd.

~Priester.~ Ik hoop aan uw bevel te kunnen voldoen. (Af).

~Hopman.~ Gezanten van een koning smeeken om gehoor!

~Holofernes.~ Van welken koning?

~Hopman.~ Vergeving. Men kan de namen aller koningen die zich voor u verdeemoedigden, onmogelijk onthouden!

~Holofernes~ (werpt hem een gouden ketting toe). De eerste onmogelijkheid die mij bevalt. Breng ze voor! (De gezanten komen op en werpen zich voor Holofernes ter aarde).

~Gezant.~ Zòò zal de koning van Lybië zich voor u in 't stof werpen, wanneer ge hem de genade betoont zijn hoofdstad binnen te trekken.

~Holofernes.~ Waarom kwaamt ge niet al gisteren? Waarom kwaamt ge niet éérgisteren?

~Gezant.~ Heer!

~Holofernes.~ Was de afstand te groot, of de eerbied te klein?

~Gezant.~ Wee ons!

~Holofernes~ (voor zich). Gramschap vervult mijn ziel, gramschap tegen Nebucad Nezar. Ik moet wel genadig zijn, dat deze wurmen niet te verwaand worden en zichzelf voor de bron van mijn gramschap houden! (luid). Staat op en zegt uwen koning...

~Hopman~ (op). Gezanten uit Mesopotamië!

~Holofernes.~ Breng ze binnen. (De gezanten op, zij werpen zich ter aarde).

~Gezant uit Mes.~ Mesopotamië biedt den grooten Holofernes zijn onderwerping aan, wanneer het daardoor zijn genade kan verkrijgen.

~Holofernes.~ Mijn genade schenk ik, ik verkoop haar niet.

~Gezant uit Mes.~ Zoo meende ik het niet. Mesopotamië onderwerpt zich op iedere voorwaarde; het hoopt slechts op genade.

~Holofernes.~ Ik weet niet of ik die hoop vervullen mag. Ge hebt lang getalmd.

~Gezant uit Mes.~ Niet langer dan de verre weg noodzakelijk maakte.

~Holofernes.~ Ik heb gezworen dat ik het volk, dat zich het laatst voor mij zou verdeemoedigen, verdelgen zal. Die eed moet ik houden.

~Gezant uit Mes.~ Wij zijn de laatsten niet. Onderweg hoorden wij, dat de Hebraeërs, van allen de eenigen, u willen trotseeren en zich verschanst hebben.

~Holofernes.~ Zoo brengt dan uwen koning de tijding dat ik de onderwerping aanvaard. Op welke voorwaarden, dat zal hij vernemen van diengene mijner hoplieden dien ik hem voor de nakoming zal zenden. (tot de Lybische gezanten) Meldt gij uw koning hetzelfde! (tot de Mesopotamische gezanten) Wie zijn die Hebraeërs?

~Gezant uit Mes.~ Heer, dat is een volk van krankzinnigen. Ge ziet het reeds hieraan dat zij het wagen zich tegen u te verzetten. En nog beter kunt ge het daaraan merken, dat zij een god aanbidden dien zij niet zien noch hooren kunnen, van wien niemand weet waar hij woont en wien zij toch offeren, alsof hij woest en dreigend, zooals ònze goden, van het altaar op hen neerzag. Zij huizen in 't gebergte.

~Holofernes.~ Welke steden bezitten ze? Wat kunnen ze, welke koning heerscht over hen; hoeveel krijgsvolk staat hem ter beschikking?

~Gezant uit Mes.~ Heer, dat volk is schuw en wantrouwend. Wij weten niets van hun onzichtbaren god. Zij vermijden alle aanraking met vreemde volken. Zij eten en drinken niet met ons, op z'n hoogst vechten zij met ons.

~Holofernes.~ Waarom spreekt ge, als ge mijn vraag niet kunt beantwoorden? (Hij wenkt met de hand, de gezanten vertrekken na kniebuiging en nedervallen) De hoplieden der Moabieten en Ammonieten moeten vòòrkomen! (Heraut af) Ik acht een volk dat mij tegenstand wil bieden. Jammer, dat ik alles wat ik acht moet vernietigen! (De hoplieden op, onder hen Achior).

~Holofernes.~ Wat is dat voor een volk dat in 't gebergte huist?

~Achior.~ Heer, ik ken het wel en ik zal u vertellen hoe het er mee gesteld is. Dit volk is verachtelijk wanneer het uittrekt met speer en zwaard; wapenen zijn in zijn hand ijdel speelgoed, dat zijn eigen god stuk breekt, want die wil niet dat het vecht en zich met bloed bevlekt: hìj alleen wil zijn vijanden vernietigen. Maar vreeselijk is dit volk als het zich verootmoedigt voor zijn god, zooals hij dat verlangt; als het zich op de knieën werpt en het hoofd met asch bestrooit; als het weeklachten uitstoot en zichzelf vervloekt. Dan is het alsof de wereld veranderde, alsof de natuur haar eigen wetten vergat; het onmogelijke wordt werkelijk, de zee splijt uiteen, zòò dat het water stilstaat aan weerszijden als muren, waartusschen een weg loopt; brood valt uit den hemel en uit het zand der woestijn borrelt een koele dronk.

~Holofernes.~ Hoe heet hun god?

~Achior.~ Zij beschouwen het als een roof jegens hem zijn naam uit te spreken en zouden den vreemdeling die het deed, zeker dooden.

~Holofernes.~ Welke steden hebben zij?

~Achior~ (wijzend op de stad in het gebergte). De stad die het dichtst bij ligt en die ge ginds ziet, heet Bethulië. Maar hun hoofdstad heet Jerusalem. Ik ben er geweest en heb den tempel van hun god gezien. Hij heeft op aarde zijns gelijke niet. Het was mij, toen ik er bewonderend vòòr stond, alsof zich iets mij op den nek legde en mij omlaag drukte; ik lag opeens op mijn knieën, zonder dat ik wist hoe het kwam. Ze hadden mij bijna gesteenigd, want toen ik opstond, voelde ik een onweerstaanbaren drang het heiligdom binnen te treden. En daarop staat de dood. Een mooi meisje trad mij in den weg en vertelde mij dit, ik weet niet of ze het deed uit medelijden met mijn jeugd of uit vrees voor de verontreiniging des tempels door een heiden.--Luister nu naar mij, o Heer, en acht mijn woorden niet gering. Laat uitvorschen of dit volk ook tegen zijn god gezondigd heeft; en is dat zoo, laat ons dan er op los trekken; dan zal hun god ze zeker aan u overleveren en zult ge ze gemakkelijk onder den voet krijgen. Maar hebben ze nìet tegen hun god gezondigd, keer dan om; want hun god zal hen beschermen en wij zullen tot spot worden voor het geheele land. Gij zijt een geweldìg held, maar hun god is te machtig; en al kan hij niemand tegenover u stellen die u evenaardt, zoo kan hij u toch dwingen tegen uzelf in opstand te komen en u met eigen hand uit den weg te ruimen.

~Holofernes.~ Profeteert ge mij uit vrees of uit arglistigheid? Ik kon u straffen, omdat ge u verstout naast mij nog een ander te vreezen. Maar ik wil het niet doen; ge zult uw eigen vonnis gesproken hebben. Wat den Hebraeërs wacht, staat ook u te wachten! Grijpt hem en voert hem ongedeerd tot hen! (het geschiedt) En wie hem, bij de inneming der stad, neerstoot en mij zijn hoofd brengt, zal ik het met zijn gewicht in goud betalen. (met verheffing van stem) En nu, op naar Bethulië! (De stoet zet zich in beweging).

TWEEDE BEDRIJF.

(Vertrek van Judith. Judith en Mirza aan het weefgetouw).

~Judith.~ Wat denk je van dien droom?

~Mirza.~ Ach, luister toch liever naar wat ik u zeide.

~Judith.~ Ik liep al maar door en voelde me zoo gejaagd, en toch wist ik niet waar het mij heen dreef. Nu en dan stond ik stil en dacht na; dan was 't me alsof ik een groote zonde beging. Voort, voort! zei ik tegen mijzelf en liep nog sneller dan eerst.

~Mirza.~ Daar ging juist Ephraim voorbij. Hij zag er erg bedroefd uit.

~Judith~ (zonder naar haar te luisteren). Plotseling stond ik op een hoogen berg; het duizelde mij. Maar daarna voelde ik mij trotsch; de zon was zoo dicht bij, ik knikte haar toe en zag voortdurend naar boven. Opeens bemerkte ik een afgrond voor mijn voeten, een paar schreden van mij af, donker, onafzienbaar, vol rook en kwalm. En ik was niet in staat terug te gaan, noch stil te staan; ik wankelde voorwaarts. »God, God,« riep ik in mijn angst. »Hier ben ik,« klonk het uit den afgrond omhoog, vriendelijk, lieflijk. Ik sprong; zachte armen vingen mij op, ik dacht dat ik rustte aan het hart van iemand dien ik niet zag en ik voelde mij onzeggelijk gelukkig. Maar ik was te zwaar, hij kon mij niet houden; ik zonk en zonk... ik hoorde hem weenen, en als gloeiende tranen drupten op mijn wang...

~Mirza.~ Ik ken een droomuitlegger. Zal ik hem laten halen?

~Judith.~ 't Is helaas tegen de wet. Maar dàt weet ik wel: zulke droomen moet men niet geringschatten! Kijk, ik stel me dat zòò voor: als een mensch slaapt, ontbonden, niet meer bijeengehouden door zijn zelfbewustzijn; dan verdringt een besef der toekomst alle gedachten en beelden van het heden en de dingen die komen moeten glijden als schaduwen door zijn ziel, voorbereidend, waarschuwend of vertroostend. Dààrdoor komt het dat zoo zelden of nooit iets ons werkelijk verrast; dat we op het goede al lang te voren met zoo groot vertrouwen hopen en voor alle kwaad onwillekeurig sidderen. Ik heb dikwijls gedacht of men kort voor zijn dood nog wel zou droomen.

~Mirza.~ Waarom luistert u nooit als ik over Ephraim spreek?

~Judith.~ Omdat ik gruw van mannen.

~Mirza.~ En u hebt toch zelf een man gehad!

~Judith.~ Ik wil je een geheim toevertrouwen: mijn man was krankzinnig!

~Mirza.~ Onmogelijk! Zou ik dat dan niet gemerkt hebben?

~Judith.~ Hij wàs het, ik mòet het er wel voor houden, als ik niet bang wil worden van mijzelf, als ik niet wil gelooven dat ik een gruwelijk, ontzettend wezen ben. Luister: nog geen veertien jaar was ik toen ik tot Manasses werd geleid. Je zult je dien avond wel herinneren, je volgde mij. Bij iedere schrede die ik deed werd ik angstiger; nu eens dacht ik dat ik zou ophouden te leven, dan dat ik eerst moest beginnen. O, en de avond was zoo lokkend, zoo verleidelijk, men kòn hem niet weerstaan. De luwe wind tilde mijn sluier op alsof hij zeggen wilde: Nu is 't tijd; maar ik hield hem vast, want ik voelde hoe mijn gezicht gloeide en ik schaamde mij. Mijn vader liep naast mij, hij was heel ernstig en sprak veel waar ik niet naar luisterde. Soms zag ik naar hem op en dan dacht ik: Manasses zal er stellig anders uitzien. Heb je dat alles dan niet gemerkt? Je waart er immers ook bij?

~Mirza.~ Ik schaamde mij met u.

~Judith.~ Eindelijk kwam ik in zijn huis en zijn oude moeder trad mij met een plechtig gelaat tegemoet. Het kostte mij moeite haar moeder te noemen; het was me als moest mijn eigen moeder dat in haar graf voelen en als moest het haar pijn doen. Daarna zalfde zij mij met nardus en olie en toen had ik toch werkelijk het gevoel dat ik dood was en als een doode gezalfd werd; je zeide ook dat ik bleek werd. Daar kwam Manasses, en toen die mij aanzag, eerst schuchter, dan driester en driester; toen hij eindelijk mijn hand greep en iets zeggen wilde maar het niet kon; toen was het mij heel en al alsof ik in brand stond, of mij de lichtelaaie vlammen uitsloegen. Vergeef me dat ik dit zoo zeg.

~Mirza.~ U drukte het gezicht eerst een oogenblik in de handen, toen sprongt ge vlug op en viel hem om den hals. Ik schrok er heusch van.

~Judith.~ Ik zag het en lachte je uit; ik hield mij opeens voor veel wijzer dan jij. Luister verder, Mirza. We gingen het slaapvertrek binnen. De oude deed allerlei wonderlijke dingen en sprak iets als een zegen; het was mij toch weer vreemd en bang te moede toen ik zoo alleen met Manasses achterbleef. Er brandden drie lichten, hij wilde ze uitdooven. »Niet doen, niet doen,« vroeg ik smeekend. »Dwaas kind,« zeide hij en wilde mij in zijn armen nemen. Toen ging één van de lichten uit, wij merkten het nauwelijks. Hij kuste mij; toen doofde het tweede. Hij sidderde en daarna ik ook; maar toen lachte hij weer en zei: »Het derde doof ik zelf.« »Gauw, gauw dan,« riep ik, want het liep me koud over den rug. Hij deed het. De maan scheen helder de kamer binnen; ik wipte vlug in bed; zij scheen mij juist in het gelaat. Manasses riep: »Ik zie je zoo duidelijk als overdag,« en meteen kwam hij op mij toe. Plotseling bleef hij staan, het leek alsof de zwarte aarde een hand had uitgestoken en die hem van onderen had vastgegrepen. Ik was vreemd beklemd. »Kom, kom!« riep ik, zonder mij er over te schamen dat ik dit deed. »Ik kan niet,« antwoordde hij dof en traag. »Ik kan niet,« herhaalde hij nog eens en staarde mij vreeselijk, met wijdgeopende oogen aan. Daarna waggelde hij naar het venster en zei wel tienmaal achter elkaar »Ik kan niet.« Hij scheen niet mij, maar iets vreemds, iets ontzettends gezien te hebben.

~Mirza.~ Ongelukkige!

~Judith.~ Ik begon heftig te weenen; ik kwam mij voor als verontreinigd, ik haatte en verafschuwde mijzelf. Hij zeide mij lieve, teere woorden; ik strekte mijn armen naar hem uit, maar inplaats van te komen, begon hij zacht te bidden. Mijn hart hield op te kloppen, het was mij of ik in mijn bloed vastvroor; in mijn eigen binnenste wroette ik mij in als in iets vreemds en toen ik eindelijk, langzaam aan, mijzelf in den slaap verloor, had ik juist een gevoel alsof ik ontwaakte. Den volgenden morgen stond Manasses voor mijn bed; hij keek mij met eindeloos medelijden aan; het werd mij weer zoo beklemd; ik had wel willen stikken. Opeens was 't of er iets in mij scheurde; ik barstte in wild lachen uit en kon weer adem krijgen. Zijn moeder zag mij donker en spottend aan; ik merkte dat zij geluisterd had; geen woord sprak zij tegen mij en fluisterend trad zij met haar zoon in een hoek. »Bah!« riep hij plotseling luid en boos. »Judith is een engel!« voegde hij er aan toe, terwijl hij mij kussen wilde. Ik weigerde hem mijn mond; hij schudde vreemd met het hoofd; het scheen hem goed te zijn. (Na een lange pauze). Zes maanden ben ik zijn vrouw geweest... hij heeft mij nooit aangeraakt.

~Mirza.~ En...

~Judith.~ Wij leefden zoo maar naast elkaar voort; wij voelden dat wij bij elkaar hoorden; maar het was of er iets tusschen ons stond, iets duisters, onbekends. Soms rustte zijn blik op mij met een uitdrukking die mij deed sidderen. Op zulk een oogenblik had ik hem kunnen wurgen, uit angst, uit noodweer; zijn blik boorde als een vergiftigde pijl in mijn ziel. Je weet, het was drie jaar geleden, tijdens den gierst-oogst, dat hij ziek van 't veld thuis kwam; den derden dag lag hij op sterven. Het was mij of hij wilde wegsluipen met een roof gepleegd aan mijn innerlijkst leven; ik haatte hem om die ziekte, het scheen mij alsof hij mij met zijn dood als met een misdaad bedreigde. Hij màg niet sterven, riep het in mijn borst; hij mag zijn geheim niet meenemen in het graf, je moet eindelijk den moed hebben het hem te vragen. »Manasses,« zeide ik, terwijl ik mij over hem heen boog, »wat was dat in onzen huwelijksnacht?« Zijn donkere oogen waren al dichtgevallen, met inspanning sloeg hij ze weer op; ik sidderde, want hij scheen zich uit zijn lichaam, als uit een lijkkist op te heffen. Hij zag mij lang aan; toen zeide hij: »Ja, ja, ja... nù mag ik het je zeggen; je...« Maar snel, als zou ik het nooit mogen weten, trad de Dood tusschen mij en hem en sloot zijn mond voor eeuwig. (Na een lang zwijgen). Mirza... zeg... moet ik niet zelf krankzinnig worden als ik ophoud Manasses voor krankzinnig te houden?

~Mirza.~ Ik huiver.

~Judith.~ Je hebt dikwijls gezien dat ik soms, wanneer ik stil aan het weefgetouw of aan ander werk schijn te zitten, plotseling neerzink en begin te bidden. Men heeft mij daarom vroom en godvruchtig genoemd. Ik zeg je, Mirza, als ik dat doe is het omdat ik mij niet meer weet te redden van mijn eigen gedachten. Mijn gebed is dan een onderdompelen in God, het is niet anders dan een soort van zelfmoord: ik spring in den Eeuwige, zooals wanhopenden in een diep water.

~Mirza~ (gedwongen afleidend). Op zulke oogenblikken moest u liever eens voor den spiegel gaan staan. Voor den glans van uw jeugd en schoonheid zouden die nachtelijke spoken schuw en verblind de vlucht nemen.

~Judith.~ O zottin, ken jìj een vrucht die zichzelf kan eten? Beter is het nìet jong en schoon te zijn, wanneer je 't voor jezelf alleen bent. Een vrouw is niets, alleen door den man kan zij iets worden; mòeder kan zij door hem worden. Het kind dat zij baart is de eenige dank dien zij der natuur voor haar bestaan kan brengen. Onzalig zijn de onvruchtbaren, en dubbel onzalig ben ik, ik, die geen maagd ben en toch ook geen vrouw.

~Mirza.~ Wie belet u dan ook voor anderen, ook voor een geliefden man jong en schoon te zijn? Hebt ge geen keuze onder de edelsten?

~Judith~ (zeer ernstig). Je hebt niets van mij begrepen. Mijn schoonheid is een wolfskers, haar genot brengt waanzin en dood!

~Ephraim~ (haastig binnentredend). Ha, ge zit daar zoo kalm, terwijl Holofernes voor de stad staat!

~Mirza.~ Dan zij God ons genadig!

~Ephraim.~ Werkelijk, Judith, als je gezien had, wat ìk gezien heb, zou je sidderen. Men zou er op zweren dat al wat vrees en schrik inboezemt, in dienst van dien heiden staat. Wat een menigte van kameelen en paarden, wagens en stormrammen! Een geluk dat muren en poorten geen oogen hebben! Ze zouden instorten van angst wanneer ze al die gruwelen konden zien!

~Judith.~ Ik geloof dat je meer gezien hebt dan anderen.

~Ephraim.~ Ik zeg je, Judith: er is niemand in heel Bethulië die er nu niet uitziet alsof hij koorts had. Je schijnt weinig van Holofernes te weten, maar ik weet des te meer van hem. Ieder woord uit zijn mond is een verscheurend beest. Als het 's avonds donker wordt...

~Judith.~ Laat hij licht opsteken.

~Ephraim.~ Dat doen wìj, ik en jij. Maar hìj laat dorpen en steden in brand steken en zegt: dit zijn mijn fakkels, ik heb ze goedkooper dan anderen. En hij denkt nog heel goedertieren te zijn wanneer hij maar bij den gloed van ééne en dezelfde stad zijn zwaard poetsen en zijn vleesch braden laat. Toen hij Bethulië zag, moet hij gelachen en zijn kok spottend gevraagd hebben: Denk je dat je daarbij een struisvogel-ei kunt bakken?

~Judith.~ Ik zou hem willen zien! (voor zich) Wat heb ik daar gezegd?

~Ephraim.~ Wee, zoo jij door hèm gezien werd! Holofernes doodt vrouwen door kussen en omhelzingen, zoogoed als mannen met speer en zwaard. Had hij jou binnen de muren der stad geweten, hij zou alleen al om jouwentwil gekomen zijn!

~Judith~ (glimlachend). Was het maar waar! Dan hoefde ik immers maar naar hem toe te gaan en stad en land waren gered!

~Ephraim.~ Jij alleen hebt het recht deze gedachte dòòr te denken.

~Judith.~ En waarom niet? Ééne voor allen; en nog wel eene die zich altijd tevergeefs afvroeg: waarvoor besta je! Ah!... en al is hij niet om mijnentwil gekomen, zou hij er niet toe te brengen zijn dat hij geloofde om mijnentwil gekomen te zijn? Reikt de reus zoo hoog met zijn hoofd in de wolken dat ge hem niet bereiken kunt, welnu, zoo werpt hem toch een edelsteen voor de voeten; hij zal zich bukken om hem op te rapen en dan overweldigt ge hem gemakkelijk.

~Ephraim~ (voor zich). Mijn opzet was onnoozel. Wat haar angst aanjagen en in mijn armen drijven moest, maakt haar koen. Ik voel mij als gevonnist wanneer ik haar in de oogen zie. Ik hoopte dat zij in dezen algemeenen nood naar een beschermer zou uitzien, en wie was haar dan nader dan ik? (luid) Judith, je bent zòò moedig, dat je ophoudt mooi te zijn.

~Judith.~ Als je een man bent, moog je mij dit zeggen.

~Ephraim.~ Ik bèn een man en ik mag je nog mèèr zeggen. Kijk, Judith, er komen zware tijden, waarin niemand veilig is dan zij die wonen in hun graf. Hoe zal jij daar doorheen komen? Jij, die vader, broeder noch man hebt?

~Judith.~ Je wilt toch niet soms Holofernes tot je pleitbezorger maken?

~Ephraim.~ Spot maar. Maar luister! Ik weet dat je mij versmaad, en als de wereld om ons heen niet zulk een dreigend aanzien had genomen, zou ik je niet meer onder de oogen zijn gekomen. Zie je dit mes?

~Judith.~ Het is zoo blank dat ik mijn eigen beeld er in zien kan.

~Ephraim.~ Ik sleep het den dag waarop je mij hoonlachend wegstiet en waarachtig, stonden de Assyriërs nu niet voor de poort, dan stak het al in mijn borst. Dan had je het niet voor spiegel kunnen gebruiken, want mijn bloed zou het hebben doen roesten.

~Judith.~ Geef hier! (Zij steekt er mee naar zijn hand, die hij terugtrekt) Bah! Jij waagt het over zelfmoord te spreken, terwijl je siddert voor een prik in je hand!

~Ephraim.~ Jij staat voor mij, ik zie jou, ik hoor jou, en ik heb nu mijzelf lief, omdat ik mijzelf niet meer voel, zoo vol ben ik van jou! Zoo iets lukt slechts in donkeren nacht, als er niets meer wakker is in je hart dan de smart; als de dood je ziel dichtknijpt zooals slaap de oogen en als je willoos gelooft uit te voeren wat een onzichtbare macht gebiedt. O, ik ken dat, want ik was al zòò ver dat ik niet weet waarom ik niet nog verder ging. Dat heeft met moed of lafheid niets te maken; het is als het grendelen van een deur wanneer je slapen wilt.

~Judith~ (reikt hem de hand).

~Ephraim.~ Judith, ik heb je lief en jij hebt mij niet lief. Jij kunt het ééne niet helpen en ik kan het andere niet helpen. Maar weet je wat het beteekent: lief hebben en te worden versmaad? Dat is geen leed als ander leed. Als men mij vandaag iets afneemt, dan leer ik morgen dat ik het missen kan. Slaat men mij een wond, dan heb ik gelegenheid mij te oefenen in de heelkunde. Maar behandelt men mijn liefde als een dwaasheid, dan maakt men het heiligste in mijn borst tot een logen. Want wanneer het gevoel dat me tot jòu heen trekt, mij bedriegt, welken waarborg heb ik dan dat datgene, wat mij voor God terneer werpt waarheid is?

~Mirza.~ Voelt ge 't niet, Judith?

~Judith.~ Kan liefde plicht zijn? Moet ik dien man mijn hand geven, opdat hij zijn dolk late vallen? Ik ga 't haast gelooven.

~Ephraim.~ Judith, nog éénmaal vraag ik je. Dat wil zeggen: Ik vraag verlof om voor je te sterven. Ik wil niets anders dan het schild zijn waarop de zwaarden die je bedreigen zich bot hakken.

~Judith.~ Is dit dezelfde man dien een blik op het kamp der vijanden scheen te hebben ontzield? Die mij vòòrkwam als iemand, wien ik een van mijn rokken moest leenen? Zijn oogen vlammen, zijn vuisten ballen zich. God, God! ik bewonder zoo graag; het is me als kerfde ik in mijn eigen vleesch wanneer ik iemand verachten moet.--Ephraim, ik heb je pijn gedaan; dat spijt me. Ik wilde in jouw oogen niet langer beminnenswaardig zijn, want ik kan je niets geven; daarom heb ik je bespot. Ik wil je beloonen, ik kan het. Maar wee, wanneer je mij nu niet verstaat; wanneer niet, zoodra ik het woord gesproken heb, de Daad, gebiedend als de Noodwendigheid zelf, voor je ziel staat; wanneer 't je niet is alsof je alleen maar leefde om hààr te volvoeren!--Ga heen... doodt Holofernes!--Daarna, daarnà eisch van mij het loon dat je verlangt.

~Ephraim.~ Je raast! Holofernes dooden? temidden van zijn leger? Hoe zou dat kunnen?

~Judith.~ Hoe dat zou kunnen? Weet ìk dat? Dan deed ik 't zelf. Ik weet alleen dat het mòet!

~Ephraim.~ Ik zag hem nooit, maar nù zie ik hem.

~Judith.~ Ik ook; met dat gelaat dat een en al oog is, één gebiedend oog; met dien voet, waarvoor de aarde, wanneer hij voortschrijdt, schijnt terug te huiveren. Maar er was een tijd dat hij niet bestond, daarom kan er ook een tijd komen dat hij niet meer bestaat.

~Ephraim.~ Geef hem den bliksem en ontneem hem zijn leger, dan zal ik het wagen. Maar nu...

~Judith.~ Wìl! En uit de diepten van den afgrond omhoog en van de tinnen des hemels omneer zal je de heilige, beschermende machten aantrekken om je werk, zooniet jezelf, te zegenen en te beschutten. Want je wilt wat àllen willen, waarover de Godheid broedt in haar eersten toorn en waarop de natuur, die siddert voor de monsterlijke geboorte van haar eigen schoot en die den tweeden man niet scheppen zal, tenzij slechts om den eerste te verdelgen, tandeknarsend zint in gefolterden droom.

~Ephraim.~ Alleen omdat je mij haat, omdat je mij wilt dooden, eisch je het ondenkbare.

~Judith~ (gloeiend). Ik heb je goed beoordeeld! Wat? Zùlk een gedachte brengt je niet in geestdrift? Bedwelmt je niet eens? Ik, die jij lief hebt; ik, die je boven jezelf uit verhoogen wilde, om je wederliefde te kunnen geven, ik leg die gedachte in je ziel en ze is voor jou niets dan een last die je nog maar dieper in 't stof drukt? Kijk, als je haar jubelend ontvangen had, als je onstuimig naar je zwaard gegrepen en je nauwelijks tijd gegund had voor een vluchtig vaarwel; dan, o, dat voel ik, dan had ik mij weenend je in den weg geworpen; ik zou je het gevaar geschilderd hebben met al den angst van een hart dat siddert voor het méést geliefde; ik zou je weerhouden hebben of ik zou je gevolgd zijn.--Maar nu? Ah! ik ben meer dan gerechtvaardigd; je liefde is de straf voor je armzaligen aard; zij werd je vloek om je te verteren. Ik zou mijzelf verachten, als ik mij betrapte op ook maar een sprankel medelijden. Ik doorzie je heel en al, ik begrijp zelfs dat het hoogste voor jou lijken moet als het meest gewone, dat je moet glimlachen als ik bid.

~Ephraim.~ Veracht mij! Maar toon mij eerst den man die het onmogelijke mogelijk maakt.

~Judith.~ Ik zal hem je toonen. Hij zal komen! Hij mòet immers komen? En als jòuw lafheid de lafheid is van heel je geslacht; als àlle mannen in gevaar niets anders zien dan een waarschuwing het te vermijden, dàn heeft een vròuw het recht gekregen op een groote daad, dàn... ah! ik heb haar geëischt van jou... ik moet bewijzen dat zij mogelijk is!

DERDE BEDRIJF.

(Vertrek van Judith).

~Judith~ (zit, in verwaarloosde kleeding, met asch bestrooid, ineengedoken terneer).

~Mirza~ (treedt binnen en blijft naar haar kijken). Zoo zit zij nu al drie dagen en drie nachten. Zij eet niet, drinkt niet, spreekt niet. Ze zucht of klaagt niet eens. »'t Huis staat in brand!« schreeuwde ik haar gisterenavond toe en deed alsof ik geheel van streek was. Zij vertrok geen spier en bleef zitten. Ik geloof dat zij het liefst zou hebben dat men haar in een kist pakte, den deksel dichtspijkerde en wegdroeg. Zij hoort alles wat ik hier spreek, maar zegt er toch niets op. Judith, moet ik den doodgraver bestellen?

~Judith~ (wenkt haar met de hand om heen te gaan).

~Mirza.~ Ik ga al, maar alleen om dadelijk weer terug te komen. Om u vergeet ik den vijand en alle ellende. Als er een den boog op mij aanlegde, ik zou het niet merken zoolang ik u hier zoo levend-dood zag zitten. Eerst was u zoo moedig dat de mannen zich voor u schaamden en nu... Ephraim had gelijk. Hij zeide: zij daagt zichzelf uit om haar vrees te vergeten. (Af).

~Judith~ (op de knieën vallend). God, God! Het is mij of ik u bij een slip moest vastgrijpen, als iemand die dreigt mij voor eeuwig te zullen verlaten. Ik wilde niet bidden, maar ik mòet bidden, zooals ik adem moet halen wil ik niet stikken. God, God! waarom buigt ge u niet tot mij terneer? Ik ben immers te zwak om tot u op te klimmen? Zie, hier lig ik, als buiten de wereld en buiten den tijd; ik wacht met angst op een wenk van u die mij heet op te staan en te handelen. Jubelend zag ik het dat het gevaar ons naderde, want voor mij was het niets dan een teeken, dat ge u zelf verheerlijken wildet voor uw uitverkorenen. In sidderende verrukking merkte ik dat wat mìj ophief de anderen terneer wierp, want het leek mij of uw vinger genaderijk op mij wees, of uw triomf van mìj moest uitgaan. Met vervoering zag ik dat hij, wien ik het groote werk wilde afstaan om in deemoed het hoogste offer te brengen, laf en sidderend als een wurm in het slijk van zijn armzaligheid schuilkroop. »Jij bent 't, jij bent 't!« riep ik mijzelf toe, en ik wierp mij voor u neer en zwoer met een duren eed nooit meer op te staan tenzij eerst dan wanneer ge mij den weg tot het hart van Holofernes gewezen had. Ik luisterde naar mijn eigen binnenste, omdat ik dacht dat een vernietigende bliksem uit mijn ziel zou te voorschijn schieten; ik luisterde naar de wereld buiten, omdat ik dacht: een held heeft je overbodig gemaakt. Maar in mij en buiten mij blijft het donker. Slechts één gedachte kwam in mij op, slechts ééne; ik speelde er mee en zij keert aldoor terug. Maar zij kwam niet van u. Of kwam zij wél van u? (zij springt op) Zij kwàm van u! De weg tot mijn daad leidt door de zonde! Dank, dank, mijn Heer! Gìj maakt mijn oogen ziende. Voor u wordt het onreine rein; zoo gij tusschen mij en mijn daad een zonde plaatst, wie ben ik dat ik daarover met u zou mogen twisten, dat ik zou trachten mij er aan te onttrekken? Is mijn daad niet zooveel waard als zij mij kost? Mag ik mijn eer, mijn onbevlekt lichaam, méér liefhebben dan u? O, 't is of er een knoop in mij wordt losgemaakt. Gij hebt mij schoonheid gegeven, nù weet ik waartoe! Gij hebt mij een kind ontzegd, nú voel ik waarom en verheug ik mij dat ik mijn eigen wezen niet dubbel behoef lief te hebben. Wat ik vroeger voor een vloek hield, zie ik nu als een zegen! (zij treedt voor den spiegel) Wees mij gegroet, mijn beeld! Schaamt u, gij wangen, dat ge nog niet gloeit; is de afstand tusschen u en mijn hart dan zoo groot? Oogen, ù prijs ik, ge hebt vuur gedronken en zijt bedwelmd! Arme mond, u verwijt ik het niet dat ge bleek zijt; kussen moet ge de Ontzetting (zij gaat van den spiegel heen). Holofernes! dit alles behoort ù, ik heb er geen deel meer aan; ik heb mij diep in mijn binnenste terug getrokken. Neem het, maar sidder als ge het hebt. Ik zal, op een oogenblik dat ge 't niet kunt denken, uit mij zelf schieten als een zwaard uit zijn scheede en met uw leven mij doen betalen! Moet ik u kussen, ik zal mij verbeelden dat het geschiedt met vergiftigde lippen: als ik u omhels zal ik denken dat ik u wurg. God! laat hem gruweldaden begaan voor mijn oogen, bloedige gruweldaden. Maar spaar mij, dat ik niets goeds van hem zie!

~Mirza~ (binnen komend). Riept ge mij, Judith?

~Judith.~ Neen... ja toch. Mirza... je moet mij tooien.

~Mirza.~ Wilt ge niet eten?

~Judith.~ Neen, ik wil dat je mij aankleedt.

~Mirza.~ Eet, Judith. Ik kan het niet langer uithouden.

~Judith.~ Jij?

~Mirza.~ Ja. Toen u zoo niets meer eten of drinken wilde, zwoer ik: dan wil ik het ook niet. Ik deed het om u te dwingen; als ge geen medelijden had met uzelf, zoudt ge het wel met mij krijgen. Ik heb 't u gezegd, maar ge hebt het zeker niet gehoord. Het zijn nu drie dagen.

~Judith.~ Ik wilde dat ik zooveel liefde waard was.

~Mirza.~ Laat ons eten en drinken. Het zal wel gauw de laatste keer zijn, tenminste het drinken. De leidingen naar de bron zijn opgebroken, ook de kleine bronnen bij den muur zijn niet meer te bereiken, ze worden door soldaten bewaakt. Toch zijn er al een paar naar buiten gegaan, die zich liever lieten dooden dan nog langer dorst te lijden. Men zegt dat één, reeds doorstoken, stervend naar de bron kroop om zich nog ééns te laven, maar vòòr hij het water, dat hij al in de hand had, aan de lippen kon brengen, gaf hij den geest. Niemand was op deze wreedheid van den vijand bedacht geweest; daardoor was het gebrek aan water in de stad dadelijk ook zoo algemeen. Wie ook maar een beetje heeft, houdt het verborgen als een schat.

~Judith.~ O, gruwelijk, inplaats van het leven dat men niet nemen kan, de voorwaarde des levens te nemen! Slaat dood, moordt en brandt, maar ontrooft den menschen niet, midden in den overvloed der natuur, het meest noodige. O, ik heb al te lang gedraald.

~Mirza.~ Ephraim heeft mij water voor u gebracht. Daaraan kunt ge zien hoe hij u liefheeft. Zijn eigen broeder heeft hij het geweigerd.

~Judith.~ Bah! Die behoort tot diegenen, die zelfs dan zondigen als zij iets goeds willen doen.

~Mirza.~ Mij beviel dit ook niet; maar u bent toch te hard tegen hem.

~Judith.~ Neen zeg ik je, neen! Iedere vrouw heeft het recht van iederen man te eischen dat hij een held is. Is het je niet, wanneer je er een ziet, als zag je wat je zelf zijn wìlde, zijn mòest? Een man kan een ander zijn lafheid vergeven, een vrouw nooit. Vergeef je 't een kruk als zij breekt? Je vergeeft het je zelf nauwelijks dat je er een noodig hebt.

~Mirza.~ Maar mocht ge wel verwachten dat Ephraim uw bevel zou gehoorzamen?

~Judith.~ Van iemand die de hand al had opgeheven tegen zichzelf, die daardoor zijn leven vogelvrij gemaakt had, mocht ik het verwachten. Ik sloeg hem als een kiezelsteen, waarvan ik niet wist of ik hem houden zou of wegwerpen. Had hij een vonk gegeven... die vonk ware in mijn hart gesprongen. Maar nu schop ik den armzaligen steen met mijn voet.

~Mirza.~ Maar hòe had hij 't dan toch moeten doen?

~Judith.~ Een schutter die vraagt hoe hij moet schieten, zal niet raken. Doel... oog... hand... zoo moet het! (met een blik ten hemel) O, ik zag het boven de wereld zweven als een duif die een nest zoekt om te broeden, en de eerste ziel die uit haar verstijving gloeiend openging, moest de verlossingsgedachte ontvangen. Maar kom, Mirza, ga eten en tooi mij daarna.

~Mirza.~ Ik wacht zoolang als gij wacht!

~Judith.~ Je ziet me zoo droevig aan. Welnu, ik ga met je mede! Maar daarna toon je eens al je vaardigheid en zul je mij tooien als voor een bruiloft. Neen, glimlach niet: Schoonheid is nu mijn plicht. (Af).

#(Een openbaar plein in Bethulië. Veel volk. Een groep jonge burgers, gewapend).#

~Een burger~ (tot een ander). Wat zeg je, Ammon?

~Ammon.~ Ik vraag je, Hosea, wat beter is, de dood door het zwaard, die zoo gauw komt dat hij je in het geheel geen tijd laat hem te vreezen en te voelen, of dit langzaam verdorren dat ons te wachten staat?

~Hosea.~ Ik zou je wel antwoorden, als mijn keel maar niet zoo droog was. Door spreken krijg je nog erger dorst.

~Ammon.~ Je hebt gelijk.

~Ben~ (een derde burger). Je komt er nog toe jezelf te benijden om die paar druppels bloed die nog door je aderen kruipen. Ik zou mijzelf als een vat kunnen aftappen. (hij steekt den vinger in den mond).

~Hosea.~ Het is tenminste goed, dat je door den dorst den honger vergeet.

~Ammon.~ Nu, te eten hebben we nog wel.

~Hosea.~ Hoe lang zal 't duren? Vooral als we kerels als jij onder ons dulden, die meer proviand in hun maag dan op hun schouders kunnen dragen.

~Ammon.~ Ik teer van mijn eigen goed. Dat gaat niemand wat aan.

~Hosea.~ In oorlogstijd is alles gemeen. Jij en jouwsgelijken moesten op de posten waar de meeste pijlen vallen. Eigenlijk moesten de schransen altijd naar 't front; overwinnen ze, dan heeft men 't niet hen maar de ossen en gemeste kalven te danken, wier merg in hen woedt; komen zij om, dan is 't ook een voordeel.

~Ammon~ (geeft hem een oorvijg).

~Hosea.~ Denk maar niet dat ik teruggeef wat ik ontvang. Maar onthoud dit: als je in gevaar komt, verwacht dan van mij niet, dat ik je zal bijspringen. Ik laat het aan Holofernes over mij te wreken.

~Ammon.~ Ondankbare! Iemand slaan beteekent een pantser voor hem smeden uit eigen huid. De oorvijg van heden maakt je ongevoelig voor die, welke je morgen krijgt.

~Ben.~ Jelui bent dwazen. Staat daar te twisten en vergeet dat je dadelijk naar de wallen moet.

~Ammon.~ Neen, wij zijn juist verstandige kerels: zoolang we met elkaar twisten, denken we niet aan onze ellende.

~Ben.~ Komt, komt, we moeten hier vandaan.

~Ammon.~ Ik weet niet of 't niet maar beter was dat we de poorten voor Holofernes openden. Hem, die dat deed, zou hij zeker niet dooden.

~Ben.~ Dan zou ìk hem dooden. (Alle drie af).

(Twee andere burgers).

~Een burger.~ Heb je weer een nieuw gruwelstuk van Holofernes gehoord?

~Ander burger.~ Ja.

~Een burger.~ Waar haal je 't toch vandaan? Maar vertel.

~Ander burger.~ Hij stond met een van zijn hoplieden geheime zaken te bespreken. Opeens ziet hij in zijn nabijheid een soldaat. »Heb je gehoord,« vraagt hij dien, »wat ik gezegd heb?« »Neen« antwoordt de vent. »Dat is je geluk,« zegt de tyran, »anders liet ik je je kop afslaan, omdat er ooren aanzitten«.

~Een burger.~ Zou je niet meenen dood te zullen neervallen als je zoo iets hoort? Dat is het verschrikkelijkste van angst, dat hij je maar half doodt, niet heelemaal.

~Ander burger.~ Gods lankmoedigheid is mij onbegrijpelijk. Als hij zulk een heiden niet haat, wien zal hij dan wèl haten? (zij gaan voorbij).

(Samuel, een stokoude grijsaard, door zijn kleinzoon geleid, komt op).

~Kleinzoon.~ Zingt den Heer een nieuw lied, want zijn goedheid duurt eeuwiglijk.

~Samuel.~ Eeuwiglijk! (hij gaat op een steen zitten) Samuel dorst, mijn kleinzoon; waarom ga je niet een frisschen dronk voor hem halen?

~Kleinzoon.~ Grootvader, de vijand staat voor de stad! Alweer had hij het vergeten!

~Samuel.~ De psalm! luider! Waarom blijf je steken?

~Kleinzoon.~ Getuig van den Heer, o jongeling, want ge weet niet of ge een grijsaard wordt. Prijs hem, o grijsaard, want ge werd niet oud om te verzwijgen wat de barmhartigheid aan u heeft gedaan.

~Samuel~ (boos). Geeft de bron niet zooveel water meer als Samuel noodig heeft, wanneer hij voor het laatst wil drinken? Kan mijn kleinzoon niet scheppen al is de middag heet?

~Kleinzoon~ (zeer luid). Zwaarden bewaken de bron, speren blinken, de heidenen hebben groote macht over Israël!

~Samuel~ (opstaand). Niet over Israël! Wien zocht de Heer, toen hij golven en winden macht gaf over het scheepken, dat het op en neder danste? Niet den man die aan het roer zat, noch een ander. Doch den weerspannigen Jonas alleen, die rustig sliep. Uit het veilige schip joeg hij hem in de stormende golven, uit de golven in Leviathan's muil, uit den muil van het ondier door de klippen zijner tanden in zijn donkeren buik. Maar, toen Jonas boete deed, was de Heer toen niet sterk genoeg hem weer uit den buik des Leviathan's te verlossen? Staat op, gij verborgen boosdoeners, die slaapt in uzelve, gelijk Jonas sliep! Wacht niet tot de teerling over u wordt geworpen; komt te voorschijn en spreekt: Wij zijn het, opdat niet de onschuldige verdelgt worde met den schuldige. (hij grijpt zich in den baard) Samuel versloeg Aäron! Scherp was de spijker, week waren de hersenen, diep was Aäron's sluimer in den schoot zijner vrouw. Samuel nam Aäron's vrouw en teelde Ham met haar; maar zij stierf van ontzetting toen zij het kind zag, want op het hoofd droeg het kind het teeken van den spijker, als het hoofd van den doode. En Samuel ging in tot zichzelf en keerde zijn aangezicht tegen zichzelf.

~Kleinzoon.~ Grootvader, grootvader! Uzelf bent Samuel en ik ben de zoon van Ham.

~Samuel.~ Samuel schoor zich het hoofd en plaatste zich voor zijn deur, wachtend op wraak, zooals men wacht op het geluk. Zeventig jaren en langer, tot hij zijn dagen niet meer vermocht te tellen. Maar de pest ging voorbij zonder dat haar adem hem trof; en de ellende ging voorbij, zonder hem aan te raken. De wraak kwam niet vanzelf en hij had den moed niet haar te roepen.

~Kleinzoon.~ Kom, kom! (hij leidt hem terzijde).

~Samuel.~ Zoon van Aäron! waar zijt ge, of zoon van zijn zoon, of zijn broeder? Waarom voelt Samuel niet den stoot uwer handen noch den schop uwer voeten? Oog om oog, sprak de Heer, tand om tand, bloed om bloed!

~Kleinzoon.~ Aäron's zoon is dood en de zoon van zijn zoon, en zijn broeder, het gansche geslacht.

~Samuel.~ Bleef dan geen wreker over? Zijn dit de laatste tijden, dat de Heer de zonde hoogopgeschoten staan laat en de zeisen breekt? Wee, wee! (de kleinzoon leidt hem weg).

(Twee burgers).

~Eerste burger.~ Wat ik je zeg, er is niet òveral gebrek aan water. Er zijn er onder ons die zich niet alleen volzuipen, maar zich zelfs dagelijks een paar keer wasschen.

~Tweede burger.~ O, ik wil 't best gelooven. Ik zal je eens iets vertellen. Mijn buurman Assaph had een geit die vroolijk en wel in zijn tuintje graasde. Ik kijk juist op dat tuintje uit en iederen keer dat ik 't beest met zijn volle uiers zag, werd het mij te moede als een zwangere vrouw. Gisteren zocht ik Assaph eens op en vroeg hem een beetje melk. Toen hij 't mij weigerde, greep ik mijn boog, doodde met een snel schot de geit en zond hem daarna wat ze waard was. Ik deed er goed aan, want de geit verleidde hem tot hardvochtigheid jegens zijn naaste.

~Eerste burger.~ Zoo'n streek was van jou te verwachten. Heb je niet als klein kind al eens een maagd tot moeder gemaakt?

~Tweede burger.~ Wat?

~Eerste burger.~ Zeker. Ben je soms niet de eerstgeborene? (gaan voorbij).

(Een der ouderlingen op).

~Ouderling.~ Hoort, hoort! mannen van Bethulië (het volk verzamelt zich om hem heen). Hoort wat de vrome Hoogepriester Jojakim u door mijn mond weten doet!

~Assad~ (een burger, zijn stommen en blinden broeder bij de hand leidend). Let op, de Hoogepriester verlangt dat wij leeuwen zijn zullen. Dan kan hìj des te beter een haas blijven.

~Een ander burger.~ Laster niet!

~Assad.~ Ik laat geen andere troostredenen gelden dan die ik uit de bron kan scheppen.

~Ouderling.~ Denkt aan Mozes, den dienaar des Heeren, die niet met het zwaard, doch door het gebed Amalek versloeg. Ge moogt niet sidderen voor schild en speer, want één woord des Heeren maakt ze te schande.

~Assad.~ Waar is Mozes? Waar zijn die heiligen?

~Ouderling.~ Moed zult ge scheppen en indachtig zijn dat het Heiligdom des Heeren in gevaar ìs.

~Assad.~ Ik dacht dat de Heer òns beschermen zou. Nu komt het er op neer dat wij Hèm beschermen moeten.

~Ouderling.~ En bovenal moogt ge niet vergeten dat de Heer, zoo hij u laat omkomen, u uwen dood en uw martelingen in uw kinderen en kindskinderen tot in het tiende geslacht kan vergoeden.

~Assad.~ Wie zegt mij hoe mijn kinderen en kindskinderen zullen uitvallen? Kunnen het niet rakkers zijn waarover ik me te schamen heb, die tot mijn schande rondloopen? (tot den ouderling) Man, je lippen beven, je oogen dwalen onzeker, je tanden zouden de klinkende woorden, waarachter je je angst verbergt wel willen verscheuren. Hoe kun je van ons den moed verlangen dien je zelf niet bezit? Ik zal nu eens uit naam van al dezen tot je spreken. Geef bevel om de poorten der stad te openen. Onderworpenheid ontmoet barmhartigheid. Ik zeg het niet voor mijzelf; ik zeg het terwille van dien armen stomme; terwille van de vrouwen en kinderen. (omstanders geven teekenen van instemming) Geef het bevel, dadelijk, of we doen het zonder uw bevel.

~Daniël~ (zich losrukkend). Steenigt hem! Steenigt hem!

~Volk.~ Was die man niet stom?

~Assad~ (vol ontzetting zijn broeder aanziend). Stom en blind! Hij is mijn broeder. Dertig jaar is hij en nooit heeft hij een woord gesproken.

~Daniël.~ Ja, dat is mijn broeder. Hij heeft mij gelaafd met spijs en drank; hij heeft mij gekleed en liet mij bij zich wonen. Hij heeft voor mij gezorgd bij dag en bij nacht. Geef mij uw hand, mijn trouwe broeder. (zoodra hij zijn hand genomen heeft slingert hij haar weer als door ontzetting aangegrepen van zich weg) Steenigt hem! Steenigt hem!

~Assad.~ Wee, wee! de geest des Heeren spreekt uit den mond van den stomme! Steenigt mij, steenigt mij! (Het volk achtervolgt hem, hem steenigend).

~Samaja~ (hen verschrikt naloopend). Wat wilt ge doen! (Af).

~Daniël~ (in vervoering). Ik kom, ik kom, spreekt de Heer. Maar ge moogt niet vragen vanwaar. Meent ge dat het tijd is? Ik alleen weet wanneer het tijd is.

~Volk.~ Een profeet, een profeet!

~Daniël.~ Ik liet u groeien en gedijen als het koren in zomertijd. Meent ge dat ik den heidenen mijn oogst zal overlaten? Waarlijk, ik zeg u, dat zal nooit geschieden! (Judith en Mirza verschijnen onder de burgers).

~Volk~ (zich ter aarde werpend). Heil ons!

~Daniël.~ En al is uw vijand nog zoo groot, ik heb slechts weinig noodig om hem te vernietigen. Heiligt u, heiligt u; want ik wil wonen bij u en zal u niet verlaten, zoo ge mìj niet verlaat. (na een pauze) Broeder, je hand!

~Samaja~ (terugkeerend). Je broeder is dood! Jìj hebt hem vermoord! Dàt was je dank voor al zijn liefde. O, hoe graag had ik hem gered; wij waren vrienden van jeugd af! Maar wat kon ik doen tegen zoo velen die jouw dwaasheid krankzinnig gemaakt had. »Zorg voor Daniël!« riep hij mij nog toe, toen zijn brekende oogen mij herkenden. »Als een gloeiende plicht leg ik dit woord in je ziel.«

~Daniël~ (wil spreken, maar kan het niet; hij kreunt).

~Samaja~ (tot het volk). Schaamt u, dat ge op de knieën ligt, en schaamt u nog dieper, dat ge een edelen man, die het wel meent met u allen, hebt vermoord. Ha! ge hebt hem zòò verwoed vervolgd, als woudt ge in hem uw eigen zonden dood steenigen! Alles wat hij hier tegen den ouderling, niet uit lafheid, maar uit medelijden met uw ellende, heeft gezegd, was al heden morgen tusschen ons afgesproken; de stomme zat er in elkaar gedoken en onverschillig, als altijd, bij; met geen spier verried hij zijn afschuw. (tot den ouderling) Al wat mijn vriend eischte, eisch ik nog; onmiddellijk openen der poorten, onderwerping op genade of ongenade. (tot Daniël) Laat nu zien dat de Heer uit je sprak. Vervloek mij, zooals je je broeder vervloekte!

~Daniël~ (in hoogsten angst, wil spreken, maar kan niet).

~Samaja.~ Ziet ge nu den profeet? Een demon der hel, die u verzoeken wilde, ontzegelde zijn mond, maar God sloot hem weer en sloot hem voor eeuwig. Of kunt ge gelooven dat de Heer de stommen doet spreken om ze tot broedermoordenaars te maken.

~Daniël~ (slaat zichzelf).

~Judith~ (tusschen het volk tredend). Laat u niet in verzoeking brengen. Heeft het u niet aangegrepen als Gods nabijheid en in heiligen ootmoed ter aarde geworpen? En zult ge het dan nu dulden dat men uw diepste gevoel liegen heet?