Opening the book…

ONS VADERLAND

van de vroegste tijden tot de 15de eeuw door

M. LIEVEVROUW-COOPMAN
HOOFDONDERWIJZERES

Teekeningen van E. ROELANT, kunstschilder.

1904

1.--De Hut in het Woud.

Er waren eens twee kinderen, een jongen en een meisje. Zij bewoonden eene kleine hut, uit leem en riet vervaardigd. Die hut had schoorsteenpijp, noch vensters, dus konden licht en lucht er enkel langs de deur binnendringen, terwijl de rook van het haardvuur de woning verliet door eene nauwe opening, midden in het dak.

Wel was de hut armoedig, maar het groote woud, dat haar omringde, was wonderschoon. Heerlijk mos bedekte den grond, hooge varens wiegelden er hare bleekgroene pluimen, terwijl forsche eiken, ver boven de hut, hunne takken broederlijk dooreen strengelden.

's Zomers zongen honderden vogeltjes in het gebladerte: vinken, meezen, winterkoninkjes, meerlen, nachtegalen vereenigden er hunne stemmen, tot één enkel koor van levenslust.

«Koekoek! koekoek!» klonk het dan schaterend in de verte en de kleine hutbewoners lachten en herhaalden het spottend geroep van den zwartgevlerkten zanger.

Dat vroolijk spelletje duurde dagen en dagen, «Koekoek! koekoek! waar zijt ge?» vroegen thans de kinderen, «Kom bij ons, we zullen u wormpjes zoeken en broodkruimels voor u strooien,» maar de vogel kwam niet en deed, luider en luider zijn eentonigen zang door de blauwe zomerlucht weergalmen.

«Willen wij hem opzoeken?» sprak de knaap tot zijn zusje.--«Ik durf niet, Atto, moeder zegt gedurig, dat wij ons van hier niet mogen verwijderen.»--«Zij zal het niet weten» lachtte Atto, «zij is vader tegemoet, die heden van de jacht terugkomt.»

En Juna liet zich overreden.

Hand aan hand, blootsvoets, half naakt, stapten de kleinen over het zachte mos, en zochten den koekoek, wiens spottend gezang, door het woud weergalmde. Maar, hoe zij ook zochten en zochten, zij vonden den spottenden zanger niet.

Vermoeid en treurig rustten zij een poosje en besloten toen huiswaarts te keeren. De bloote voetjes der kleine Juna waren vurig rood en Atto had zich, vlak onder de knie aan een scherpen doorn bezeerd, doch om zijn zusje niet bang te maken, beet hij zich op de lippen en beweerde geen pijn te gevoelen.

Maar, waar toch was het smalle pad, waarlangs zij gekomen waren? Atto zocht het vruchteloos onder de varens en Juna vreesde, dat zij verdwaald vaaren.

Klapwiekend vloog de zwarte woudraaf uit een naburig berkenbosje en daarna werd alles stil, doodstil.

Langzaam, o! zeer langzaam verstreek de tijd. Atto zocht en zocht, klom op een boom, tuurde in de verte ... hij zag enkel boomen en niets dan boomen.

Eensklaps werd de lucht duister, de wind stak op, bliksemschichten flikkerden, de donder rommelde. Broer en zuster klappertandden van angst en koude, maar zij gingen verder, altijd verder. Eindelijk bereikten zij eene grot, waar zij zich vermoeid in nederzetten.

En thans vernamen de arme kinderen een vervaarlijk gehuil.... «De wolven! de wolven!» kreet Juna en sloot zich heel dicht bij haren broeder aan.

Atto verzamelde groote steenen en aardklompen, waarmede hij den ingang der grot versperde, want de avond viel en hij voorzag, dat zij den nacht in de eenzame schuilplaats zouden moeten doorbrengen. Toen nam hij zijn schreiend zusje op den schoot en het arme meisje, uitgeput van angst en vermoeidheid, viel weldra op zijne knieën in slaap.

Atto echter waakte, hij hoorde het gehuil der wolven, en andere wilde dieren, dat akelig door het woud weerklonk....

's Anderendaags, vroeg in den morgen, ontwaaktte Juna. Atto nam haar bij de hand en beide kinderen hervatten hun gevaarvollen tocht.

* * * * *

Na een half uur gaans vernamen zij het gemurmel van een beekje dat, tusschen lisch en weegbree, zijne heldere golfjes voortstuwde. «Wij zijn gered!» murmelde Atto, «laten wij langs den boord van het water voortgaan, want het leidt naar de woningen der menschen.»

Hoopvol nam hij zijn zusje bij de hand en zette zijnen weg voort. De tocht was lastig; soms verdween het beekje onder hooge struiken of de kinderen bezeerden zich aan bramen en doornen. Nu en dan hurkten zij neder, bogen zich over den vliet en schepten met hunne kleine handen, water, dat zij begeerig aan den mond brachten.... Arme kleinen, zij leden zoo geweldig door honger en dorst!

Eindelijk bereikten zij eene plaats, waar het water veel breeder was, want een tweede beekje vereenigde er zijne golfjes met die van het eerste. Hier zwommen eendvogels, in menigte en Atto bemertke, dat zijn zusje en hij, den zoom van het woud hadden bereikt. Wilgjes ruischten aan den oever van den vliet en de kinderen betraden vol blijdschap eene malsche weide, waar verscheidene koeien graasden.

«Daar komt een man,» kreet eensklaps Juna met blijde verrassing.

«Gangusso! vaders vriend! dezelfde, die verleden jaar onze berenhuid kocht!» lachte Atto en de man, van zijnen kant, scheen de kinderen te herkennen, want hij liet een rooden doek boven zijn hoofd zwaaien en spoedde zich naar de kleinen.

Gangusso was een man van groote gestalte, met blauwe oogen en lange, blonde haarvlechten. Hij droeg lederen schoenen en korte, nauwsluitende kleederen.

Hij nam de verdwaalde kinderen bij de hand, bracht ze naar zijne woning, op welker drempel zijne vrouw en een paar dienstmaagden, naar de kinderen stonden te zien.

Snikkend verhaalden de kleinen hun treurig wedervaren, maar Gangusso stelde hen gerust en beloofde, hen zoo spoedig mogelijk naar hunne ouders te brengen.

Een verkwikkend maal: brood, melk, gebraden zwijnevleesch werd den kinderen aangeboden, maar toen zij verzadigd waren, verklaarde Gangusso, dat de dag te ver gevorderd was om den terugtocht aan te nemen.

De dienstmaagden brachten versch stroo, spreidden het op den grond en bedekten het met zachte huiden. Dit was het bed, waarop de kleinen den nacht doorbrachten.

's Anderendaags verlieten zij, onder het geleidde van Gangusso, de herbergzame woning, waar hun zulk vriendelijk onthaal te beurt viel.

De bewoners der naburige hutten, die reeds van hunne komst verwittigd waren, groetten hen lachend en wenschten hun hartelijk «goede reis!»

Omtrent den middag bereikten de kinderen een breed water, dat niet diep was, want de reizigers doorwaadden het zonder moeite.

Nu stapten zij verder over heiden en dwars door wouden en bereikten omstreeks den avond, de ouderlijke hut.

Hoe gelukkig waren de ouders van Juna en Atto, toen zij hunne kinderen wederzagen! Hoe hartelijk schonken zij hun vergiffenis en hoe vurig dankten zij hunnen vriend, den braven, dienstvaardigen Gangusso.

2.--Oud België.

Gallische landbouwer.

Welke eigenaardige hut bewoonden Atto en Juna! 'k Wed, dat men, in onze dagen, in geen enkel land der wereld, eene dergelijke meer zou aantreffen! Zulks moet mijne lezers niet verwonderen, want de twee kinderen leefden niet in onzen tijd, maar vóór honderden en honderden, ja, schrikt niet ... vóór 2000 jaar.

De hut, die zij bewoonden, stond midden in het woud en dat woud was zoo dicht en uitgestrekt, dat men er heel licht in verdwaalde. Bezit ons vaderland heden nog wouden? Voorzeker, maar ze zijn kleiner, minder talrijk, dan vroeger. De menschen hebben ze gedeeltelijk uitgeroeid en in akkers herschapen.

De vader der kleine, onvoorzichtige kinderen was een jager. In de wouden van ons land huisden vroeger beren, talrijke wolven, everzwijnen.

Gevaar schrikte den man weinig af, ofschoon hij zulke goede wapens niet bezat als de jagers van onzen tijd. Schietgeweren, pistolen, waren onbekend; de tijdgenooten van Gangusso bezigden pijlen, bogen, slingers, knotsen, lansen en trachtten, heel waarschijnlijk, het wild in hinderlagen te lokken.

Sommige menschen deden echter iets anders dan jagen: Gangusso fokte vee en zijne huisgenooten sliepen op stroo, hetgeen bewijst, dat de man ook graan verbouwde. Eendvogels zwommen in beken en plassen en deze vogels ... gij raadt het zelf, verschaften den menschen eieren, vleesch, dons.

Waarom had Gangusso zijne woning dichtbij de samenvloeiing van twee beken gebouwd?

Wel! omdat het water hem onmisbaar was en, omdat in dun bevolkte of weinig beschaafde streken, de oevers van het water, soms ook zijne uitgedroogde bedding, als wegen dienst doen.

Bestonden er, vóór tweeduizend jaar in ons land geene groote zand-of aardwegen? Neen, die waren er niet; vandaar dat de menschen heel weinig betrekking met elkander hadden. Koopen of verkoopen gebeurde zelden; steden of groote dorpen zoudt gij hier vruchteloos hebben gezocht.

De menschen van dien tijd hadden echter een goed hart: Gangusso nam de verdwaalde kinderen in zijn huis op en schonk hun spijs en ligging.

De menschen van voorheen waren zeer gastvrij en die eigenschap is bij ons, hunne nakomelingen, niet verdwenen.

Op het land, en vooral in de Ardennen, waar steden en dorpen ver van elkander liggen, gebeurt het niet zelden, dat reizigers, in eenzaam staande hoeven, voor den nacht worden opgenomen.

Bewoonden Gangusso, Atto en Juna misschien het Zuid-Oostelijk deel van ons land? Dat deden zij ... maar, nu mijn verhaal ten einde loopt, wil ik u vertellen van de oude bewoners van Laag-België.

3.--Langs Poel en Plas.

De najaarszon neigde ten Westen en wierp hare schuine stralen op een groep vrouwen en kinderen, die zich over zandheuvels en door duinpannen naar zee begaven. Vuurroode wolken hingen over den schuimenden waterplas en een paar visschersschuiten naderden het strand, waarop millioenen schelpjes, als zoovele parelen, lagen te blinken.

Met blijdschap begroetten de vrouwen de naderende vaartuigen die, met hunne bemanning, weldra in eene naburige kreek binnenliepen.

De schuiten waren log en stevig, voorzien van zeilen, die, uit aan elkander genaaide huiden waren vervaardigd.

Waarschijnlijk hadden de visschers eene goede vangst gehad; want, toen de vrouwen, over zandbanken en door plassen zeewater de schuiten bereikten, vulden zij hare teenen manden met een rijken buit van versche tongen, schollen, roggen.

De mannen laadden hunne netten en fuiken op den rug en weldra trok de heele troep landwaarts.

De streek had een treurig aanzien: rechts en links lagen eindelooze moerassen, waarboven heele zwermen raven en meeuwen vlogen; hier en daar bemerkte men een schraal boschje van wilge-, essche-of elzeboompjes.

De weg, waarlangs de visschers en hunne vrouwen stapten, lag hooger dan het omliggende land en was eigenlijk het bovenvlak van een dijk, door menschenhanden aangelegd.

Thans bereikte de karavaan een groepje ellendige hutten, de verblijfplaatsen der visschersfamiliën.

Eene plotselinge regenvlaag noopte vrouwen en kinderen eene schuilplaats in de woningen te zoeken. «De wind waait uit het Zuid-Westen» sprak een der mannen. «De storm is in aantocht en dezen nacht hebben wij springvloed.»

Na een paar uren waaide de wind zoo hevig, dat de kloeke mannen moeite hadden zich overeind te houden. De zee donderde, de nacht daalde over het aardrijk en de regen viel bij stroomen.

«Ik vrees, dat de dijk, dien wij verleden zomer aanlegden, tegen het water niet bestand zal wezen» sprak een der mannen.

Een ander voegde er bij: «Ik stel voor, dezen nacht de wacht te houden, om bij het minste gevaar, onze vrouwen, onze kinderen en ons vee in veiligheid te brengen.»

Dit voorstel werd aangenomen; de mannen bleven bij elkander en, hoe vervaarlijk de wind ook huilde, hoe plassend de regen ook nederviel, toch gingen ze, bij beurten, den dijk op en neder.

De storm intusschen hield aan; met grenzenlooze woede beukte de zee de duinen, baande zich eenen weg door het land en bereikte den dijk.

Het hart der mannen klopte angstig; zou de vrucht van hunnen arbeid bestand zijn tegen den vertoorden Oceaan?... De dag brak aan, heviger nog huilde de storm, hooger en hooger stegen de golven en!... de mannen bemerkten eene breuk midden in den dijk.

De vrouwen brachten kleiaarde, steenen, takkebossen aan, hijgend en zweetend arbeidden zij, onder den plassenden regen, aan het herstellen van den dijk ... vruchtelooze moeite; eene tweede, eene derde dijkbreuk ontstond; de vrouwen weenden, de kinderen huilden.

«Allen naar de hutten! drijft het vee voor u uit! neemt manden en netten mede, richt u zuidwaarts!» riepen thans de mannen en met koortsige haast gehoorzaamden allen aan het bevel. In radeloozen angst vloden de ongelukkigen over heiden en moerassen en bereikten eene hooger gelegen streek, waar de hutten talrijker en akkers en weiland waren aangelegd.

De arme vluchtelingen werden er liefderijk ontvangen en dagen lang geherbergd, maar, toen de mannen eindelijk naar hunne vroegere verblijfplaats terugkeerden, waren dijk en woningen weggespoeld.

4.--Bij de Menapiërs.

Wat moesten de arme, wreedbeproefde lieden thans aanvangen?... Klagen, weenen, helpt zoo weinig! Onze mannen waren moedig en kloek, zij vereenigden hunne krachten, arbeidden samen en, door tegenspoed wijzer geworden, legden zij een nieuwen dijk aan, die breeder en sterker was dan de eerste; ook richtten zij eene terp op en bouwden zich hutten, die, op eene verhevenheid staande, minder van overstrooming zouden te lijden hebben. Daar het moeras thans volkomen tegen het water was beschut, droogde het uit en kon men het in weiland, later in akkers herscheppen.

De vrouwen naaiden zeilen, vlochten fuiken, breiden vischnetten; de mannen timmerden eene schuit en weldra dobberden onze moedige arbeiders op den Oceaan, bereikten de Britsche kusten, waar zij lood en tin haalden, alsook mergelaarde, waarmede zij hunne akkers bemestten.

Deze moedige menschen waren de Menapiërs die, vóór 2000 jaar, in Laag-België ten Westen en aan de monding der Schelde woonden.

Hun lijden en strijden leert ons genoegzaam, hoe woest en bar ons land toen nog was: de kusten der zee waren diep ingesneden, de zee vormde talrijke inhammen, zelfs golven, vooral bij de monding der rivieren, wier overtollig water zich soms over het land verspreidde en plassen en modderpoelen deed ontstaan. Heel waarschijnlijk dachten de brave Menapiërs er nog niet aan, kanalen te graven, die het nat opvangen, en sluizen te vervaardigen, die den loop van het water zouden regelen.

Ik zeg niet zonder reden «de brave Menapiërs.» Hadden zij niet, op eigen kracht steunend, den strijd tegen de woedende zee volgehouden? Hunne werktuigen waren ruw en onvolkomen, machines kenden ze niet en toch, al mocht de zee hunne schuiten verzwelgen, het water hunne dijken verbrijzelen, hunne woningen vernielen, altijd weer begonnen zij hunne nimmer eindigende taak.

Lezers, denkt er aan, als gij Vlaanderens lachende beemden bewondert, of u in de mooie badplaatsen aan den Belgischen zeeoever gaat vermeien.

5.--Aan den Voet van den Reuzeneik.

Heerlijk en trotsch verhief zich de machtige boom in het midden der vlakte; honderden stormen had hij getrotseerd, honderden winters beleefd; 's zomers rustte het vee in zijne schaduw en honderden vogels kweelden in zijne takken.

Thans, ofschoon de lente nauwelijks in aantocht was, hielden aan zijn bemosten voet, de menschen eene plechtige vergadering;--vroeg in den morgen waren zij in menigte aangekomen, langs de kronkelende paden, die men, hier en daar, in wouden en heiden aantrof.

De meesten onderscheidden zich door hunne hooge gestalte, hunne lange, roodgeverfde lokken en krachtige ledematen.

Hoofddeksel.

Schild.

Helm.

Allen schenen krijgslieden te zijn, sommigen hadden op het hoofd eenen helm, waaraan vleugels van roofvogels of hoornen van dieren waren vastgemaakt en hunne wapens: lansen, pieken, zwaarden, schitterden in het zonnelicht. Allen droegen nauwsluitende kleederen, sommigen ook bontgestreepte kolders, zonder mouwen en, als sieraad of herkenningsteeken, fraai bewerkte hals-of armbanden, terwijl nog anderen een korten pelsmantel om de schouders hadden geslagen.

Die mantel bewees dat zij jagers waren, want zij hadden de klauwen van het door hen gedoode dier niet weggenomen, zelfs bemerkte men hier en daar eenen krijgsman, die zijne kap met den ruigen kop van eenen beer of van een everzwijn had versierd.

De opperhoofden herkende men aan de pracht hunner wapens en telkens wanneer een nieuwe troep verscheen, begroetten de aanwezigen dien met luide welkomskreten.

Plotseling verving eene eerbiedige stilte het luide gegons der menigte, de stoet der druïden of priesters naderde. Voetknechten, voorzien van lansen en schitterende pieken gingen vooraan.--Op eenigen afstand volgden de barden of gewijde zangers; zij hielden snarentuigen in de hand en hieven, bij beurten, strijdzangen aan, die de anderen in koor herhaalden.

Nu verscheen een man, die door al de omstanders met eerbied werd begroet. «Boduognat! hoofdman der Nerviërs,» fluisterden de dichte scharen en Boduognat, wiens naam «Gewoon aan overwinning» beteekende, scheen dien eeretitel te verdienen; heel zijn uiterlijk getuigde van mannelijke kracht, terwijl zijn hoog voorhoofd en zijne donkere, ernstige oogen wijsheid en nadenken verrieden.

De beste krijgslieden des lands hadden zich, als eene eerewacht, om hem geschaard. De opperdruïde en zijne priesters, in lange, witte kleederen, volgden en hunne lijfwacht sloot den stoet, die zich in volmaakte orde rondom den eik plaatste.

De krijgsbazuinen schalden en onmiddellijk daarna nam een der opperhoofden het woord.

«Mannen» sprak hij, «groote gevaren bedreigen ons. Julius Caesar, de vermaarde Romeinsche krijgsoverste, nadert onze streek en stelt zich voor, ons aan zijne macht te onderwerpen. Zullen wij, kloeke Nerviërs, de dapperste der Belgen, zulks laten gebeuren?»

Een vreeselijk gemompel, dat het geraas van den naderenden storm geleek, verhief zich op deze vraag.--«Neen,» vervolgde de spreker, «neen, we zullen onze vrouwen, onze vrijheid, onze velden, dapper verdedigen.»

Daverende toejuichingen beantwoordden deze aanspraak, maar de krijgshoorn schalde, de mannen zwegen en de spreker vervolgde: «De vijand is listig en behendig; tegenover Caesar, die, zegt men, al de stammen van Midden-Gallië overwon, moeten wij een opperhoofd plaatsen, dat voor geen Romein in dapperheid en krijgskunst onderdoet!»

«Boduognat! Boduognat!» riepen allen uit éenen mond en duizenden krijgslieden, hunkerend naar strijd en overwinning, staken zwaarden, lansen, standaards, schilden omhoog en begroetten aldus den bij algemeenheid van stemmen gekozen hoofdman.

Toen de geestdrift eenigszins was bedaard, brachten de dienaars der druïden twee jonge, witte stieren aan. Deze werden als offeranden aan de godheid geslacht en, in het nog rookend ingewand dezer dieren, lazen de priesters den wil des Allerhoogsten.

«God is ons genegen» sprak de opperdruide, «de fortuin zal ons gunstig wezen.»

Wederom klonk het gekletter der wapens, schilden werden in de hoogte geheven, luide vreugdekreten weerklonken.

Toen de offerande was volbracht, keerden de priesters en hun gevolg naar het geheimzinnig woud terug, waar zij in volledige afzondering hun leven wijdden aan studie en godgeleerdheid.

Het volk echter toefde nog langen tijd onder den eik.--Mondbehoeften en schuimend bier werden aangebracht en de drinkhoorn geledigd op de aanstaande overwinning.

6.--Verovering van ons land door de Romeinen.

Waar verhief zich de reuzeneik, in welker schaduw de menschen zulk eene gewichtige vergadering hielden?--Is de gebeurtenis, waarvan het voorgaande verhaal gewaagt, reeds lang geleden?

De reuzeneik groeide vóór meer dan 1900 jaar in Midden-België, aldus genoemd omdat de grond er meer verheven is dan in Laag-België en echter de hoogte niet bereikt van Hoog-België met zijne heuvelen en steile rotsen.

In een woudrijk land, als het onze toen was, trof men talrijke, zeer groote en zeer oude boomen aan; dat de menschen, aan den voet van zulke boomen vergaderden, moet ons niet verwonderen in eene streek, waar steden, noch groote dorpen, dus nog veel minder pleinen of groote vergaderzalen waren.

Wij hadden toen zelfs nog geene bedehuizen, want de priesters boden de godheid hunne offeranden aan in de open lucht.

Welken eeredienst beleden onze voorouders? Zij aanbaden de sterren des hemels, de zon, de maan, den donder, den wind. Zij hadden hier en daar steenen altaren, onder een boom of dicht bij eene bron. Hunne priesters of druïden genoten de algemeene achting; want, ofschoon hunne leer voor ons zeer duister is, waren zij wijzer en geleerder dan gewone menschen.

Misschien wel hebt gij bij u zelven gezeid dat, in het voorgaand verhaal, meest over krijgslieden wordt gesproken.

Weet gij wel, dat de krijgskunst toen algemeen werd geacht, en wie zich door lichaamskracht onderscheidde, in hoog aanzien stond?

Herinnert u Boduognat, die tot opperhoofd werd gekozen; denkt aan de forsche gestalte, aan de glinsterende wapens van de strijders, die hem omringden.

Oud-België.

Boduognat was een Nervier; de Nerviërs bewoonden die deelen van ons land, die men heden Henegouwen, Brabant en Antwerpen noemt. Men trof hier te lande nog aan: de Eburonen, de Aduatieken, de Trevieren en de Morinnen.

Zij vormden te zamen de Belgen of Bolgs. Eenige namen der Zuider-Belgen zijn bewaard gebleven in de namen van sommige aloude Fransche steden: de Bellovaken (Bavai), de Atrebaten (Atrecht). Zij bewoonden niet alleen het huidige België, maar een deel van het Noorden van Frankrijk en der Rijnprovincie. Zij vereenigden zich enkel in oorlogstijd om samen aan een gemeenschappelijken vijand weerstand te bieden.

Voorgaand verhaal leert ons, dat de Belgen aangevallen werden door de Romeinen[1]. Deze, van het Zuiden komende, volgden den rechter oever der Sambre en leverden slag tegen de Nerviërs, die, langs den linkeroever der rivier, den top van een houtrijken heuvel bezet en zich in het struikgewas verborgen hadden. Caesar, de aanvoerder der Romeinen, zond zijne lichte ruiterij op hen af, doch de Nerviërs daalden van den heuvel, staken de Sambre over, vielen de Romeinsche benden aan en vochten met ongewone dapperheid onder aanvoering van Boduognat.

Caesar en zijne krijgslieden waren de onzen te machtig; duizenden en duizenden Nerviërs, ook Boduognat, werden gedood.

Wat moest het, na dit akelig bloedbad, doodelijk treurig zijn in het land der Nerviërs: duizenden weeskinderen weenden er om den verloren vader, moeders zuchtten er om de zonen, die de vijanden haar ontrukten.

Vesting der Aduatieken.

De Aduatieken, die de Nerviërs ter hulp snelden, trokken naar hunne vesting, maar Caesar kwam ze daar belegeren en nam hunne vesting in. Zegevierend zetten de Romeinsche krijgsbenden hunnen tocht voort; hutten en wouden verbrandden zij, akkers liepen zij plat, vrije mannen verkochten zij als slaven.

Ellende, dood, slavernij gingen steeds met oorlog hand aan hand.

* * * * *

Drie bange jaren kropen traag en somber voorbij. 's Zomers, trokken de Romeinen al verder en verder in ons land, maar in het najaar, als plasregens nedervielen, als de rivieren overstroomden en dikke nevels uit de moerassen opstegen, staakten zij tijdelijk den oorlog.

Zij deden voorraad op voor soldaten en paarden en legden in verscheiden streken kampen of legerplaatsen aan, die zij betrokken en vanwaar zij de overwonnen volksstammen in bedwang hielden.

In dien tijd leefde in het land der Eburonen, de beroemde Ambiorix. Het ongeluk zijner landgenooten had hem zoo diep getroffen, dat alle levenslust voor altijd uit zijn hart was verdwenen.

's Avonds, bij het knetterend haardvuur gezeten, zuchtte hij over de bange tijden en droomde van opstand tegen de vreemdelingen, van wraakoefening over het geleden onrecht.

's Daags dwaalde hij door het woud, sprak tot de lieden, die zich ter jacht begaven of zich met akkerwerk onledig hielden, begaf zich van gehucht tot gehucht en deelde aan allen, den haat mede, dien hij tegen de overwinnaars koesterde.

Van tijd tot tijd sloop hij voorbij de legerplaats der Romeinen, bespiedde hunne handelingen, ging hunne getalsterkte na, zag de aarden wallen, die het kamp der vijanden omringden, de slooten, de houten torens, de valbruggen, de poorten, die de legerplaats beschermden en keerde daarna, laat in den nacht, met gebalde vuisten en fonkelende oogen huiswaarts.

Verscheidene malen riep hij de inwoners zijner landstreek heimelijk bij elkander, sprak hun over de verloren vrijheid en, toen hij, in aller hart, het vuur der wraak had doen ontvlammen en de hoop op verlossing had doen herleven, lokte hij de Romeinsche bezetting uit hare legerplaats en behaalde eene eerste overwinning op den vijand.

Weldra vertrok hij naar het land der Aduatieken en, dag en nacht zijn marsch voortzettend, begaf hij zich naar het land der Nerviers, waar hij ook dezen, tot den opstand aanzette en de legerplaats van Cicero, een Romeinsch opperhoofd, aanrandde.

Cicero zond in allerhaast boden en brieven naar Caesar, die al spoedig in versnelde marschen het land der Nerviers bereikte, de zijnen verloste en besloot de Eburonen te straffen.

Bij den aanvang van den oogsttijd trok de groote veldheer op tegen Ambiorix, wiens onbedreven moed, helaas! niet bestand was tegen de krijgskunst van den grooten Romein. Caesars soldaten staken hutten en hoeven in brand, namen de paarden, het vee, de strijdwagens der Eburonen als krijgsbuit mede.

Talrijke inwoners werden gedood, eenigen slaagden er in de groote wouden te bereiken, waar zij, tot in de dichtste struiken, tot in het riet der moerassen werden nagezet.

Honger, angst, vermoeidheid doodden hen, die niet door het zwaard der vijanden werden getroffen.

Als een wild dier opgejaagd, vluchtte Ambiorix van woud tot woud. Vergezeld van eenige verkleefde ruiters, gelukte het hem, de oevers van den Rijn te bereiken. Langen tijd zwierf hij van de eene woestenij naar de andere en verborg zich in verlaten hutten of ongenaakbare bergkloven.

Waarschijnlijk stierf hij, ver van den geboortegrond, alleen, verlaten en diep ongelukkig.

In het jaar 50 vóór J.-Chr. was heel ons land aan de Romeinen onderworpen.

7.--Twee Eeuwen later.

Op een mooien zomerdag stapte een reiziger langs den heirweg, die door ons land, over Tongeren, van Gallië naar Duitschland liep. Hij leunde op een doornenstok; stof bedekte zijnen mantel. De zon had zijne wangen gebruind en twee litteekens doorploegden die. Nu en dan liet de man met welgevallen zijnen blik rusten op het landschap en geleek dan wel iemand, die blij is eene streek weder te zien, die hij vóór lange jaren verliet; zulks was hier het geval.

Marcus Liberius Victor, zoo heette de reiziger, werd geboren in de omstreken van Aarlen, waar hij tot een frisschen jongeling opgroeide. In zwemmen, jagen, loopen, te paard rijden, was niemand zoo bekwaam als hij; ook werden zijne lichaamskracht, en behendigheid, wijd en zijd geroemd.

Op zekeren dag bevond de jongeling zich aan den oever der rivier, toen het dochtertje van een Romeinschen ambtenaar, dat in de nabijheid wandelde, in het water viel en door den stroom werd medegesleept.

De jongeling sprong haar na, dook als een visch en bracht het meisje behouden aan wal.

De Romeinsche ambtenaar en zijne vrouw waren den redder van hun kind zeer dankbaar en schonken hem hulp en bescherming. Marcus, die toen nog Punto heette, werd soldaat in het Romeinsche leger; hij verliet zijne eenige zuster, eene weduwe, met een lief knaapje, dat pas zes maanden oud was. Punto schonk haar, als aandenken, het mooie gouden kruisje met den fonkelenden rooden steen, dat hij van zijne rijke beschermers had ontvangen.

Sedert waren jaren verloopen. Punto had gereisd, gezien, geleerd en zich in Italië en elders als krijgsman onderscheiden. Maar, hoe ver hij ook weg was, hoe hoog hij in aanzien klom, toch verdoofde de liefde tot den geboortegrond in hem niet; integendeel, hij wenschte vurig naar zijn land terug te keeren, zijne zuster, zijn neefje te zien en zijne laatste levensjaren te slijten op dezelfde plaats, waar zijne gelukkige jeugd voorbijvlood.

Eene ernstige wonde hem door een vijandelijk krijgsman toegebracht, had hem bijna ten grave gesleept, maar hij herstelde, hoewel langzaam, nam zijn ontslag en reisde naar het verre vaderland.

Hij zocht er zijne familieleden op, maar vond ze niet terug; zijne zuster was overleden, haar zoon had de streek verlaten en niemand wist, waarheen hij zich begeven had.

Nu werd het den krijgsman treurig te moede; hij had zooveel gereisd, zooveel gezien en gehoord, maar liefde had hij niet gevonden. Hij verliet de schilderachtige geboortestreek en begaf zich op weg naar Tongeren, waar zijne vroegere weldoeners zich hadden gevestigd.

In den namiddag bereikte hij eene mooie villa, door tuinen en landerijen omgeven. Een paar slaven stonden voor den ingang en koutten met eenen landman, die door een blonden, forschen jongeling was vergezeld.

«Ben ik nog ver van Tongeren» vroeg hun de reiziger? «Nog vier mijlen» luidde het antwoord en de landman, die heel praatziek was, voegde er bij: «Zoo gij wilt, kunnen wij samen een deel van den weg afleggen, want ik woon op ééne mijl van de stad. «Hier Vertico», riep hij op norschen toon tot zijn gezel, «draag deze ledige korven en volg ons».

Marcus aanvaardde het aanbod van den landman en weldra stapte het tweetal den heirweg op.--Zwijgend, het hoofd ter aarde gebogen, ging Vertico, die de knecht des landmans was, achteraan, terwijl zijn meester aan zijn toevalligen reisgenoot, allerlei inlichtingen gaf, die Marcus hem in het geheel niet vroeg.

«Ik bewoon eene hoeve» sprak hij, «ik fok zwijnen, runderen, schapen; mijne vrouw teelt ganzen en eendvogels; dezen morgen leidde ik naar de villa, waar gij mij ontmoettet, een mooi zwart paard, dat ik aan den heer des huizes verkocht....» en hij klopte lachend op zijn welgevulde beugeltasch.

Eenige schreden verder bereikten onze reizigers eene woonstede, die, naar het uiterlijke te oordeelen, een herberg was.

«Ik heb dorst», sprak de landman, «willen wij hier binnentreden en den beker ledigen op uwe voorspoedige reis?»

Marcus bewilligde en, nauwelijks hadden onze mannen in de gelagkamer plaats genomen, of eenige Romeinsche soldaten traden binnen.

Zij waren zeer luidruchtig, bestelden eene kruik wijn en vroegen dobbelsteenen aan den waard, die zich haastte aan hun eisch te voldoen.

«Wie speelt mede?» vroegen zij luid, en de landman, wiens oogen van verlangen fonkelden, wierp een geldstuk op de tafel.

Het lot was hem ongunstig, hij verloor slag op slag. Weldra was zijne beurs ledig, maar het spel ging zijnen gang.

«Schei uit» fluisterde hem Marcus in het oor, maar de man schudde halsstarrig het hoofd.

«Is de jongeling, die u vergezelt, uw knecht?» vroeg een der soldaten. «Ik zet het geld, dat ik u afwon, tegen hem in, hij is jong en schoon ... een slaaf, die geld waard is....»

«Ik ben geen slaaf, hatelijke vreemdeling» klonk het opeens uit Vertico's mond, terwijl hij dreigend opsprong en de kloeke vuisten balde.

«Dat zullen wij zien!» riepen de soldaten en trokken hun zwaard uit de scheede.

Marcus ook was opgesprongen. «Wie dezen jongeling aanraakt, klaag ik te Tongeren bij den bevelhebber aan!» sprak hij met krachtige stem, terwijl hij zich fier en gebiedend in het midden der soldaten plaatste.

Maar nauwelijks was de eerste indruk van verbazing voorbij of een der soldaten hernam spottend: «Wie zijt gij, vreemdeling, die ons Romeinen, als nietige slaven toespreekt?»--«In het land mijner vaderen heet ik Punto, maar in het Romeinsch leger, waar ik Hoofdman[2] was noemde men mij Marcus Liberius Victor».

De soldaten stoven verschrikt uiteen; Marcus nam zijnen geldbuidel, wierp eenige geldstukken voor de voeten van den verbluften landman en sprak tot dezen: «Ziedaar de losprijs voor uwen dienaar.--Volg mij, jongeling,» zeide hij tot Vertico en beiden verlieten zwijgend de herberg.

Weldra sprak de jongeling met tranen in de oogen: «Ik ben u wel dankbaar, goede heer,» doch Marcus viel hem in de rede: «Daar zoo even beweerdet gij geen slaaf maar een vrij man te zijn, uw kernachtig antwoord beviel mij, zeg jongeling, hoe kwaamt gij in dienst bij uwen meester?»

«Ik ben een wees,» sprak Vertico, «en werd geboren in de omstreken van Aarlen; mijn vader heb ik nooit gekend en mijne moeder stierf toen ik twaalf jaar oud was. Een vriend en buurman huurde mij als veehoeder, maar toen ook hij na eenige maanden stierf, begaf ik mij naar Tongeren, waar ik hoopte brood en bezigheid te vinden. Daar ontmoette ik mijn vorigen meester, bij wien ik veel te lijden had, want de man is aan drank en spel verslaafd.»

Marcus dacht onwillekeurig aan zijne zuster, en aan haren zoon, dien hij niet had wedergevonden. «Hadt gij geene nabestaanden, die voor u zorgen of u met raad en daad konden bijstaan?» vroeg hij peinzend.

«Toen ik een kind was,» antwoordde Vertico, «vertelde moeder mij dikwijls van mijn oom, die soldaat was in Italië. Moeder zeide, dat hij goed, krachtig en verstandig was. Hij heette Punto....»

«Bezit gij niets, dat uwe moeder of uwen oom toebehoorde?» vroeg Marcus met van hoop kloppend hart.

«Ja toch» antwoordde Vertico «eer oom vertrok, schonk hij moeder een gouden kruisje met rooden steen, het was een kleinood van waarde, dat ik, hoe nijpend de nood ook was, niet verkoopen wilde, uit eerbied voor den afwezige....»

«Toon mij dat kruisje!» sprak de soldaat, die tranen in de oogen kreeg.

«Sedert jaren draag ik het op het hart,» sprak de jongeling met zachte stem, «ik smeek u, heer krijgsoverste, neem het mij niet af,» en hij haalde het kleinood van onder zijn kleed te voorschijn.

Bevend van ontroering nam Marcus het kruisje in de hand, herkende het en vroeg, als wilde hij een laatsten twijfel uit zijn hart wegnemen: «Hoe heette uwe moeder?»

«Pruscia» stamelde de jongeling en zag tot zijn weldoener op «zij had bruine oogen en golvende haarlokken als gij. Ik weet niet waarom, heer Hoofdman, maar uw gelaat herinnert mij aan dat mijner arme moeder.»

«Ik ben uw oom, Vertico,» besloot Marcus. «Hoe gelukkig ben ik u weder te vinden! Wij zullen elkander niet meer verlaten, naar onze geboortestreek terugkeeren en, als vader en zoon, vreedzame jaren slijten.»

8.--De Romeinsche Overheersching.

«Wie toch hadden, hier te lande, door wouden, moerassen en heiden, die breede heirwegen aangelegd, die wij in het voorgaande verhaal leerden kennen?»--Dat waren de Romeinen.--Wel is waar deden zij zulks niet uit genegenheid voor de inwoners, maar wel opdat de krijgslieden, langs die wegen, gemakkelijk van de eene plaats naar de andere konden gaan en zij heel dikwijls paarden, wagens, oorlogstuig, voeder en voedsel moesten vervoeren.

Het aanleggen dier wegen was eene weldaad voor de bevolking; de menschen kwamen meer dan vroeger met elkander in aanraking, kooplieden uit het Zuiden en elders brachten onzen voorouders allerlei zaken, waarvan deze eenvoudige lieden vroeger geen denkbeeld hadden.

Hier en daar bouwden de Romeinsche ambtenaars villa's of lusthuizen, die weelderig ingericht en van tuinen, boom-en wijngaarden omgeven waren. Verscheiden vroeger onbekende voedings-en sierplanten, ooftboomen, zelfs diersoorten werden hier ingevoerd; de bevolking groeide aan, de menschen weefden wollen mantels, lijnwaad, zonden ganzen en hammen naar Italië en leerden tichels en vaatwerk bakken, glas en glazuur vervaardigen.

De landbouw ontwikkelde zich vooral in het vruchtbare Haspengouw. Tongeren en Doornik zijn de vroegst bekende steden van ons land, dat, voor handel en nijverheid, zeer voordeelig gelegen was, tusschen Gallië en Germanië.

9.--De Romeinsche Villa.

Gedurende de III^{de} eeuw onzer jaartelling, woonden niet ver van Borgworm, op eene mooie villa een rijk Romeinsch grondeigenaar en zijne eenige dochter Liberia. Het meisje, dat door haren vader werd aangebeden, was haar achttienden jaar ingetreden en, ten einde deze blijde gebeurtenis op waardige wijze te vieren, had de rijke Romein zijne talrijke vrienden aan een heerlijk gastmaal genoodigd.

Romeinsche villa.

De villa was daartoe bijzonder geschikt: kostbare zijden behangsels scheidden de verschillende zalen van elkander, overal stonden zachte bedden, met kussens bedekt of met tapijtwerk behangen. Op de tafels prijkten zilveren en gouden schalen vol zeldzame en fijne vruchten en talrijke slaven en slavinnen, dragende fraaie kruiken, goten parelenden wijn in kristallen roemers en drinkschalen.

De gasten, in rijke kleederen gehuld, met bloemen en juweelen versierd, hielden zich met muziek, dans en spel onledig, toen plotseling, de algemeene vreugde door eene schrikwekkende tijding werd gestoord.

«De Barbaren zijn in aantocht,» riep een dienaar, die hijgend en bezweet de kamer binnenstormde. «Uren in den omtrek, hebben zij alles geplunderd en verwoest! Laten we op tegenweer bedacht zijn! Ze zijn hier dichtbij, op het terras kan men ze, in eene wolk van stof gehuld, zien naderen.»

De aanwezigen waren door schrik als verlamd. Liberia en hare gezellinnen klaagden en weenden luid, de mannen zagen elkander in stomme vertwijfeling aan.

«Te laat! wij zijn overrompeld!» gilde eensklaps een toesnellend dienaar en inderdaad, paardengetrappel, wapengekletter weerklonk, woeste mannen met sombere aangezichten, stoven de woning binnen. «Wij eischen voeder voor onze paarden, vleesch voor onze mannen!» schreeuwden zij in eene ruwe, vreemde taal, die geen der aanwezigen verstond en, toen de eigenaar der villa, door gebaren te kennen gaf, dat hij hen niet begreep, toen enkele der aanwezigen, genoodigden en slaven, met wapens verschenen, stormden de aanvallers door de prachtige vertrekken, scheurden de zijden behangsels af en sloegen het kostbare vaatwerk stuk.

Nu werd men handgemeen; wie dapper was verdedigde zijn leven of dat zijner vrienden of meesters, wie bang was vluchtte voor de woeste aanvallers, die juweelen, muntstukken, kunstwerken roofden ... en, toen de bleeke maan haar zilveren licht over de aarde goot, waren al de bewoners der villa gevlucht, gewond of gedood.

Liberia's dienaressen hadden hare meesteres behouden in een naburig bosch gebracht en de vader van het vroeger zoo gelukkige meisje, lag stervend op de kille steenen zijner voormalige feestzaal.

De Barbaren stalden hunne paarden in de prachtige kamers der villa; zij slachtten het vee, dat zij in de stallen aantroffen en, daar zij niet aanstonds hout vonden, stapelden zij de kostbare meubels opeen, staken ze in brand en vormden aldus een haard, waarop zij het vleesch braadden der gedoode dieren, dat hun tot avondmaal verstrekte.

10.--Invallen der Barbaren.

Voorgaand verhaal zegt ons genoeg, dat de Romeinen, de onverwinnelijke krijgslieden niet meer waren, die ten tijde van Boduognat en Ambiorix ons land overmeesterden. Langzamerhand lieten zij zich door weelde en gemakzucht verleiden en hechtten meer waarde aan feesten en uitspattingen, dan aan de verdediging van hun uitgestrekt rijk.

Tot in de V^{de} eeuw bleven zij meester over ons land, maar konden niet beletten dat herhaalde malen vreemde volksstammen naar hier kwamen en groote onheilen in ons land aanrichtten.

Onze voorouders beleefden een bang en treurig tijdvak van rampen en algemeene ellende. De binnendringende of voorbijtrekkende volkeren plunderden villa's, dorpen, steden, de verschrikte inwoners begroeven hunne schatten in den grond; maar velen werden gedood voor zij die weer konden opgraven.

Op onze dagen nog, haalt men niet zelden, vooral langs de vroegere Romeinsche heirwegen, kruiken en potten vol muntstukken uit den grond.

Zij wijzen ons den weg, door de binnendringende volksstammen gevolgd, terwijl het jaartal, dat in de muntstukken is gegrift, de oudheidkundigen bekend maakt met het tijdvak, waarin de invallen plaats grepen. De ellende was zoo groot, dat er handen te weinig waren om den grond te bebouwen, graan te zaaien en voor het vee te zorgen.

Niet zelden moesten de Romeinen aan indringende volksstammen toelaten, zich als landbouwers of kolonisten te vestigen in de verlaten vlakten, waar vroeger Eburonen, Nerviers, Menapiers woonden.

Wie die stammen waren, hoe zij leefden, wat zij tot stand brachten, zal het volgende verhaal u duidelijk maken.

11.--Een Frankische Knaap.

Edo was vijftien jaar oud en bewoonde omstreeks de vijfde eeuw onzer jaartelling met zijne ouders en zusters, eene hofstede, die aan den oever der Schelde was gelegen.

Hij was een gezonde, forsche knaap, met lange, blonde haarlokken en helderblauwe oogen, die hoopvol en stout, de wijde wereld inkeken.

Vrij als een veulen sleet hij zijne levensdagen op het land, in de uitgestrekte, gezonde natuur. 's Zomers vermeide hij zich in de weiden, die zijne geboorteplaats omringden, reed te paard, baadde zich in de rivier of luisterde, gezeten in de schaduw van eeuwenoude boomen, naar de tooververhalen en sprookjes, die Bertha en Reinilde, zijne zusters, hem mededeelden.

's Winters vergezelde hij vader, ooms en neven op de jacht en achtervolgde uren lang, reebok of hert, wolf of everzwijn. Edo leerde met de wapens omgaan en wenschte vurig op te groeien tot een krachtig man, die alle andere in vlugheid en behendigheid zou overtreffen.

Zijne moeder, eene krachtige vrouw, deelde in dat verlangen: «Mijn zoon» sprak zij, «weldra zal ik u de framei[3] schenken, waarmede uw grootvader tegen de vijanden van ons volk te velde trok en u zijn veelkleurig schild aan den arm hangen.» «Ik geef u mijne francisca[4], mijn kostbaren halsband en fraaien mantelhaak» zeide de vader. «Wij weven u een prachtigen, gekleurden mantel» voltooiden Bertha en Reinhilde, want zij waren fier op haar jongen broeder.

Op zekeren avond was de geheele familie in de woonhalle vergaderd, de koeien loeiden in de stallen, die aan het huis paalden, de groote hond liep van Reinilde naar Bertha en een knetterend vuur brandde in den haard. Men zong aloude krijgsliederen, men dronk schuimend bier en vader verhaalde de roemrijke daden van Walther, den voorvader en held der familie, die zich met andere Franken aan de oevers der Schelde gevestigd had.

Edo luisterde met aandacht en 's nachts droomde hij heerlijk: Prachtig uitgedoscht, van schitterende wapens voorzien, trok hij, op een brieschend paard gezeten, ten oorlog. Hij zong woeste krijgsliederen, versloeg honderden vijanden en weerde met zijn schild, de slagen der vreemde krijgslieden af.

Maar zie! daar stiet een vijand hem op het onverwachts zijne speer in de borst. Edo viel badend in zijn bloed neder, hij sloot de oogen en dacht te sterven, toen ... o wonder! eene sneeuwwitte zwaan hem opnam en hem naar het Walhalla[5] voerde, tot vlak voor den troon van Odin, den oorlogsgod.

Odin begroette den jongen held met minzaamheid en sprak: «Mijn zoon, gij zijt waardig in mijn gevolg opgenomen te worden; hier, in mijn godenverblijf, onder mijne leiding, zult gij uwe krijgsopvoeding voltooien. Later zult gij mij vergezellen als ik tegen de reuzen te velde trek....»

Edo ontwaakte en eenige jaren later werd zijn droom gedeeltelijk verwezenlijkt. Met de Franken rukte hij naar het Zuiden en onder aanvoering van vorst Hlodio bereikte hij de stad Doornik.

Hier vielen de Franken de Romeinen aan, overwonnen hen, namen Kamerijk en Atrecht in, bereikten de oevers der Somme en zetten zegevierend hunne tochten voort.

12.--De Franken.

Frankisch opperhoofd.

Willen wij trachten aan 't voorgaand verhaal eenige geschiedkundige gebeurtenis vast te knoopen?

's Avonds bij het knetterend haardvuur gezeten, verhaalt Edo's vader de heldendaden zijner voorouders, die, van de Romeinen verlof kregen zich als landbouwers of kolonisten in Toxandrië (de Kempen) te vestigen.

Van de Kempen richtten zij zich naar de oevers van Lei en Schelde, naar de vruchtbare gouwen van Midden-België. Het Zuid-Oosten van ons land was, met zijne dichte wouden, hun geruimen tijd ontoegankelijk, terwijl de Ardennen met hunne naakte bergtoppen en met bosch begroeide hellingen, hen weinig aanlokten.

De Franken bezaten toen nog geene steden, maar leefden op het land, in hoeven, met moestuinen, ooftboomen, grasperken.

Die hoeven waren door hooge hagen ingesloten en voorzien van stallen voor paarden en vee, bergplaatsen voor hooi, stroo, graan.

Dunkt u niet, dat deze hoeven, in vele opzichten, op de hoeven onzer hedendaagsche Vlaamsche boeren geleken?

De woningen der Franken waren wel is waar van hout, maar koningen en opperhoofden bezaten soms wel een steenen huis «sale, seele, halle» genaamd.

Frankische vrouw.

Vandaar Swevezele in West-Vlaanderen, Herzele in Oost-Vlaanderen, Liezele in de provincie Antwerpen, Wilzele in Brabant.

Nog andere plaatsnamen vooral in Laag-en Midden-België, herinneren ons aan de Franken: Bornhem[6] bij de stad Mechelen, Cureghem in Brabant, Lovendeghem, Sotteghem in Oost-Vlaanderen, Anseghem bij Kortrijk in West-Vlaanderen, enz.

De Franken hadden koningen; de oudste, die de geschiedenis ons leert kennen is Hlodio, die het land van Doornik en dat van Kamerijk innam.

Later trof men ook Frankische koningen aan te Keulen, en te Tongeren.

Herinnert gij u dat Edo's vader, ja zelfs zijne moeder hunnen zoon schoone wapens beloofden?

Onder de Franken waren uitmuntende smeden, ook vervaardigden zij juweelen en aarden vaatwerk.

Niet zelden ontdekt men, in onze dagen, in ons land, Frankische graven, waarin wapens, juweelen en andere voorwerpen gevonden worden. Men bewaart die in musea. Het museum van Brussel is rijk aan voorwerpen uit het Frankisch tijdvak.

Het volgende verhaal zal u de Franken nog beter leeren kennen.

13.--Grimbald en Bertolf.

«Neen Grimbald» sprak Bertolf tot zijn rijken buurman, «neen, mijn paard wil ik u niet verkoopen. Ik zelf richtte het af, verleden zomer nog voerde het mij ten strijde en hielp mij de vijanden van ons volk overwinnen, het werd mij een trouwe vriend, van wien ik niet meer scheiden kan.»

Grimbalds gelaat werd somber. De man was jaloersch op Bertolf die, ofschoon veel armer dan hij, door elkeen werd gewaardeerd om zijn aangenaam karakter, zijne bekwaamheid. Bertolf was een uitmuntend landbouwer, een bedreven jager, een flink ruiter die, sedert hij met zijn schrander paard, den onverwinnelijken Sleipnir, te velde trok, zelfs door graven en andere hooggeplaatste lieden, met achting werd bejegend.

Grimbald was rijk, hij bezat schoon huisraad, mooie runderen, talrijke zwijnen, maar de menschen hielden niet van hem; hij was boosaardig, wraakzuchtig en had zich, in meer dan één geval, op wreede en hartlooze wijze gedragen.

Somber en dreigend verliet hij de woning van Bertolf en niet zoodra was hij de haag voorbij of hij balde de vuisten en grinnikte spottend: «Die weigering zult gij mij duur betalen!»

Hij verzonk in gepeinzen, bereikte het elzenboschje, dat aan den oever der beek gelegen was, verborg zich in het struikgewas en hield zich stil als de boschkat, die de duisternis afwacht om hare prooi aan te vallen.

Langzaam, zeer langzaam spreidde de nacht haar floers over het aardrijk; tot driemaal toe hief de boschuil zijn onheilspelend gefluit aan.

Grimbald verliet zijne schuilplaats en keerde naar Bertolfs woning terug. Hij brak door de haag, kroop op handen en voeten naar den paardestal....

Eenige tijd verliep en als een moordenaar sloop hij naar het elzenboschje terug.

Plotseling drong de maan door de duisternis en wierp haar weifelend licht op den boosdoener. Hij bemerkte twee mannen, die onbeweeglijk en sprakeloos, in den stillen zomernacht, aan den oever der beek zaten te visschen.

Grimbald schrikte en, als ontwaakte zijn geweten, vluchtte hij, over weiden en velden, over heggen en struiken, in de richting zijner woning.

De visschers echter hadden den man bemerkt; zij ook schrikten, maar zeiden:

«Wat kwaad bedreef de man, die als een laffe moordenaar van hier wegvlucht?»

Niet langer echter dachten zij over het gebeurde na; zij hernamen hunne bezigheid en, zoodra het eerste morgenrood het Oosten kleurde, begaven zij zich naar de hoeve van Bertolf.

«Wij zullen onzen vader met onze mooie vangst verrassen» zeiden zij onderweg, want het waren Bertolfs zoons.

Het was klaar dag toen zij aan de houten deur der woonhalle klopten en hun vader, die altijd vroeg op de been was, opende. Hij was bleek en beefde aan al zijne leden. De jongelingen schrikten: «Een ijselijke moord is hier dezen nacht gepleegd,» sprak Bertolf met sidderende stem: «Mijn edel paard ligt dood, badend in zijn bloed. Het mes eens moordenaars heeft het arme dier doorstoken en de misdaad werd een paar uren geleden gepleegd. Komt kinderen, vergezelt mij naar het tooneel der slachting.»

Sprakeloos volgden de zoons hun bedroefden vader. In den stal lag de arme Sleipnir levenloos op den grond; de kloeke Bertolf, de oorlogsheld, weende als een kind. Hij boog zich over het doode lichaam en, als wilde hij het arme dier tot het leven terugroepen, streek hij snikkend zijne ruwe hand over de gitzwarte manen van het slachtoffer.

De zoons trachtten hunnen vader te troosten en ... juist toen de jongste hem wilde naderen, struikelde hij over een voorwerp, dat op den grond lag. Hij raapte het op, beschouwde het eene wijl en sprak binnensmonds: «Een mantelhaak! een kostbare mantelhaak! Vader, wien behoort dat voorwerp?» vroeg hij toen.

Bertolf nam den mantelhaak in de hand, bezag hem aandachtig en riep: «Dit voorwerp behoort den rijken Grimbald! Gister avond bood hij het mij met andere kostbare voorwerpen aan, in ruiling voor mijn armen Sleipnir.»

De zoons keken elkander aan en na eene poos sprak de oudste: «Dezen nacht vluchtte Grimbald als een gemeene dief door het elzenboschje. Mijn broeder en ik herkenden hem duidelijk. Hij is de moordenaar. Waarschijnlijk pleegde hij zijne laffe daad in haast en gejaagdheid en bemerkte niet, dat hij in den stal, zijn mantelhaak verloor.

«Die booswicht! die moordenaar!» kreet Bertolf «hij zal boeten voor zijne laffe daad» en, van toorn blakend, verliet hij den stal, gevolgd door zijne beide zoons.

14.--De Salische Wet.[7]

Wat stond den armen, bedroefden Bertolf thans te doen? Zich wreken op Grimbald? Hem aanvallen, bevechten, dooden? Dat kon niet! De Franken waren geene wilden; zij hadden gebruiken, wetten, rechters en voor deze laatsten zou Bertolf den moordenaar dagen.

Nog bij de Franken der V^{de} eeuw werd de rechtspleging uitgeoefend door vrije mannen, onder voorzitterschap van een gekozen of erfelijk hoofd. Deze rechtbank echter zetelde niet zoo als bij ons in een huis of paleis, maar in de open lucht, in een bosch of onder een alleen staanden boom.

Een in den grond bevestigd schild, duidde de plechtigheid der vergadering aan en een kring, gevormd door een gespannen koord, scheidde de rechtsprekenden van de menigte.

Binnen den kring waren scarnen of banken geplaatst, meestal vier, voor den voorzitter en zijne bijzitters, voor den aanklager, voor den beschuldigde.

Verstaat gij thans, waarom men heden nog zegt: iemand voor de vierschaar (vier scarnen) dagen?

Grimbald, de lafhartige werd veroordeeld tot het betalen eener aanzienlijke geldboete. Een deel der boete, het weergeld, kwam aan Bertolf, een ander deel, het vredegeld, werd in de schatkist gestort.

Waren de gebruiken der Franken opgeteekend of geschreven? In den beginne natuurlijk niet, doch later, toen zij zich in ons land vestigden en met de Romeinen in aanraking kwamen, lieten zij door geleerde mannen het oude volksrecht opteekenen. Men noemt het: de Salische Wet.

15.--Van een Koning en eene Prinses.

Het kan meer dan duizend jaren geleden zijn, dat in een ver land, eene prinses leefde, die zeer ongelukkig was. Haar vader was dood, vermoord, zegde men, door haren oom, die een boos mensch was.

De arme prinses had veel verdriet en weende bitter, en haar booze oom gebood haar de stad Genève te gaan bewonen. Daar leerden de menschen haar weldra liefhebben; want, zij was zacht en schoon en hielp de arme lieden, zooveel zij maar kon.

Zulks vernam een machtig koning, die, aan het hoofd zijner krijgslieden, groote overwinningen had behaald. Zijne gezanten vertelden hem zooveel goeds van de prinses, dat hij wenschte haar tot vrouw te nemen.

Dit voornemen deelde hij mede aan zijnen vriend en vertrouweling, Aurelius. Hij verzocht hem zich in het geheim naar Genève te begeven en er zijn verlangen aan de prinses bekend te maken.

De vriend begaf zich op weg en nam den ring zijns meesters mede, maar, ten einde geen argwaan op te wekken, kleedde hij zich als bedelaar. Den staf in de hand en den knapzak op den rug, bereikte hij de woning der prinses, die, zeer gastvrij zijnde, den vreemdeling in hare woning opnam.

Terwijl zij hem, in tegenwoordigheid harer dienaressen, de voeten wiesch, sprak hij met gedempte stem: «Jonkvrouw, ik wensch met u een onderhoud te hebben.»

De prinses deed alsof zij den bedelaar niet hoorde, maar 's avonds het zij hem roepen en vroeg wat hij verlangde. «Jonkvrouw,» sprak hij, «de koning, mijn meester, zendt mij tot u, hij wenschte u, naast zich, als koningin op den troon te plaatsen en gaf mij, als bewijs zijner vereering, dezen prachtigen ring voor u mede.»

Gallië

De prinses, zeer gevleid over het aanbod des konings, aanvaardde den ring en antwoordde: «Ik schenk u eene beurs met honderd goudstukken, doch verzoek u aanstonds tot uwen meester weder te keeren. Zeg hem, dat hij zonder uitstel gezanten zende naar mijnen oom om zijne toestemming tot ons huwelijk te vragen. Dat hij niet drale; want, als Aridius, de raadsheer van mijnen oom vóór dien tijd uit Konstantinopel terugkeert, dan zal hij hem tot weigeren aanzetten.

Aurelius vertrok, maar toen hij Orleans, zijne verblijfplaats, naderde, ontmoette hij een bedelaar, die hem een eind weegs vergezelde.

Aurelius was moede en legde zich onder eenen boom te slapen, en ondertusschen stal de bedelaar de beurs met de honderd goudstukken der prinses.

Aurelius ontwaakte, bemerkte den diefstal, spoedde zich huiswaarts en gelastte zijnen dienaren den dief na te zetten. Zij achterhaalden en brachten hem voor hunnen meester, die den ontrouwen reisgenoot drie dagen lang stokslagen liet geven en hem daarna losliet.

Nu spoedde Aurelius zich tot zijnen heer en koning en gaf hem verslag van zijne reis. De koning zond gezanten naar den oom der prinses, om hem de hand zijner nicht te vragen. De oom durfde niet weigeren en gaf zijne toestemming tot het huwelijk.

De prinses pakte hare juweelen en andere kostbaarheden bijeen, steeg in eene draagkoets en begaf zich met de gezanten op weg naar den koning. Na een paar uren echter zeide zij tot hare geleiders: «Wij reizen veel te langzaam, ik verkies uit de draagkoets te stappen en den weg te paard af te leggen.»

De gezanten voldeden aan den wil der prinses en dat was zeer gelukkig; want, Aridius, van zijne reis naar Konstantinopel teruggekeerd, en het gebeurde vernemende, sprak tot den oom: «Gij handeldet verkeerd, niet zoodra zal uwe nicht eene machtige koningin wezen, of zij zal wraak nemen over den dood haars vaders en u den oorlog verklaren. Zend haar zonder uitstel krijgslieden achterna, met bevel haar hier terug te brengen.»

En, de oom, deed zooals Aridius zeide. De krijgslieden vertrokken, maar onderweg vonden zij enkel de ledige draagkoets, met den schat van de prinses.

Deze laatste had, na eene voorspoedige reis, het land van den vreemden koning bereikt. Hier trad zij met hem in het huwelijk en leefde lang en gelukkig.

16.--Hlodwig en Clotildis.

«Jammer» zegt een mijner lezers, «dat voorgaand verhaal een sprookje, en in werkelijkheid niet gebeurd is.»

Een grond van waarheid echter bevat het; want, onze prinses heette Clotildis, leefde in de V^{de} eeuw onzer tijdrekening en haar oom was de koning der Burgonden[8]. De koning, die haar tot vrouw nam, was Hlodwig, beroemde Frankische vorst.

Deze had het rijk der Franken aanmerkelijk uitgebreid. Door list of geweld overwon hij de koningen van Tongeren en Kamerijk, verder den romein Siagrius en breidde zijn rijksgebied uit tot aan de Loire, in Frankrijk.

Burgonden en Franken leefden niet altijd op vredelievenden voet met elkander, daarbij was de V^{de} eeuw een tijd van ruw geweld, oorlog en tweedracht.

Niet zelden werden in Gallië de oogsten vernield door ruwe krijgslieden, die akkers en wijngaarden vertrapten, kudden roofdden en menschen wondden en doodden.

In dien tijd waren de meeste Franken nog heidenen, maar in Gallië trof men talrijke christenen aan. In de V^{de} eeuw reeds waren hunne bisschoppen invloedrijke personen, die door prinsen en koningen werden geëerbiedigd. Een der beroemdste is Remigius, bisschop van Reims.

Clotildis was eene christin. Haar gemaal Hlodwig behaalde roemrijke overwinningen in Gallië, en versloeg de Romeinen en Alemannen (496).

De zachtzinnige Clotildis had grooten invloed op Hlodwig. Na zijne overwinning op de Alemannen verzaakte hij de goden van zijn volk en besloot Christen te worden. In 497 werd de vorst gedoopt te Reims, eene zeer oude Gallische stad, waar de plechtigheid van den doop des konings met ongemeenen luister gepaard ging.

Geschiedschrijvers verhalen, dat de straten van Reims prachtig waren versierd, dat kostbare behangsels de gevels der huizen bedekten en gouden en zilveren wierookvaten in de kerken geurden. Een aanzienlijke stoet begeleidde den koning naar de hoofdkerk; hij was omringd door zijne familieleden, vergezeld van den bisschop Remigius en gevolgd door eene schaar priesters in sneeuwwit gewaad, die lofliederen ter eere Gods aanhieven.

De bekeering van Hlodwig was de gewichtigste gebeurtenis van dien tijd. Hlodwig breidde zijn rijk aanmerkelijk uit. Hij overwon de Westgothen, bij Poitiers en maakte zich meester van zuidelijk Gallië tot aan de Pyreneeën. Hij stierf in 511.

17.--Amandus.

Toen, in de VII^{de} eeuw, Dagobert, een afstammeling van Hlodwig regeerde, leefde in Aquitanië[9] een zeer rijk paar, dat maar éen zoon had, Amandus genaamd. Dien jongen lieten de ouders in den Christelijken godsdienst opvoeden en in alle toen bekende wetenschappen onderwijzen.

Amandus groeide op tot een zeer ontwikkeld en geleerd man en mocht hopen in zijn geboorteland tot hooge waardigheden op te klimmen. Hij begeerde echter eer noch roem en besloot Christen zendeling te worden.

Hij reisde naar de oevers der Schelde, waar de inwoners aan den Germaanschen godsdienst getrouw waren gebleven.

Vergezeld van enkele geloofsgenooten bereikte hij de plaats, waar Lei en Schelde samenvloeien, ongeveer waar zich heden de stad Gent bevindt. In dien tijd echter was de landstreek woest en bar, en de inwoners namen tegenover Amandus eene vijandige, zelfs dreigende houding aan.

Zulks schrikte zijne vrienden af; zij verlieten hem, op twee na, die noch voor ontberingen, noch voor bedreigingen terugdeinsden.

Langzaam, zeer langzaam, verminderde het wantrouwen der bevolking. Eenige, en later een groot aantal menschen bekeerden zich tot den nieuwen godsdienst.

Omstreeks het jaar 631 bouwde Amandus eene kerk, die heel waarschijnlijk van hout was, een kegelvormig dak bezat en met stroo was gedekt. Rondom deze kerk vestigden zich geloovigen, leerlingen en volgelingen van Amandus.

Dit was de oorsprong der abdij van Sint Bavo.

Waarom zij aldus werd genoemd, zult gij in het volgend verhaal vernemen.

18.--Sint Bavo.

In Haspengouw woonde toen een zeer rijk en voornaam heer, Bavo genaamd. Met vorsten was hij verwant en hij leefde gedurende langen tijd enkel voor wereldsche genoegens.

Doopkapel van Sint Macharius (1179), in de abdij van Sint Bavo.

Het voorbeeld van enkele zijner familieleden en vooral dat van Amandus bracht hem tot inkeer. Bavo besloot zijn leven aan den godsdienst te wijden. Hij deed afstand van weelde en wereldsche genoegens, onderscheidde zich door zijne milddadigheid en toefde geruimen tijd in de abdij, gesticht door Amandus.

Hij schonk haar rijkdommen en uitgestrekte landerijen. Na zijnen dood, in 654, werd de abdij naar zijnen naam genoemd.